Vindplaatsen van het woord dagen in de apocriefe geschriften (183 verzen):

3 Ezra 1:19
En de kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde broden, zeven dagen lang.

3 Ezra 1:44
En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 4:63
Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang.

3 Ezra 5:69
Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht.

3 Ezra 7:14
En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen lang, zich verheugende voor de Here;

3 Ezra 8:43
En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.

3 Ezra 8:63
En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.

3 Ezra 9:4
En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel der overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.

3 Ezra 9:5
En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag der maand.

4 Ezra 2:13
Gaat henen, zo zult gij het ontvangen; bidt voor u, dat het maar weinige dagen vertoeve; het koninkrijk is nu voor u bereid; waakt!

4 Ezra 4:51
En ik bad en zeide: Meent gij, dat ik tot in die dagen zal leven, of wat zal het in die dagen zijn?

4 Ezra 5:1
VAN de tekenen nu. ziet de dagen zullen komen, dat die op aarde wonen, zullen gegrepen worden, in grote rijkdom, en de weg der waarheid zal verborgen zijn, en het land zal zonder trouw zijn.

4 Ezra 5:13
Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo gij weder bidt en weent gelijk als nu, en zo gij zeven dagen vast, zo zult gij weder grotere horen dan deze.

4 Ezra 5:20
En ik vastte zeven dagen, huilende en wenende, gelijk mij de engel Uriël bevolen had.

4 Ezra 5:21
En het geschiedde na zeven dagen, dat de gedachten mijns harten mij weder zeer bekommerden.

4 Ezra 6:18
En zij zeide: Ziet de dagen komen, en het zal geschieden, als ik zal beginnen te naderen, dat ik de inwoners der aarde zal bezoeken.

4 Ezra 6:28
Doch het geloof zal bloeien en de verdorvenheid zal overwonnen worden, en de waarheid zal te voorschijn komen, die zovele dagen zonder vrucht geweest is.

4 Ezra 6:31
Indien gij dan weder bidt, en weder zeven dagen vast, zo zal ik u weder grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb.

4 Ezra 6:35
En het geschiedde na deze, dat ik weder weende, en desgelijks zeven dagen vastte, opdat ik de drie weken vervulde die mij gezegd waren.

4 Ezra 7:30
En de wereld zal wederkeren tot het oude stilzwijgen, zeven dagen lang, gelijk in de voorgaande oordelen, zodat niemand zal overgelaten worden.

4 Ezra 7:31
En het zal na zeven dagen geschieden, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en dat verdorven is, zal sterven.

4 Ezra 8:63
Zie, Here, nu hebt gij mij de veelheid der tekenen getoond, die gij in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar gij hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd.

4 Ezra 9:4
Dan zult gij verstaan, dat de Allerhoogste hiervan gesproken heeft, van de dagen aan, die voor u van den beginne geweest zijn.

4 Ezra 9:23
Maar gij, indien gij nog andere zeven dagen vertoeft, (doch gij zult in dezelve niet vasten),

4 Ezra 9:27
En het is geschied na zeven dagen, dat ik nederzat op het gras, en mijn hart werd weder beroerd als tevoren.

4 Ezra 9:44
En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden,

4 Ezra 10:59
En de Allerhoogste zal u die gezichten der hoogste dingen tonen, welke de Allerhoogste die doen zal, die op aarde in de laatste dagen wonen.

4 Ezra 12:13
Ziet de dagen komen, dat een rijk op aarde zal opstaan, en het zal vreselijker zijn dan al de rijken, die daarvoor geweest zijn.

4 Ezra 12:39
Maar verbeid gij hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond worde hetgeen de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen.

4 Ezra 12:40
En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was wedergekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste vergaderd, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende:

4 Ezra 12:49
En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen.

4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.

4 Ezra 13:1
EN het geschiedde na zeven dagen, dat ik des nachts een droom droomde:

4 Ezra 13:16
Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest.

4 Ezra 13:18
Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en hetgeen deze overkomen zal, mitsgaders ook degenen die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:29
Ziet, de dagen komen, wanneer de Allerhoogste zal beginnen te verlossen degenen, die op aarde zijn.

4 Ezra 13:40
Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning der Assyriërs gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.

4 Ezra 13:56
En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren.

4 Ezra 13:58
En dat hij de tijd, met hetgeen in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat aldaar drie dagen.

4 Ezra 14:4
En ik heb hem gezonden, en heb mijn volk uit Egypte geleid, en heb hem gebracht op de berg Sinaï, en daar hield ik hem bij mij vele dagen.

4 Ezra 14:23
En hij antwoordde mij en zeide: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken.

4 Ezra 14:36
Zo kome dan niemand nu tot mij, noch vrage naar mij deze veertig dagen lang.

4 Ezra 14:44
Zo zijn er in veertig dagen geschreven tweehonderdenvier boeken.

4 Ezra 14:45
En het is geschied, als de veertig dagen geëindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zeide: Stel de eerste dingen, die gij geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen.

4 Ezra 16:17
Wee mij, wee mij; wie zal mij bevrijden in die dagen?,

4 Ezra 16:32
Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken.

4 Ezra 16:75
Hoort, mijn geliefden, spreekt de Here: ziet, de dagen der verdrukking zijn nabij, en ik zal u daarvan verlossen.

Tobias (Tobit) 1:2
Die gevankelijk weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.

Tobias (Tobit) 1:3
Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens gewandeld in de wegen der waarheid, en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in het land der Assyriërs, naar Nineve.

Tobias (Tobit) 1:19
En in de dagen van Enemessar deed ik veel aalmoezen aan mijn broederen.

Tobias (Tobit) 1:24
En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al het bewind.

Tobias (Tobit) 4:3
Kind, indien ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet.

Tobias (Tobit) 4:6
Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.

Tobias (Tobit) 8:17
En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen der bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen der bruiloft volbracht zouden zijn.

Tobias (Tobit) 9:4
En mijn vader telt de dagen.

Tobias (Tobit) 10:1
EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?

Tobias (Tobit) 10:7
Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.

Tobias (Tobit) 10:9
Totdat de veertien dagen der bruiloft voleindigd waren, welke Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.

Tobias (Tobit) 11:20
En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde.

Tobias (Tobit) 12:19
Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.

Judith 1:1
IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke regeerde over de Meden te Ecbatana,

Judith 1:16
En hij keerde met hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 4:5
En Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte des velds dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,

Judith 4:15
En het volk vastte vele dagen lang in gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom des Heren de almachtige.

Judith 5:8
En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.

Judith 5:18
En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 7:19
En Ozias zeide tot hen: Hebt goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Here onze God zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want hij zal ons tot het einde toe niet verlaten.

Judith 8:1
EN in die dagen hoorde zulks Judith, een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.

Judith 8:2
En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.

Judith 8:6
En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen der vreugde van het huis Israëls.

Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:14
Niet alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.

Judith 8:18
Gelijk wel in de vorige dagen is geschied, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val.

Judith 8:25
En Ozias zeide tot haar: Alles wat gij gezegd hebt, dat hebt gij van goeder harte gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is heden niet eerst openbaar, maar van het begin uwer dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, gelijkerwijs ook de bedenking uws harten goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens hetgeen wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.

Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.

Judith 10:2
Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen der sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmede zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.

Judith 10:3
En zij wies haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-klederen aan, waarmede zij bekleed was in de dagen van het leven haars mans Manasse.

Judith 12:7
En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij ging des nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij wies zich in het leger, in de waterfonteinen.

Judith 12:18
En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 15:12
En al het volk plunderde het leger, dertig dagen lang.

Judith 16:25
En na die dagen trok een iegelijk weder naar zijn erve, en Judith kwam weder naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.

Judith 16:27
En velen begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.

Judith 16:28
En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis Israëls droeg zeven dagen lang rouw over haar.

Judith 16:30
En daar was niemand meer, die de kinderen Israëls enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.

Jezus Sirach 1:2
Wie zal het zand der zee en de droppelen van de regen en de dagen der eeuwen tellen?

Jezus Sirach 1:12
Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.

Jezus Sirach 2:3
Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat gij moogt vermeerderd worden in uw laatste dagen.

Jezus Sirach 11:26
In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.

Jezus Sirach 17:2
Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.

Jezus Sirach 18:8
Het getal der dagen des mensen aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.

Jezus Sirach 18:9
Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.

Jezus Sirach 18:24
Gedenk aan de gramschap die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal afkeren.

Jezus Sirach 18:26
Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.

Jezus Sirach 22:13
De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen zijns levens.

Jezus Sirach 23:18
Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens niet onderwezen worden.

Jezus Sirach 24:27
Hij vervult alle dingen met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.

Jezus Sirach 24:28
Die vervult het verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.

Jezus Sirach 26:1
GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal zijner dagen wordt dubbel.

Jezus Sirach 30:22
Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.

Jezus Sirach 30:25
Nijdigheid en gramschap verminderen de dagen, en bekommernis brengt ouderdom voor de tijd.

Jezus Sirach 33:7
Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?

Jezus Sirach 33:9
Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.

Jezus Sirach 33:23
Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.

Jezus Sirach 37:26
Het leven van een man heeft een getal der dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar.

Jezus Sirach 40:6
Hij heeft weinig, en gelijk als geen rust, en daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.

Jezus Sirach 41:16
Een goed leven heeft een. zeker getal der dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid.

Jezus Sirach 44:8
Al deze zijn onder hun geslachten verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd.

Jezus Sirach 45:19
Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.

Jezus Sirach 47:1
NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.

Jezus Sirach 48:13
Elia is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.

Jezus Sirach 48:20
In zijn dagen trok Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn hand tegen Sion, en pochte zeer in zijn hoogmoed.

Jezus Sirach 48:26
In zijn dagen ging de zon achterwaarts, en de Here verlengde de koning het leven.

Jezus Sirach 49:4
Hij richtte zijn hart tot de Here; in de dagen der onrecht vaardigen versterkte bij de godvrezendheid.

Jezus Sirach 49:14
Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weder hebben gebouwd, en de heilige tempel opgericht, welke de Here werd toebereid tot een eeuwige heerlijkheid.

Jezus Sirach 50:1
SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.

Jezus Sirach 50:3
In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal zo veel.

Jezus Sirach 50:7
Gelijk de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon in de dagen van de zomer;

Jezus Sirach 50:23
En nu dankt de God aller dingen, die alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.

Jezus Sirach 50:24
En bidt dat het vrede worde in onze dagen in Israël, gelijk het in de dagen der vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze dagen.

Baruch 1:11
En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.

Baruch 1:12
Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.

Baruch 1:14
En gij zult dit boek lezen, hetwelk wij tot u gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk voor te lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.

Baruch 4:20
Ik heb het kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking aangedaan, ik zal tot de eeuwige roepen in mijn dagen.

Baruch 4:35
Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond worden, een lange tijd.

Esther (apocr.) 10:13
Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag der maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk.

Esther (apocr.) 14:16
Gij weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken mijner hovaardij, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben.

Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:69
Gij nachten en dagen looft de Here, prijst en roemt hem in der eeuwigheid

Susanna (Dan. 13) 1:8
En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.

Susanna (Dan. 13) 1:52
Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:2
De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:30
Deze nu wierpen hem in de kuil der leeuwen, en hij was daar zes dagen.

Gebed van Manasse 1:14
En ik zal u loven al de dagen mijns levens, want u looft ook al de kracht der hemelen, en u komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid.

1 Makkabeeën 1:12
In deze dagen gingen uit Israël enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.

1 Makkabeeën 2:1
In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.

1 Makkabeeën 2:49
En als de dagen naderden dat Mattathias zou sterven, zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting, en de grimmige toorn.

1 Makkabeeën 2:65
En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.

1 Makkabeeën 3:12
En hij heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij streed daarmee al zijn dagen.

1 Makkabeeën 3:29
En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden, weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;

1 Makkabeeën 3:49
En zij brachten daar de klederen des priesterdoms, en de eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.

1 Makkabeeën 4:56
En zij hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en slachtende offeranden der behoudenis en des lofs.

1 Makkabeeën 4:59
En Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag der maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.

1 Makkabeeën 5:24
En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn;

1 Makkabeeën 5:55
En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover Ptolomaïs,

1 Makkabeeën 6:9
En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.

1 Makkabeeën 6:31
En zij kwamen door Idumeä, en legerden zich tegen Bethsura, hetwelk zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.

1 Makkabeeën 6:51
En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap en instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen; en schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren.

1 Makkabeeën 6:52
En zij maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten vele dagen.

1 Makkabeeën 7:50
En het land van Juda was enige dagen in rust.

1 Makkabeeën 9:20
En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden:

1 Makkabeeën 9:24
In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen.

1 Makkabeeën 9:64
En hij kwam en legerde zich tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van geweld.

1 Makkabeeën 9:71
En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven.

1 Makkabeeën 10:34
En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.

1 Makkabeeën 11:20
In die dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van geweld.

1 Makkabeeën 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.

1 Makkabeeën 11:64
En Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield haar besloten.

1 Makkabeeën 12:11
Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder ophouden uwer gedenken, zo op onze feestdagen, als andere gevoegelijke dagen, in de ófferanden die wij offeren, en ook in onze gebeden, gelijk het behoort en betamelijk is de broederen gedachtig te zijn.

1 Makkabeeën 13:26
En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen.

1 Makkabeeën 13:43
In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.

1 Makkabeeën 14:4
Het land was in rust al de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.

1 Makkabeeën 14:13
Want die hen bestreden hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld in die dagen.

1 Makkabeeën 16:24
Ziet, deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden.

2 Makkabeeën 1:9
Houdt dan gij nu de dagen der Loofhutten in de maand Chasleu.

2 Makkabeeën 2:12
Desgelijks heeft ook Salomo die acht dagen gevierd.

2 Makkabeeën 2:16
Dewijl wij dan zullen houden het feest der reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.

2 Makkabeeën 5:2
En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden;

2 Makkabeeën 5:14
Zodat in drie dagen tachtigduizend omgebracht werden; veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden niet minder verkocht dan er gedood waren.

2 Makkabeeën 6:18
Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten.

2 Makkabeeën 10:6
En zij vierden met vreugde acht dagen, naar de wijze der loofhutten, gedachtenis hoe zij een weinig tijds tevoren op het feest der loofhutten, op de bergen en in de spelonken, gelijk de wilde beesten, in eenzaamheid geweest waren.

2 Makkabeeën 10:8
En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse volk der Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden.

2 Makkabeeën 10:33
Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde, belegerden de sterkte vierentwintig dagen.

2 Makkabeeën 13:12
Als zij dit allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Here baden, met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen nedergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen.

3 Makkabeeën 4:7
En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.

3 Makkabeeën 4:12
Zo geschiedde dan hun beschrijving met veel naarstigheid, en gestadig zitten van de opgang der zon tot derzelver ondergang, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde.

3 Makkabeeën 6:27
Daarna keerde de koning weder in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat voorts om feest te houdig nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, in welke zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.

3 Makkabeeën 6:33
En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van God geschied was.

3 Makkabeeën 6:35
De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd verlost heeft.

3 Makkabeeën 7:15
Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang wachtende was, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis kwamen.

3 Makkabeeën 7:16
En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, zo hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang zij in vreemdelingschap leefden.