Vindplaatsen van het woord bezaaien in het oude testament (7 verzen):

Exodus 23:10
Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en deszelfs inkomst verzamelen;

Leviticus 19:19
Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeërlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.

Leviticus 25:3
Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.

Leviticus 25:4
Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.

Deuteronomium 22:9
Gij zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.

Psalmen 107:37
En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.

Jeremia 31:27
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.