Vindplaatsen van het woord aanbidden in de apocriefe geschriften (6 verzen):
Tobias (Tobit) 5:19
Dewijl wij tezamen getrokken zijn naar Jeruzalem om te aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten.
Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.
Baruch 6:5
Als gij zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Here.
Esther (apocr.) 13:15
En ik zal niemand aanbidden dan u, die mijn Here zijt, en ik zal dat niet doen uit hovaardigheid;
Bel en de draak (Dan. 14) 1:3
En de koning eerde die, en ging dagelijks heen, om die te aanbidden, doch Daniël aanbad God. En de koning zeide tot hem: Waarom bidt gij Bel niet aan?
Bel en de draak (Dan. 14) 1:24
En Daniël zeide: De Here mijn God zal ik aanbidden, want die is de levende God.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst