Vindplaatsen van het woord buik in de apocriefe geschriften (7 verzen):

4 Ezra 15:35
En zij zullen tegen elkander stoten, en zullen vele sterren ter aarde werpen, en ook hun eigen sterren, en het bloed door het zwaard vergoten, zal tot de buik toe vloeien.

Jezus Sirach 19:12
Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas.

Jezus Sirach 36:20
De buik eet alle spijs, toch is de ene spijs beter dan de andere.

Jezus Sirach 40:31
In de mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.

2 Makkabeeën 10:4
Dit gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen in zodanige zwarigheden, maar indien zij ook te eniger tijd kwamen te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven worden.

2 Makkabeeën 14:44
Die terstond achterwaarts wijkende en plaats makende, kwam hij in het midden te vallen op zijn buik.

3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.