Vindplaatsen van het woord broeder in de apocriefe geschriften (65 verzen):

3 Ezra 1:9
Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.

3 Ezra 1:37
En de koning van Egypte stelde zijn broeder Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;

3 Ezra 1:38
En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broeder Saracus nam hij, en bracht hem weder in Egypte.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 8:49
En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broeder, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;

4 Ezra 1:38
En nu, broeder, aanschouw wat heerlijkheid dit is; en zie het volk dat van de opgang aankomt.

4 Ezra 12:11
De arend, die gij hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een gezicht gezien is door uw broeder Daniël;

Tobias (Tobit) 1:16
En ik gaf tien talenten zilvers in bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.

Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

Tobias (Tobit) 5:9
En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder geherbergd.

Tobias (Tobit) 5:13
En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.

Tobias (Tobit) 5:14
En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.

Tobias (Tobit) 5:16
En Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.

Tobias (Tobit) 5:18
Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;

Tobias (Tobit) 5:21
Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.

Tobias (Tobit) 6:8
En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze vis?

Tobias (Tobit) 6:12
Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.

Tobias (Tobit) 6:15
Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.

Tobias (Tobit) 6:18
En nu hoor mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel.

Tobias (Tobit) 7:5
En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.

Tobias (Tobit) 7:9
En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.

Tobias (Tobit) 7:12
En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.

Tobias (Tobit) 9:2
En zeide tot hem: Azarias, broeder,

Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.

Tobias (Tobit) 11:2
En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.

Judith 8:23
En hoe hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, zijns moeders broeder,

Jezus Sirach 3:18
Wie zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt, die is vervloekt van de Here.

Jezus Sirach 7:12
Ploeg geen leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.

Jezus Sirach 7:18
Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.

Jezus Sirach 29:31
Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broeder is bij mij geherbergd.

Jezus Sirach 33:19
Geef uw zoon een vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken.

Jezus Sirach 33:30
Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.

Jezus Sirach 45:7
Aäron, zijn broeder, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.

Esther (apocr.) 15:8
En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden des vredes, en zeide tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broeder, zijt goedsmoeds, gij zult niet sterven, want dit gebod is ons gemeen.

1 Makkabeeën 2:65
En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.

1 Makkabeeën 5:17
En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galaäditis trekken.

1 Makkabeeën 5:24
En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn;

1 Makkabeeën 5:55
En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover Ptolomaïs,

1 Makkabeeën 9:19
En Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen te Modin.

1 Makkabeeën 9:29
Van dat uw broeder Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.

1 Makkabeeën 9:31
En Jonathan nam, in die gelegenheid des tijds, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.

1 Makkabeeën 9:33
En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden zich bij het water van het meer Asfar.

1 Makkabeeën 9:35
En Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.

1 Makkabeeën 9:37
En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van een van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.

1 Makkabeeën 9:38
Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.

1 Makkabeeën 9:42
En zij deden alzo wraak over het bloed van hun broeder, en keerden weder aan de kant van de Jordaan.

1 Makkabeeën 9:65
En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot getal.

1 Makkabeeën 10:18
De koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.

1 Makkabeeën 10:74
Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.

1 Makkabeeën 11:30
De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.

1 Makkabeeën 11:58
En hij stelde zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af, tot de landpalen van Egypte toe.

1 Makkabeeën 11:63
Is hun tegemoet getrokken; en liet zijn broeder Simon in het land.

1 Makkabeeën 13:14
En Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten.

1 Makkabeeën 13:15
Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.

1 Makkabeeën 13:18
Die zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gezonden heeft, zo is zijn broeder omgekomen.

1 Makkabeeën 13:25
En Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.

1 Makkabeeën 14:17
En horende, dat Simon, zijn broeder, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren;

1 Makkabeeën 16:9
Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd had.

2 Makkabeeën 4:7
Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en Antiochus, toegenaamd Epifanes, het koninkrijk had aangenomen, zo heeft Jason, de broeder van Onias, onbehoorlijk gestaan naar het hogepriesterschap.

2 Makkabeeën 4:23
En na de tijd van drie jaren zond Jason Menelaüs, des voorgemelden Simons broeder, om de koning het geld te brengen, en om hen in gedachtenis te brengen enige noodwendige zaken.

2 Makkabeeën 4:26
En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog uitgeworpen had door een ander weder met bedrog uitgeworpen zijnde, gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis.

2 Makkabeeën 4:29
Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus, zijn broeder, gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus.

2 Makkabeeën 10:37
En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas en Apollofanes.

2 Makkabeeën 11:22
En de brief van de koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed.

2 Makkabeeën 14:17
En Simon, de broeder van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen.