Vindplaatsen van het woord cham in het oude testament (15 verzen):

Genesis 5:32
En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.

Genesis 6:10
En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

Genesis 7:13
Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;

Genesis 9:18
En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän.

Genesis 9:22
En Cham, Kanaäns vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen.

Genesis 10:1
Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.

Genesis 10:6
En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.

Genesis 10:20
Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.

1 Kronieken 1:4
Noach, Sem, Cham en Jafeth.

1 Kronieken 1:8
De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaän.

1 Kronieken 4:40
En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren.

Psalmen 78:51
En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

Psalmen 105:23
Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

Psalmen 105:27
Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.

Psalmen 106:22
Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.