Vindplaatsen van het woord branden in de apocriefe geschriften (6 verzen):

4 Ezra 16:6
Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden?

4 Ezra 16:54
De zondaar zegge niet, dat hij niet heeft gezondigd, want vurige kolen zal hij op het hoofd desgenen branden, die zegt: Ik heb niet gezondigd voor God de Here en voor zijn heerlijkheid.

Jezus Sirach 28:13
Indien gij in een vonk blaast, zo zal zij branden, maar indien gij daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt beide uit uw mond.

Jezus Sirach 40:31
In de mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:46
De dienaren nu des konings, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs.

1 Makkabeeën 12:29
En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden.