Vindplaatsen van het woord aanbaden in de apocriefe geschriften (5 verzen):

Judith 13:21
En al het volk ontzette zich zeer, en zich nederbuigende, aanbaden zij God.

Judith 16:22
En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandofferen en hun gewillige offeren, en hun gaven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:22
En in die plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem.

1 Makkabeeën 4:55
En al het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had.

3 Makkabeeën 2:9
En uit liefde tot het huis Israëls hebt gij beloofd, indien wij ons van u afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, gij ons gebed zoudt verhoren.