Vindplaatsen van het woord babylon in de apocriefe geschriften (23 verzen):

3 Ezra 1:40
Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.

3 Ezra 1:41
En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.

3 Ezra 1:45
En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;

3 Ezra 1:54
Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.

3 Ezra 4:44
En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zoudt zenden, welke Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,

3 Ezra 6:16
Welke dit huis afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk gevankelijk naar Babylon weggevoerd.

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:23
Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren;

3 Ezra 6:26
En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weder gesteld mochten worden.

4 Ezra 3:1
IN het dertigste jaar van de ondergang der stad, was ik te Babylon, en lag bekommerd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart;

4 Ezra 3:2
Want ik zag de verwoesting van Sion, en de overvloed dergenen, die te Babylon woonden.

4 Ezra 3:28
Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen?

4 Ezra 3:31
Ik kan niet bedenken, hoe deze weg zo moet blijven. Doet dan Babylon beter dan Sion?

4 Ezra 15:43
En zij zullen standvastig gaan tot Babylon toe, en zullen die verstoren.

4 Ezra 15:60
In het doortrekken zullen zij de verslagen stad in stukken stoten, en zullen een gedeelte van uw land verderven, en een deel van uw heerlijkheid uitroeien, en zo tot het verwoeste Babylon wederkeren.

4 Ezra 16:1
WEE u Babylon en Azië! wee u Egypte en Syrië!

Susanna (Dan. 13) 1:1
Daar was een man woonachtig te Babylon, wiens naam was Jojakim.

Susanna (Dan. 13) 1:5
En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van welke de Here gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:33
En de engel des Heren zeide tot Habakuk: Draag het middageten, dat gij hebt, naar Babylon tot Daniël in de kuil der leeuwen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:34
En Habakuk zeide: Here, ik heb Babylon nooit gezien, en weet niet waar de kuil is.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:35
Toen vatte de engel des Heren hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van zijn Geest.

1 Makkabeeën 6:4
En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar met grote droefheid, en keerde weder naar Babylon.