Vindplaatsen van het woord babylonië in de apocriefe geschriften (21 verzen):
3 Ezra 1:40
Tegen hem nu toog op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.
3 Ezra 1:56
En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar Babylonië.
3 Ezra 2:15
En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.
3 Ezra 4:53
En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.
3 Ezra 4:57
En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.
3 Ezra 4:61
En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broederen.
3 Ezra 5:7
Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd had.
3 Ezra 6:17
Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.
3 Ezra 8:3
Deze Ezra trok henen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.
3 Ezra 8:6
In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan der eerste maand,
3 Ezra 8:14
En zij de Here Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:
3 Ezra 8:31
En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.
Baruch 1:1
DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft in Babylonië.
Baruch 1:4
En voor de oren van het ganse volk, hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en voor de oren der oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier Sud.
Baruch 2:21
Alzo spreekt de Here: Neigt uw schouder om de koning van Babylonië te dienen, zo zult gij blijven zitten in het land dat ik uw vaderen gegeven heb.
Baruch 2:22
En indien gij de stem des Heren niet zult horen, om de koning van Babylonië te dienen,
Baruch 2:24
Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door de dienst uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen zouden gebracht worden uit hun plaats.
Baruch 6:2
In Babylonië gekomen zijnde, zult gij daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna zal ik ulieden van daar weder uitvoeren met vrede.
Baruch 6:3
Doch nu zult gij in Babylonië op de schouders zien dragen de zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen.
2 Makkabeeën 8:20
En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.
3 Makkabeeën 6:5
Gij hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst