Vindplaatsen van het woord chaldeeën in de apocriefe geschriften (7 verzen):

3 Ezra 1:52
Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen der Chaldeeën tegen hen deed optrekken.

3 Ezra 4:45
En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,

Judith 5:6
Dit volk komt af van de Chaldeeën.

Baruch 1:2
In het vijfde jaar, de zevende dag der maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.

Baruch 6:40
Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:48
En ging voort, en verbrandde de Chaldeeën, die zij rondom de oven vond.