Vindplaatsen van het woord ajalon in het oude testament (10 verzen):

Jozua 10:12
Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israëls overgaf, en zeide voor de ogen der Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!

Jozua 19:42
En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,

Jozua 21:24
Ajalon en haar voorsteden, Gath-rimmon en haar voorsteden: vier steden.

Richteren 1:35
Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.

Richteren 12:12
En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon.

1 Samuël 14:31
Doch zij sloegen te dien dage de Filistijnen van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer moede.

1 Kronieken 6:69
En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-rimmon en haar voorsteden.

1 Kronieken 8:13
En Beria, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajalon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.

2 Kronieken 11:10
En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.

2 Kronieken 28:18
Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.