Vindplaatsen van het woord dank in de apocriefe geschriften (7 verzen):

3 Ezra 4:60
Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.

Jezus Sirach 8:22
Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.

Jezus Sirach 12:1
INDIEN gij weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij zult dank voor uw weldaden hebben.

Jezus Sirach 20:16
Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk van mij.

Jezus Sirach 32:14
En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen.

1 Makkabeeën 14:25
Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?

2 Makkabeeën 2:28
Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij nochtans gaarne deze moeite nemen.