De bijbel

De bijbel is een verzameling overgeleverde geschriften, die samen door diverse kerkgenootschappen en gelovigen gezien worden als het woord van hun god.

Holbein jr., testamentenDe christelijke bijbel bestaat uit twee delen: het oude testament, min of meer overeenkomend met de joodse bijbel (Tenach), geboekstaafd voor het begin van de jaartelling; en het nieuwe testament, opgeschreven na de dood van Jezus. Afhankelijk van christelijke stroming wordt het oude testament aangevuld met apocriefe geschriften, die een wat minder heilige status kennen.

Het woord 'bijbel' is afgeleid van het Griekse biblia (βιβλια), het meervoud van biblion, dat diverse betekenissen heeft: papyrus, papier, geschrift, boekrol, boek. Bijbel betekent dus boeken, hetgeen overeenstemt met de onderverdeling van de twee testamenten in boeken, onderverdeeld in hoofdstukken, onderverdeeld in verzen.

Ontstaan & belangrijkste vertalingen

Voor de ontwikkeling van de christelijke bijbel is van belang een reeks vertalingen van de joodse bijbel uit het Hebreeuws in het Grieks, die tussen 250 en 100 v.C. gemaakt werden. Gebundeld zijn ze bekend als de Septuaginta, of Septuagint, een verwijzing naar de legende dat het geheel door zeventig geleerden was geschreven. De Septuagint werd door de eerste christenen gebruikt bij hun bekeringswerk. Pas in latere vertalingen van het oude testament werd uitgegaan van oudere, Hebreeuwse geschriften.

Het heeft een paar eeuwen geduurd voordat men het binnen de christelijke Kerk - destijds was er nog maar één variant - eens was over de vraag welke geschriften geschikt waren voor opname in het nieuwe testament. Er waren nogal wat verschillende evangelies en brieven van apostelen in omloop. De meeste daarvan waren in het Grieks geschreven, dat in de eerste anderhalve eeuw n.C. de gangbare taal was in het gebied rond de Middellandse Zee. Een belangrijke vertaling werd die van Hiëronymus, uit ca. 400: de Vulgata, ook wel Vulgaat genoemd, een vertaling in het Latijn. Alle katholieke bijbels zijn nog steeds gebaseerd op de Vulgaat.

In de 16e eeuw ontstonden binnen de Kerk allerlei hervormingsbewegingen, die om uiteenlopende redenen behoefte hadden aan een eigen vertaling. De bekendste is wellicht de Duitse vertaling van Maarten Luther. Deze vertaalde in 1521 het nieuwe testament, uitgaande van een Latijnse versie van Erasmus, en in 1534 het oude testament (zonder apocriefen).

Vertalingen rechtstreeks vanuit de grondteksten, Hebreeuws en Grieks, zijn nog wat jonger. Een voorbeeld is de Engelse King James Version (1611), ook wel de Authorized Version genoemd, die sterk leunde op eerder werk van William Tyndale. In de Lage Landen verscheen niet veel later de Statenvertaling (1637).