Vindplaatsen van het woord dage in de apocriefe geschriften (6 verzen):

Tobias (Tobit) 3:7
Even ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienstmaagden haars vaders.

Judith 1:6
En de koning Nabuchodonosor voerde te dien zelven dage krijg tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, hetwelk gelegen is aan de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning der Elymeërs, en zeer vele volken der kinderen van Gilod kwamen tezamen tot die krijg.

Judith 6:15
Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die u geheiligd zijn.

Baruch 1:15
En spreekt aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des aangezichts, gelijk het te dezen dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:

Baruch 2:26
Gij hebt het huis, waarin uw naam was aangeroepen, gemaakt gelijk het te dezen dage is, vanwege de boosheid van het huis Israëls, en van het huis van Juda.

Esther (apocr.) 15:1
EN het geschiedde ten derden dage dat zij ophield van bidden, en legde haar treurklederen af, en toog haar heerlijke klederen aan.