Vindplaatsen van het woord ben in de apocriefe geschriften (104 verzen):
3 Ezra 1:27
Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Here.
3 Ezra 1:30
En de koning zeide tot zijn knechten: Voert mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem terstond af uit de slagorden.
3 Ezra 4:59
Van u is de overwinning, en van u is de wijsheid, en uw is de heerlijkheid, en ik ben uw dienstknecht.
3 Ezra 8:59
En ik zeide tot ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk des Heren onzer vaderen.
3 Ezra 8:75
Here, ik ben beschaamd, en bevreesd voor uw aangezicht:
4 Ezra 2:2
De moeder, die hen gebaard heeft, zegt tot hen: Gaat heen kinderen! want ik ben een weduwe en verlatene.
4 Ezra 2:4
Nu dan, wat zal ik u doen? ik ben een weduwe en verlatene: Gaat heen kinderen! en verzoekt barmhartigheid van de Here.
4 Ezra 2:31
Gedenk aan uw kinderen die slapen, want ik zal ze uit de zijden der aarde te voorschijn brengen, en ik zal hun barmhartigheid bewijzen, dewijl ik barmhartig ben, spreekt de Here, de almachtige.
4 Ezra 3:29
Ja toen ik hier ben gekomen, en de goddeloosheid gezien heb, welker geen getal is, (want mijn ziel heeft vele overtreders dit dertigste jaar nu gezien) zo is mijn hart mij ontvallen.
4 Ezra 3:33
Welker loon nochtans nergens voorhanden is, en welker arbeid geen vrucht geeft. Want ik ben door de heidenen heen en weer getogen, en ik heb gezien dat zij overvloed hebben, en dat zij uw geboden niet gedenken.
4 Ezra 4:3
En ik zeide: Ja mijn Here. En hij antwoordde mij en sprak: Ik ben tot u gezonden om drie wegen aan te wijzen, en om drie gelijkenissen u voor te stellen,
4 Ezra 4:8
Zo zoudt gij mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet nedergedaald, noch tot nog toe in de hel; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen.
4 Ezra 4:44
En ik antwoordde en zeide: Heb ik genade in uw ogen gevonden, en indien het mogelijk is, en ik er bekwaam toe ben,
4 Ezra 4:52
Toen antwoordde hij mij en zeide: Van de tekenen waarvan gij mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet.
4 Ezra 5:35
En hij zeide tot mij: Dat kunt gij niet. Doch ik sprak: Waarom Here? Waartoe ben ik dan geboren, of waarom was mij de schoot van mijn moeder niet een graf, opdat ik de kommer Jakobs niet zou zien, en de moeite van het geslacht Israëls?
4 Ezra 5:39
Maar ik ben onverstandig, en hoe zou ik van die dingen kunnen spreken, welke gij mij hebt gevraagd?
4 Ezra 6:30
En hij sprak tot mij: Ik ben gekomen om u te tonen de tijd van de toekomende nacht.
4 Ezra 7:2
En hij zeide tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken.
4 Ezra 8:15
En nu, Here, van alle mensen weet gij het best, maar veel meer zal ik spreken van uw volk, om hetwelk ik treurig ben,
4 Ezra 8:47
Want u ontbreekt nog veel, dat gij mijn schepsel zoudt liefhebben meer dan ik: doch ik ben u en hetzelve dikmaals genaderd, maar de onrechtvaardige nooit.
4 Ezra 9:26
En ik ben heengegaan, gelijk hij mij gezegd had, in het veld hetwelk Ardath heet, en ik zat aldaar in de bloemen; en ik at van het kruid des akkers, en ik werd van zijn spijs verzadigd.
4 Ezra 9:41
Laat van mij af, Heer, opdat ik mag wenen, en in mijn droefheid voortgaan, want, ik ben zeer ontsteld van geest, en ben zeer vernederd.
4 Ezra 10:3
En toen zij allen ophielden mij te troosten, opdat ik zou rusten, zo ben ik des nachts opgestaan, en weggevloden, en ben in dit veld gekomen, gelijk gij ziet,
4 Ezra 10:28
Waar is Uriël de engel, die van den beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaadheid.
4 Ezra 10:32
En ik zeide: Omdat gij mij verlaten hebt; want ik heb naar uw redenen gedaan, en ben in het veld uitgegaan; en ziet, ik heb gezien, en zie nog, wat ik niet kan verhalen.
4 Ezra 12:5
Ziet, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest.
4 Ezra 12:7
En ik zeide: O heersende Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, en indien ik gerechtvaardigd ben bij u voor vele anderen, en indien mijn gebed waarlijk voor uw aangezicht opgekomen is,
4 Ezra 12:48
En ik heb ulieden niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering uws heiligdoms.
4 Ezra 13:57
Toen ben ik in het veld heengegaan, de Allerhoogste zeer lovende en prijzende, vanwege de wonderen die hij van tijd tot tijd deed;
4 Ezra 14:2
En zie een stem kwam tegen mij uit van het doornbos, en zeide: Ezra, Ezra! En ik zeide: Zie hier ben ik Here, en ik stond op, op mijn voeten, en hij zeide tot mij:
4 Ezra 14:3
In het doornbos ben ik Mozes verschenen, en heb met hem gesproken, als mijn volk in Egypte dienstbaar was.
Tobias (Tobit) 1:22
En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.
Tobias (Tobit) 2:1
EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,
Tobias (Tobit) 2:11
En mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais.
Tobias (Tobit) 3:12
Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.
Tobias (Tobit) 3:17
Gij weet Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad des mans.
Tobias (Tobit) 3:19
Ik ben een eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal;
Tobias (Tobit) 5:15
Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer broederen.
Tobias (Tobit) 6:16
En nu, ik ben een enig kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.
Tobias (Tobit) 12:15
Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die de gebeden der heiligen voor God brengen, en ingaan voor het aanschijn van de heerlijkheid des heiligen.
Tobias (Tobit) 12:18
Dewijl ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door de wil van onze God; daarom looft hem in der eeuwigheid.
Tobias (Tobit) 12:19
Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.
Tobias (Tobit) 14:6
En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.
Judith 9:3
En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochteren in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking huns bloeds, en hebben u tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben.
Judith 9:12
En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb.
Judith 10:12
En zij zeide: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden.
Judith 11:13
Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevloden, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in het gehele aardrijk zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen.
Judith 11:17
Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder te boodschappen.
Judith 12:13
En Judith zeide tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?
Judith 13:20
En zo waarachtig als de Here leeft, die mij bewaard heeft in mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met mij begaan.
Boek der Wijsheid 7:1
IK ben ook een sterfelijk mens, alle anderen gelijk, en van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft.
Boek der Wijsheid 7:2
En ben in het lichaam mijner moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde in bloed tezamen geronnen uit zaad eens mans, en wellust die daarbij komt met de slaap.
Boek der Wijsheid 7:3
En ik heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste stem geweest, gelijk van alle anderen.
Boek der Wijsheid 7:4
In windselen ben ik opgevoed en met zorgen.
Boek der Wijsheid 8:2
Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid.
Boek der Wijsheid 8:18
En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.
Boek der Wijsheid 8:20
Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam.
Boek der Wijsheid 9:5
Want ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht en der wetten.
Jezus Sirach 15:11
Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want hetgeen hij haat moet gij niet doen.
Jezus Sirach 24:3
Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan, en gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.
Jezus Sirach 24:11
En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.
Jezus Sirach 24:12
En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.
Jezus Sirach 24:13
Ik ben verhoogd geworden als een cederboom op Libanon, en gelijk een cypresseboom op de bergen van Hermon.
Jezus Sirach 24:14
Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom te Jericho.
Jezus Sirach 24:15
Gelijk een schone olijfboom in een fraai veld, en gelijk de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.
Jezus Sirach 24:20
Ik ben een moeder der schone liefde, en der vrees, en der kennis, en der heilige hoop;
Jezus Sirach 24:32
Ik, de Wijsheid, ben gelijk een gedolven gracht van een rivier;
Jezus Sirach 24:33
En gelijk een waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.
Jezus Sirach 25:3
Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:
Jezus Sirach 33:16
En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.
Jezus Sirach 34:12
Menigmaal ben ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden.
Jezus Sirach 39:16
Nog zal ik vertellen hetgeen ik bedacht heb, want ik ben vervuld gelijk de volle maan.
Jezus Sirach 39:37
Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd geworden, en heb deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten.
Jezus Sirach 51:6
Van de verstikking des vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;
Jezus Sirach 51:22
En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.
Baruch 2:12
Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij heb ben onrecht gedaan, Here onze God, tegen al uw inzettingen.
Baruch 2:31
Maar zij zullen tot zichzelf inkeren in het land hunner weg voering, en zij zullen erkennen, dat ik de Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven, en oren die horen.
Baruch 4:12
Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;
Baruch 4:19
Gaat heen, kinderen, gaat heen, doch ik ben verwoest gelaten.
Esther (apocr.) 14:4
Here, gij zijt alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan u, en mijn gevaar is voor de hand.
Esther (apocr.) 14:14
Verlos ons door uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan u, Here.
Esther (apocr.) 14:16
Gij weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken mijner hovaardij, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben.
Esther (apocr.) 14:18
En uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in u, o Here, God van Abraham.
Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.
Susanna (Dan. 13) 1:22
En Susanna zuchtte zwaar en sprak: Mij is van alle zijden bang, want, indien ik dat doe, zo ben ik des doods; en indien ik het niet doe, zo zal ik uw handen niet ontvlieden.
Susanna (Dan. 13) 1:46
En hij riep met luider stem: Ik ben rein van dit bloed;
Gebed van Manasse 1:8
Gij, Here, die een God zijt der rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, welke tegen u niet hebben gezondigd; maar gij hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.
Gebed van Manasse 1:9
Want mijn zonden zijn niet meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Here, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waardig dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte mijner overtredingen.
Gebed van Manasse 1:10
Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik uw toorn verwekt, en kwaad voor uw ogen gedaan heb; dewijl ik uw wil niet heb gedaan, en uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelen opgericht, en vele ergernissen begaan.
1 Makkabeeën 2:7
En zeide: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn volk, en de overlast der heilige stad, en om daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand der vijanden?
1 Makkabeeën 5:64
Zodat zij gezamenlijk vergaderden bij ben, wensende hun veel geluk.
1 Makkabeeën 6:11
En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en bemind ware geweest in mijn heerschappij!
1 Makkabeeën 10:52
Dewijl ik wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon mijner vaderen, en het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze landen weder heb veroverd;
1 Makkabeeën 10:70
Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?
1 Makkabeeën 10:72
Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land.
1 Makkabeeën 12:45
Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere sterkten, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik hier.
1 Makkabeeën 13:4
Daarom zijn al mijn broeders omgekomen, om Israëls wil, en ik alleen ben overgebleven.
1 Makkabeeën 13:5
En nu het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen in enige tijd der verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broeders.
1 Makkabeeën 16:3
Maar ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.
2 Makkabeeën 9:27
Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende, u alleszins billijk en vriendelijk zal gelieven.
2 Makkabeeën 11:26
Gij zult dan weldoen, dat gij tot ben zendt, hun gevende de rechterhand, opdat zij ons goedvinden wetende, goedsmoeds mogen zijn, en met vreugde hun eigen dingen mogen verrichten.
2 Makkabeeën 14:7
Waarom ik, beroofd zijnde van de heerlijkheid mijner voorouders, namelijk van het hogepriesterschap, ben nu hier gekomen:
2 Makkabeeën 15:5
En de ander zeide: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en des konings diensten te volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren.
3 Makkabeeën 6:22
Gij misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en gij neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, heimelijk aanrichtende hetgeen het rijk niet bevorderlijk is.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst