Vindplaatsen van het woord beminnen in het oude testament (7 verzen):

Psalmen 4:3
Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.

Psalmen 119:132
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.

Psalmen 119:165
Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.

Psalmen 122:6
Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.

Spreuken 1:22
Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

Hosea 3:1
En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.

Hosea 4:18
Hunlieder zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hun schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.