Vindplaatsen van het woord aanbad in het nieuwe testament (7 verzen):

Mattheüs 8:2
En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

Mattheüs 9:18
Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.

Mattheüs 15:25
En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!

Mattheüs 18:26
De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

Marcus 5:6
Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.

Johannes 9:38
En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.

Handelingen 10:25
En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij.