Vindplaatsen van het woord baart in het oude testament (7 verzen):

Job 24:21
De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.

Job 38:28
Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?

Job 38:29
Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

Jesaja 21:3
Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

Jesaja 42:14
Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.

Jesaja 45:10
Wee dien, die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?

Jeremia 30:6
Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?