Vindplaatsen van het woord die in de apocriefe geschriften (2091 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):
3 Ezra 1:2
En stelde de priesters, die met lange klederen waren aangedaan, naar hun dagordening in de tempel des Heren.
3 Ezra 1:3
En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;
3 Ezra 1:5
Naar het voorschrift Davids; de koning Israëls, en naar de heerlijke instelling Salomo's, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling der oversten uwer vaderen, de Levieten, die voor uw broederen de kinderen Israëls dienen.
3 Ezra 1:9
Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.
3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.
3 Ezra 1:17
Zo werd voleindigd alles wat tot de offerande des Heren op die dag behoorde.
3 Ezra 1:19
En de kinderen Israëls, die daar op die tijd gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest der ongehevelde broden, zeven dagen lang.
3 Ezra 1:24
En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen Israël.
3 Ezra 1:28
En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.
3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.
3 Ezra 1:41
En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.
3 Ezra 1:46
En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;
3 Ezra 1:47
En deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond des Heren.
3 Ezra 1:49
En ook de oversten des volks en der priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.
3 Ezra 1:53
Die doodden hun jongelingen met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, noch ouden, noch jongen.
3 Ezra 1:54
Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.
3 Ezra 1:56
En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar Babylonië.
3 Ezra 2:2
Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:
3 Ezra 2:5
Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.
3 Ezra 2:6
Zovelen dan, als er omtrent die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,
3 Ezra 2:7
Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.
3 Ezra 2:9
En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, wier gemoed daartoe verwekt is.
3 Ezra 2:10
En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.
3 Ezra 2:11
En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;
3 Ezra 2:14
Al de vaten dan, die overgebracht werden, zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig.
3 Ezra 2:15
En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.
3 Ezra 2:16
Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:
3 Ezra 2:17
De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaars Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn;
3 Ezra 2:18
Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.
3 Ezra 2:22
En gij zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft;
3 Ezra 2:23
En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.
3 Ezra 2:25
Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen verordineerd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, hetgeen volgt:
3 Ezra 2:26
Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;
3 Ezra 2:27
En dat de lieden afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben geregeerd, welke ook schattingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.
3 Ezra 2:30
Toen nu hetgeen van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen verordineerd waren tezamen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.
3 Ezra 2:31
En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
3 Ezra 3:1
EN Darius, koning zijnde, maakte een grote maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al de groten van Medië en Perzië;
3 Ezra 3:2
En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten, en oversten der landen, die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën.
3 Ezra 3:4
Toen zeiden de drie jongelingen, die des konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een tot de ander:
3 Ezra 3:6
Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;
3 Ezra 3:8
Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen des konings Darius,
3 Ezra 3:9
En zeide, wanneer de koning zal opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten van Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven worden, gelijk geschreven is.
3 Ezra 3:18
En de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken had, en zeide aldus:
3 Ezra 3:19
O mannen, hoe oversterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken;
3 Ezra 4:1
TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en zeide:
3 Ezra 4:2
O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?
3 Ezra 4:3
De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.
3 Ezra 4:6
En allen die in de krijg niet gaan noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning schatting; en de een dwingt de ander om de koning schatting toe te brengen, daar die maar één alleen is.
3 Ezra 4:12
O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men alzo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.
3 Ezra 4:13
De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:
3 Ezra 4:15
Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.
3 Ezra 4:16
En zij hebben zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt.
3 Ezra 4:18
En indien zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,
3 Ezra 4:20
Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.
3 Ezra 4:29
Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings zat,
3 Ezra 4:30
En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.
3 Ezra 4:35
Is die niet groot die zodanige dingen doet? Doch de waarheid is groot en sterker dan allen.
3 Ezra 4:43
Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.
3 Ezra 4:44
En dat gij al de vaten, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zoudt zenden, welke Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weder derwaarts te zenden.
3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.
3 Ezra 4:47
Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.
3 Ezra 4:49
En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.
3 Ezra 4:50
En dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder schatting zou zijn: en dat de Idumeeërs de vlekken der Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;
3 Ezra 4:51
En tot de bouw des tempels jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn.
3 Ezra 4:53
En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.
3 Ezra 4:56
En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel en bezoldiging zou geven.
3 Ezra 4:57
En hij zond weder al de vaten, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al hetgeen Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.
3 Ezra 4:60
Geloofd zijt gij, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank u, o Here onzer vaderen.
3 Ezra 5:3
(En al hun broederen speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken.
3 Ezra 5:4
Dit nu zijn de namen der mannen die optrokken, naar de huizen hunner vaderen in de stammen, naar de verdeling hunner heerschappijen.
3 Ezra 5:6
Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is de eerste maand.
3 Ezra 5:7
Dezen nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, welke Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd had.
3 Ezra 5:8
En zij zijn weder gekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheus, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten.
3 Ezra 5:9
Het getal nu dergenen, die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig.
3 Ezra 5:18
De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig.
3 Ezra 5:19
Die van Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig.
3 Ezra 5:20
Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig.
3 Ezra 5:29
Die het heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas.
3 Ezra 5:38
En uit de priesters, die het priesterschap bedienden, en welker geslacht niet werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit de dochteren Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd.
3 Ezra 5:40
En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, totdat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid.
3 Ezra 5:46
En de priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters, en geheel Israël, in hun vlekken.
3 Ezra 5:47
En toen nu de zevende maand kwam, en de kinderen Israëls elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig vergaderd in de voorhof der eerste poort, die tegen het oosten was.
3 Ezra 5:51
Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten zich. En zij offerden offeranden naar de tijd, en brandofferen voor de Here, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer.
3 Ezra 5:52
En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden, en offeranden der Sabbatten, en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, voor degenen die geheiligd waren.
3 Ezra 5:53
En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende maand af, begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.
3 Ezra 5:56
En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.
3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.
3 Ezra 5:63
Doch enigen uit de priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor dezen was, gezien hadden,
3 Ezra 5:67
En zij verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Here de God Israëls.
3 Ezra 5:69
Want wij behoren aan uw God gelijk als gij, en doen hem offeranden, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht.
3 Ezra 5:73
En de volken van dit land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.
3 Ezra 6:1
IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggaï en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God Israëls.
3 Ezra 6:4
Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?
3 Ezra 6:6
Het afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven en gezonden, is dit:
3 Ezra 6:7
Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.
3 Ezra 6:8
Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,
3 Ezra 6:12
En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen dergenen die hun oversten zijn.
3 Ezra 6:13
Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft geschapen,
3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,
3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.
3 Ezra 6:19
En hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd worden op zijn plaats.
3 Ezra 6:20
Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.
3 Ezra 6:23
Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren;
3 Ezra 6:26
En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weder gesteld mochten worden.
3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.
3 Ezra 6:28
En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.
3 Ezra 6:30
Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.
3 Ezra 7:4
En zij volbrachten die, door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië.
3 Ezra 7:6
En de kinderen Israëls, en de priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij gevoegd waren, deden volgens hetgeen in het Boek van Mozes geschreven staat;
3 Ezra 7:10
En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, hielden het Pascha, op de veertiende dag der eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren.
3 Ezra 7:11
Doch al de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren gekomen, waren niet tezamen geheiligd, maar de Levieten waren tezamen geheiligd.
3 Ezra 7:13
En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk al die afgescheiden waren van de gruwelen der volken van het land, en die de Here zochten.
3 Ezra 8:3
Deze Ezra trok henen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.
3 Ezra 8:7
En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Here was gegeven.
3 Ezra 8:8
Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te leren.
3 Ezra 8:11
Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem.
3 Ezra 8:14
En zij de Here Israëls gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weder brenge de Here te Jeruzalem:
3 Ezra 8:15
Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe behoort.
3 Ezra 8:16
Opdat men de Here offere offeranden op het altaar des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;
3 Ezra 8:18
En de heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,
3 Ezra 8:19
Die zult gij geven uit des konings schatkamer.
3 Ezra 8:20
En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,
3 Ezra 8:21
Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,
3 Ezra 8:26
En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet uws Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.
3 Ezra 8:27
En al die de wet uws Gods en des konings overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.
3 Ezra 8:28
En Ezra de schriftgeleerde zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou.
3 Ezra 8:29
En die mij heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.
3 Ezra 8:31
En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.
3 Ezra 8:46
En ik zeide hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats der schatkamer,
3 Ezra 8:47
Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broederen, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enigen zouden toezenden, die het priesterschap in het huis onzes Gods mochten bedienen.
3 Ezra 8:50
En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars des tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.
3 Ezra 8:51
En ik beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee.
3 Ezra 8:53
Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.
3 Ezra 8:61
En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.
3 Ezra 8:62
En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren, die over ons was.
3 Ezra 8:66
En die uit de gevangenis aangekomen waren, offerden tot offeranden de Here de God Israëls, twaalf stieren, voor het ganse Israël,
3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.
3 Ezra 8:83
En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:
3 Ezra 8:88
Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.
3 Ezra 8:94
En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.
3 Ezra 8:95
Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.
3 Ezra 9:3
En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen,
3 Ezra 9:4
En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel der overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte der gevangenis.
3 Ezra 9:5
En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag der maand.
3 Ezra 9:12
Doch dat de voorgangers der menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse vrouwen hebben;
3 Ezra 9:15
En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na.
3 Ezra 9:17
En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die uitlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.
3 Ezra 9:18
En onder de priesters werden gevonden, die uitlandse vrouwen hadden genomen.
3 Ezra 9:37
En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten zich neder te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de kinderen Israëls waren in hun woonplaatsen.
3 Ezra 9:39
En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.
3 Ezra 9:41
En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de tegenwoordigheid van mannen en vrouwen; en de gehele menigte keerde hun zinnen tot de wet.
3 Ezra 9:42
En Ezra, de priester en leermeester der wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.
3 Ezra 9:50
En Attaratas zeide tot Ezra de overste priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:
3 Ezra 9:52
Gaat dan henen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.
3 Ezra 9:55
En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich grotelijks te vervrolijken;
4 Ezra 1:5
Ga heen en verkondig mijn volk hun boosheden, en hun kinderen hun ongerechtigheden, die zij tegen mij hebben begaan, dat zij het hun kindskinderen verkondigen;
4 Ezra 1:9
Hoe lang zal ik hen verdragen, die ik zo grote weldaden bewezen heb?
4 Ezra 1:17
Waar zijn de weldaden die ik u bewezen heb? Hebt gij niet in de woestijn, toen u hongerde, tot mij geroepen, zeggende:
4 Ezra 1:32
Ik heb mijn knechten de profeten tot u gezonden die gij genomen en gedood hebt, en hun lichamen hebt gij verscheurd; welker bloed ik van u zal eisen, spreekt de Here.
4 Ezra 1:35
Ik zal uw huizen overgeven aan een volk dat nog komen zal. Die mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie ik geen tekenen getoond heb, die zullen doen wat ik bevolen heb.
4 Ezra 1:40
En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel des Heren genaamd is.
4 Ezra 2:1
DIT zegt de Here: Ik heb dit volk uit de dienstbaarheid gevoerd, aan hetwelk ik bevelen gegeven heb door mijn knechten de profeten, die zij niet hebben willen horen, maar zij hebben mijn raad teniet gemaakt.
4 Ezra 2:2
De moeder, die hen gebaard heeft, zegt tot hen: Gaat heen kinderen! want ik ben een weduwe en verlatene.
4 Ezra 2:5
Doch u, o Vader, roep ik tot getuige over de moeder dezer kinderen, die mijn verbond niet hebben willen houden:
4 Ezra 2:8
Wee u Assur! die de ongerechtigen bij u verbergt; gij boos volk, gedenk wat ik Sodom en Gomorra gedaan heb,
4 Ezra 2:9
Welker land in pekschollen, en ashopen ligt, zo zal ik hun doen, die mij niet gehoord hebben, spreekt de Here, de almachtige.
4 Ezra 2:11
En ik wil hun heerlijkheid tot mij nemen, en zal hun de eeuwige tabernakelen geven, die ik genen bereid had.
4 Ezra 2:15
Gij moeder! omhels uw kinderen; voed die op met blijdschap als een duif, bevestig hun voeten, want ik heb u verkoren, spreekt de Here.
4 Ezra 2:19
En zoveel fonteinen die met melk en honig vlieten; en zeven grote bergen, die rozen en leliën hebben, op welk ik uw kinderen met blijdschap zal vervullen.
4 Ezra 2:26
Van de knechten, die ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want ik zal hen van uw getal eisen.
4 Ezra 2:31
Gedenk aan uw kinderen die slapen, want ik zal ze uit de zijden der aarde te voorschijn brengen, en ik zal hun barmhartigheid bewijzen, dewijl ik barmhartig ben, spreekt de Here, de almachtige.
4 Ezra 2:34
Daarom zeg ik tot u, gij heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde der wereld zal komen.
4 Ezra 2:37
Neemt de gave aan, die u aangeprezen wordt, en verheugt u, dankzeggende degene die u tot het hemels koninkrijk heeft geroepen.
4 Ezra 2:38
Rijst op, en staat, en ziet het getal dergenen, die getekend zijn tot de maaltijd des Heren.
4 Ezra 2:39
Die van de schaduw dezer wereld zijn overgegaan, die hebben sierlijke klederen van de Here ontvangen.
4 Ezra 2:40
Sion, neem uw getal tot u, en besluit in u uw in het wit gekleden, die de wet des Heren vervuld hebben.
4 Ezra 2:41
Het getal uwer kinderen, die gij gewenst hebt, is vol. Bid de majesteit des Heren, dat uw volk geheiligd worde, dat van den beginne geroepen is.
4 Ezra 2:42
Ik Ezra zag op de berg Sion een grote hoop, die ik niet tellen kon, en zij loofden allen de Here met lofzangen;
4 Ezra 2:43
En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.
4 Ezra 2:45
Welke mij antwoordde en zeide: Deze zijn het, die de sterfelijke rok hebben afgelegd, en de onsterfelijke hebben aangedaan, en hebben de naam Gods beleden; nu worden zij gekroond, en ontvangen palmtakken.
4 Ezra 2:46
En ik zeide tot de engel: Wie is de jongeling die hun kronen opzet, en palmtakken in de handen geeft?
4 Ezra 2:47
En hij antwoordde mij en zeide: Het is de Zoon Gods, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hogelijk te verheffen, die zo kloekmoedig voor de naam des Heren gestaan hadden.
4 Ezra 3:2
Want ik zag de verwoesting van Sion, en de overvloed dergenen, die te Babylon woonden.
4 Ezra 3:7
En hebt hem geboden uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en gij hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en lieden, en geslachten, welker getal niet is te tellen.
4 Ezra 3:9
Daarentegen deedt gij mettertijd de zondvloed komen over degenen, die de wereld bewoonden, en gij verdierft ze.
4 Ezra 3:12
En het is geschied, toen degenen, die op aarde woonden begonnen te vermenigvuldigen, en vele kinderen verkregen, en tot vele volken en natiën werden, dat zij weder goddelozer werden dan de eersten.
4 Ezra 3:14
Die hebt gij liefgehad, en hebt hem alleen uw wil aangewezen.
4 Ezra 3:21
Want de eerste Adam, hebbende een boos hart, heeft het gebod overtreden, en is overwonnen, ja ook allen die van hem zijn geboren.
4 Ezra 3:25
En dat is vele jaren geschied, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen u;
4 Ezra 3:28
Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen?
4 Ezra 3:34
Nu dan, weeg onze ongerechtigheden in een schaal, en dergenen daartegen die in de wereld wonen, zo zal uw naam niet gevonden worden dan in Israël.
4 Ezra 3:35
Of wanneer hebben die op aarde wonen voor u niet gezondigd? of wat volk heeft uw geboden zo gehouden?
4 Ezra 4:1
TOEN antwoordde mij de engel, die tot mij gezonden was, wiens naam is Uriël,
4 Ezra 4:4
Van welke, zo gij mij een kunt verklaren, zo zal ik u ook de weg tonen, die gij begeert te zien, en ik zal u leren, vanwaar dat boze hart is.
4 Ezra 4:5
Toen sprak ik: Zeg aan mij Here; en hij zeide tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht des vuurs, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is.
4 Ezra 4:6
En ik antwoordde en zeide: Wie is er geboren die kan doen wat gij van mij eist?
4 Ezra 4:10
En hij zeide tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgewassen, kunt gij niet kennen,
4 Ezra 4:11
Hoe zoudt dan gij kunnen bevatten de weg des allerhoogsten; en zo de wereld van buiten verdorven is, hoe zoudt gij verstaan de verdorvenheid die openbaar is voor mij?
4 Ezra 4:17
Desgelijks ook de aanslag van de baren der zee, want het zand stond vast, en heeft die verhinderd.
4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.
4 Ezra 4:23
Want ik heb niet willen vragen van uw hogere dingen, maar van de dingen die onder ons dagelijks omgaan: namelijk, waarom Israël de heidenen tot een smaad is overgegeven, en waarom het volk, dat gij liefgehad hebt, overgegeven is aan de goddeloze geslachten, en de wet onzer vaderen teniet is geworden, en de geschreven rechten nergens voorhanden zijn,
4 Ezra 4:25
Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd.
4 Ezra 4:39
Dat nu misschien om onzentwil de oogst der rechtvaardigen niet nalate vervuld te worden, om der zonden wil dergenen die op aarde wonen.
4 Ezra 4:42
Want gelijk een die baart zich haast, om van de nood der geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven hetgeen haar bevolen is.
4 Ezra 4:50
En hij zeide tot mij: Denk bij u zelf, gelijk de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, doch de druppelen en de rook zijn nog overgebleven.
4 Ezra 4:51
En ik bad en zeide: Meent gij, dat ik tot in die dagen zal leven, of wat zal het in die dagen zijn?
4 Ezra 5:1
VAN de tekenen nu. ziet de dagen zullen komen, dat die op aarde wonen, zullen gegrepen worden, in grote rijkdom, en de weg der waarheid zal verborgen zijn, en het land zal zonder trouw zijn.
4 Ezra 5:2
En de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden boven deze, die gijzelf ziet, en boven die gij eertijds gehoord hebt.
4 Ezra 5:6
En hij zal heersen, die niet verwachten die op de aarde wonen, en het gevogelte zal wegtrekken.
4 Ezra 5:7
En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen nochtans zullen zij haar stem horen.
4 Ezra 5:11
En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Neen.
4 Ezra 5:15
Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij op, en versterkte mij, en stelde mij op mijn voeten.
4 Ezra 5:25
En uit al die diepten der zee hebt gij u een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt gij u Sion geheiligd.
4 Ezra 5:27
En uit alle vermenigvuldigde volken hebt gij u een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin gij lust hadt.
4 Ezra 5:28
En nu Here, waarom hebt gij dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat uw is, onder velen verstrooid?
4 Ezra 5:29
En zij hebben dat vertreden, die uw beloften tegenspraken, en die uw verbonden niet geloofden.
4 Ezra 5:31
En het is geschied, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen.
4 Ezra 5:33
Toen zeide ik: Spreek mijn Here. En hij zeide tot mij: Uw geest is te zeer bekommerd over Israël; hebt gij dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft?
4 Ezra 5:36
En hij zeide tot mij: Vertel mij de dingen die nog niet zijn gekomen: en vergader mij de verstrooide druppelen, en maak mij de verdorde bloemen wederom groen.
4 Ezra 5:37
Open mij de binnenkameren die gesloten zijn, en breng mij te voorschijn de winden, die daarin besloten zijn: toon mij het beeld van de stem; en dan zal ik u tonen de arbeid waarnaar gij vraagt om die te zien.
4 Ezra 5:38
En ik sprak: O heersende Here, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft.
4 Ezra 5:39
Maar ik ben onverstandig, en hoe zou ik van die dingen kunnen spreken, welke gij mij hebt gevraagd?
4 Ezra 5:40
Toen zeide hij tot mij: Gelijk gij niet doen kunt een der dingen, die gezegd zijn, zo zult gij ook mijn oordeel niet vinden, noch de eigenlijke liefde, die ik mijn volk toegezegd heb.
4 Ezra 5:41
En ik sprak: Maar zie, Here, gij zijt nabij degenen, die tegen het einde zijn; wat zullen nu die doen, die voor mij geweest zijn, of wij, of die na ons zijn zullen?
4 Ezra 5:43
En ik antwoordde en zeide: Kondt gij niet maken, dat degenen die geweest zijn, en die nu zijn, en die nog zijn zullen, op eenmaal zouden zijn, opdat gij uw oordeel te spoediger vertoondet?
4 Ezra 5:44
En hij antwoordde en zeide: Het schepsel kan de Schepper niet voorkomen, noch de wereld op eenmaal dragen, die daarin geschapen zullen worden.
4 Ezra 5:48
Toen zeide hij: Ik heb ook de baarmoeder der aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden.
4 Ezra 5:50
En ik vroeg en zeide: Dewijl gij mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan gij mij gezegd hebt, is die nog jong; of genaakt zij nu de ouderdom?
4 Ezra 5:51
Toen antwoordde hij, en zeide tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen;
4 Ezra 5:52
Want gij zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die gij gebaard hebt, nu niet gelijk degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?
4 Ezra 5:53
En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, welke in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd des ouderdoms geboren worden, als de baarmoeder afneemt.
4 Ezra 5:54
Zo merk dan ook gij, dat gij van minder grootte zijt, dan die voor ulieden geweest zijn.
4 Ezra 5:55
En die na ulieden komen, zullen van minder grootte zijn dan gij, als schepselen die nu beginnen oud te worden, en bij wie de sterkte der jeugd nu voorbij is.
4 Ezra 6:5
En eer men de tegenwoordige jaren opzocht, en eer de vonden dergenen, die nu zondigen, afkerig werden, en opgetekend waren die het geloof tot een schat vergaderd hebben,
4 Ezra 6:16
Daar men dan van die dingen spreekt, zo beeft zij en wordt bewogen, want zij weet dat haar einde moet veranderd worden.
4 Ezra 6:20
En als de wereld, die begint te vergaan zal toegezegeld worden, zo zal ik deze tekenen doen; De boeken zullen opengedaan worden voor het aangezicht des hemels, en alle tezamen zullen zij ze zien;
4 Ezra 6:25
En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld.
4 Ezra 6:26
En de mensen, die aangenomen zijn, die de dood van hun geboorte aan niet gesmaakt hebben, zullen het zien; en het hart der inwoners zal veranderd, en in een andere zin gekeerd worden.
4 Ezra 6:28
Doch het geloof zal bloeien en de verdorvenheid zal overwonnen worden, en de waarheid zal te voorschijn komen, die zovele dagen zonder vrucht geweest is.
4 Ezra 6:31
Indien gij dan weder bidt, en weder zeven dagen vast, zo zal ik u weder grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb.
4 Ezra 6:32
Want uw stem is verhoord door de allerhoogste; want de Sterke heeft uw gezindheid gezien, en uw kuisheid, die gij van de jeugd aan hebt behouden.
4 Ezra 6:35
En het geschiedde na deze, dat ik weder weende, en desgelijks zeven dagen vastte, opdat ik de drie weken vervulde die mij gezegd waren.
4 Ezra 6:41
En op de tweede dag schiept gij de lucht van het firmament, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel opwaarts zou trekken, en een deel beneden zou blijven.
4 Ezra 6:42
De derde dag nu hebt gij de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel der aarde, doch zes delen hebt gij droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor u zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.
4 Ezra 6:44
Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van velerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en welriekende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt.
4 Ezra 6:46
En gij geboodt hun dat zij de mens dienen zouden, die nog geschapen zou worden.
4 Ezra 6:48
Want dat stomme water zonder ziel, bracht gedierten voort, die God door één wenk bevolen had, opdat de volken daarin uw wonderen zouden verhalen.
4 Ezra 6:50
En gij hebt die van elkander gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten.
4 Ezra 6:52
De Leviathan nu hebt gij het zevende deel des waters gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding degene, die gij wilt, en wanneer gij wilt.
4 Ezra 6:54
En bovendien ook Adam, die gij over al uw schepselen, die gij gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat gij uitverkoren hebt.
4 Ezra 6:56
Doch de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt gij gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt gij vergeleken met de druppel, die van een vat valt.
4 Ezra 6:57
En nu Here, ziet die volken, welke als niets geacht zijn, beginnen ons te overheersen en te verslinden.
4 Ezra 6:58
Maar wij, uw volk, hetwelk gij genoemd hebt uw eerstgeborene, uw eniggeborene, en die waarover gij ijvert, zijn in hun handen gegeven.
4 Ezra 7:1
EN het is geschied, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was.
4 Ezra 7:2
En hij zeide tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken.
4 Ezra 7:14
Indien dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door hetgeen hier eng en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen hetgeen weggelegd is.
4 Ezra 7:18
Doch de rechtvaardigen dragen het enge, hoewel zij het wijde hopen, want die goddeloos hebben geleefd, die hebben ook het enge gedragen, en zullen het wijde niet zien.
4 Ezra 7:20
Want velen gaan tegenwoordig verloren, omdat de wet Gods, die voorgesteld is, verzuimd wordt.
4 Ezra 7:21
Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden.
4 Ezra 7:26
Ziet, de tijd zal komen, en het zal geschieden, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is.
4 Ezra 7:27
En een ieder, die van de voorzegde onheilen bevrijd is, zal mijn wonderen zien.
4 Ezra 7:28
Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.
4 Ezra 7:29
En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben.
4 Ezra 7:31
En het zal na zeven dagen geschieden, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en dat verdorven is, zal sterven.
4 Ezra 7:32
En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.
4 Ezra 7:36
En ik zeide: Abraham heeft eerst voor de Sodomieten gebeden, en Mozes voor de vaderen, die in de woestijn gezondigd hebben.
4 Ezra 7:37
En die na hem geweest zijn voor Israël, ten tijde van Achan en Samuël.
4 Ezra 7:38
David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden.
4 Ezra 7:39
En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;
4 Ezra 7:45
Want dan zal niemand die kunnen zalig maken die verloren is, noch tenonderbrengen, die overwonnen heeft.
4 Ezra 7:48
O Adam, wat hebt gij gedaan? want zo gij gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen.
4 Ezra 7:52
En dat de eer des Allerhoogsten bewaard wordt, om hen te beschermen, die lijdzaam geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben?
4 Ezra 7:55
En dat de aangezichten dergenen, die zich onthouden hebben, blinken zullen boven de sterren, en toch onze aangezichten zwart zullen zijn boven de duisternis?
4 Ezra 7:57
En hij antwoordde en zeide: Dit is de bedenking des strijds, die de mens op aarde geboren, moet strijden,
4 Ezra 7:60
Doch zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft,
4 Ezra 7:62
En ik antwoordde en zeide: Ik weet Here dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat hij zich hunner ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen,
4 Ezra 7:63
En dat hij zich die ontfermt, die zich bekeren tot zijn wet.
4 Ezra 7:64
En dat hij lankmoedig is; want hij bewijst lankmoedigheid aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen.
4 Ezra 7:66
En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst menigvuldige barmhartigheid degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen.
4 Ezra 7:67
Want zo hij zijn menigvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben.
4 Ezra 7:68
En hij vergeeft; want indien hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel der mensen niet levend gemaakt worden.
4 Ezra 7:69
En indien de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte der twistingen,
4 Ezra 8:6
O Here, zo gij uw knecht niet toelaat, dat wij voor uw aanschijn bidden, en dat gij ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat?
4 Ezra 8:14
Indien gij dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden worde hetgeen gemaakt is.
4 Ezra 8:17
Daarom zal ik voor uw aanschijn beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen;
4 Ezra 8:18
Maar ik heb de snelheid gehoord des Rechters, die komende is.
4 Ezra 8:20
Het begin der woorden van Ezra, eer hij werd opgenomen. En ik zeide: Here, die de eeuwigheid bewoont, wiens ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht nederzien;
4 Ezra 8:26
En zie niet aan de misdaden uws volks, maar degenen, die u in waarheid dienen.
4 Ezra 8:27
En let niet op het goddeloze der heidenen, maar op degenen, die uw getuigenissen met smarten onderhouden.
4 Ezra 8:28
En gedenk niet aan degenen, die vals voor u hebben gewandeld, maar aan degenen die naar uw wil uw vreze bekend hebben.
4 Ezra 8:29
En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die uw wet heerlijk geleerd hebben.
4 Ezra 8:30
En vertoorn u niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, welke altijd op uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen.
4 Ezra 8:31
Want wij en onze vaderen zijn krank van zulke gebreken, maar gij wordt barmhartig genoemd om onzentwil, die zondaren zijn.
4 Ezra 8:32
Want zo gij begerig zijt u onzer te ontfermen, dan zult gij barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken der gerechtigheid hebben.
4 Ezra 8:35
Want in der waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die u belijden, die niet misdaan heeft.
4 Ezra 8:36
Want daarin zal uw gerechtigheid en uw goedheid verkondigd worden, Here, wanneer gij u zult ontfermen over degenen, die het wezen der goede werken niet hebben.
4 Ezra 8:38
Want ik zal waarlijk niet gedenken aan het werk dergenen, die gezondigd hebben, vóór de dood, vóór het oordeel, en vóór het verderf.
4 Ezra 8:41
Want gelijk de landman op de aarde veel zaad zaait, en vele planten plant, maar alle die in de tijd gezaaid zijn niet worden behouden, noch alle, die geplant zijn wortelen krijgen, zo ook alle, die in de wereld gezaaid zijn, worden niet behouden.
4 Ezra 8:44
Zo gaat ook desgelijks verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en zijt hem een evenbeeld genoemd, omdat gij hem gelijk zijt, om wie gij alle dingen hebt geschapen, en die gij het zaad des landmans gelijk gemaakt hebt.
4 Ezra 8:50
Daarom zal vele en jammerlijke ellende hun overkomen, die de wereld in de laatste tijden zullen bewonen, omdat zij in vele hoovaardij gewandeld hebben.
4 Ezra 8:51
Maar gij, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn.
4 Ezra 8:55
Daarom wil niet verder vragen van de veelheid dergenen, die verloren gaan.
4 Ezra 8:60
Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt desgenen die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had.
4 Ezra 8:62
Hetwelk ik niet allen vertoon, maar u, en andere weinigen, die u gelijk zijn. En ik antwoordde, en zeide:
4 Ezra 8:63
Zie, Here, nu hebt gij mij de veelheid der tekenen getoond, die gij in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar gij hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd.
4 Ezra 9:1
TOEN antwoordde hij, en zeide tot mij: Meet vlijtig de tijd in zich zelf, en het zal geschieden, wanneer een deel der tekenen, die voorzegd zijn, zal voorbij gegaan zijn,
4 Ezra 9:2
Dat gij dan zult verstaan, dat deze de tijd is, waarin de Allerhoogste zal beginnen te bezoeken de wereld, die door hem gemaakt is.
4 Ezra 9:4
Dan zult gij verstaan, dat de Allerhoogste hiervan gesproken heeft, van de dagen aan, die voor u van den beginne geweest zijn.
4 Ezra 9:7
En het zal geschieden dat een iegelijk, die behouden zal worden, en die door zijn werken zal kunnen ontvlieden, en door het geloof waarmee gij geloofd hebt,
4 Ezra 9:8
Dat hij (zeg ik) zal bevrijd worden van de voorzegde gevaren, en hij zal mijn zaligheid zien in mijn land, en in mijn palen; want ik heb mij die geheiligd van de eeuwen aan.
4 Ezra 9:9
Dan zullen niet ontfermd worden, die mijn wegen misbruikt hebben, en die zullen in pijn wonen, die ze verworpen en veracht hebben.
4 Ezra 9:10
Want die mij niet gekend hebben, toen zij in het leven weldaden ontvingen.
4 Ezra 9:11
En die van mijn wet een walg gehad hebben, toen zij nog vrijheid hadden,
4 Ezra 9:12
En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen.
4 Ezra 9:13
Zo dan, wees gij niet meer zorgvuldig hoe de goddelozen zullen gepijnigd worden; maar onderzoek hoe de rechtvaardigen, voor wie en om welke die wereld zal zijn, zullen zalig worden en wanneer.
4 Ezra 9:15
Dat er meer in getal zijn die verloren gaan, dan die behouden worden, gelijk de watergolf meerder is dan de droppel.
4 Ezra 9:18
Waarlijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand.
4 Ezra 9:19
Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden dergenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden.
4 Ezra 9:20
En ik heb de wereld aangemerkt, en ziet, daar was gevaar om der gedachten wil, die daarin waren voortgekomen.
4 Ezra 9:22
Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt.
4 Ezra 9:29
O Here, toen gij uzelf ons vertoondet, zijt gij onze vaderen openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, wanneer zij uit Egypte togen, en hebt hun ernstig gezegd:
4 Ezra 9:32
Doch onze vaderen, die de wet ontvingen, hebben ze niet gehouden, en zij hebben mijn rechten niet bewaard, en de vrucht der wet is niet openbaar geworden, en zij kon ook niet, want zij was de uwe.
4 Ezra 9:33
Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, dewijl zij niet bewaarden hetgeen in hen gezaaid was.
4 Ezra 9:36
Maar ons is het zo niet geschied, want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat ze ontvangen heeft,
4 Ezra 10:9
Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar wassen.
4 Ezra 10:11
Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar gij maar over één zo droevig zijt.
4 Ezra 10:12
Indien gij nu tot mij zegt: Mijn treuren is niet aan dat der aarde gelijk; want ik heb de vrucht mijns lijfs verloren, die ik met smarten gebaard en met droefheid voortgebracht heb,
4 Ezra 10:14
Zo zeg ik u, gelijk gij met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van den beginne gebouwd heeft.
4 Ezra 10:20
Doe zo niet als gij zegt, maar volg de raad, die u gegeven wordt, want wat zijn er al ongevallen Sions! Troost u dan om de bedroefdheid van Jeruzalem.
4 Ezra 10:22
Ons snarenspel ligt daar neder, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaadheid geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongelingen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden.
4 Ezra 10:23
En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten.
4 Ezra 10:28
Waar is Uriël de engel, die van den beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaadheid.
4 Ezra 10:41
De vrouw, die gij hebt zien treuren, zijt gij begonnen te troosten,
4 Ezra 10:44
Deze vrouw, die gij gezien hebt is Sion, welke gij ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.
4 Ezra 10:48
En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en nedergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen.
4 Ezra 10:49
En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.
4 Ezra 10:54
Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw eens mensen verdragen worden, waar de stad des Allerhoogsten zou begonnen vertoond te worden.
4 Ezra 10:58
De nacht nu die morgen wezen zal, zult gij hier blijven.
4 Ezra 10:59
En de Allerhoogste zal u die gezichten der hoogste dingen tonen, welke de Allerhoogste die doen zal, die op aarde in de laatste dagen wonen.
4 Ezra 10:60
En ik sliep die nacht, en de volgende, gelijk hij mij gezegd had.
4 Ezra 11:5
En ik zag, en zie de arend vloog met zijn vleugelen en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen.
4 Ezra 11:6
En ik zag dat alle dingen hem onder de hemel onderdanig waren, en niemand wedersprak hem, ja niet een van de schepselen die op aarde zijn.
4 Ezra 11:11
En ik telde zijn vederen, die tegen de andere gewassen waren, en ziet, die waren acht.
4 Ezra 11:16
Hoort gij, die zo lange tijd het aardrijk ingehouden hebt, dit verkondig ik u, eer gij begint te verdwijnen;
4 Ezra 11:20
En ik zag, en ziet, de volgende vederen werden mettertijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen nochtans in korte tijd.
4 Ezra 11:23
En daar was niet meer over aan het lichaam des arends, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes vederkens.
4 Ezra 11:25
En ik zag, en ziet, die onder de vleugelen waren, meenden zich op te richten en heerschappij te verkrijgen.
4 Ezra 11:28
En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen.
4 Ezra 11:29
En toen zij daaraan dachten, ziet zo is een van de hoofden die rustten, dat het middelste was, opgewaakt, want dit was groter dan de twee andere.
4 Ezra 11:31
En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee vederen die onder de vleugelen waren, welke heerschappij meenden te verkrijgen.
4 Ezra 11:32
Dat hoofd nu verschrikte het ganse aardrijk, en heerste daarop, over allen die de aarde met veel arbeid bewonen, en het voerde heerschappij op de aardbodem, over al de vleugelen, die daar geweest waren.
4 Ezra 11:34
Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.
4 Ezra 11:36
En ik hoorde een stem die tot mij zeide: Zie tegenover u, en merk op hetgeen gij ziet.
4 Ezra 11:37
En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de arend, en zeide:
4 Ezra 11:39
Zijt gij niet het dier, dat overgebleven is van de vier dieren, die ik de heerschappij had gegeven in mijn wereld, opdat naar haar het einde der tijden zou komen?
4 Ezra 11:40
En hetwelk, in de vierde plaats komende, al de dieren heeft overwonnen, die voorbij zijn, en door zijn heerschappij de wereld heeft ingehouden met grote vrees, en het ganse aardrijk met onbehoorlijke arbeid, en de aardbodem met zoveel bedrog heeft bewoond?
4 Ezra 11:42
Want gij hebt de zachtmoedige verdrukt, en die in rust waren beledigd, en gij hebt de leugen liefgehad, en hebt de woningen afgebroken dergenen, die vruchten brachten, en hebt de muren ternedergeworpen dergenen, die u niet beschadigen.
4 Ezra 11:46
Opdat de gehele aarde weder verkwikt worde, en tot zichzelf kome, van uw geweld bevrijd zijnde, en dat zij mag hopen op het oordeel en de barmhartigheid desgenen die haar gemaakt heeft.
4 Ezra 12:2
En ziet, het hoofd dat nog over was, doch de vier vleugelen, die tot hetzelve overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer.
4 Ezra 12:11
De arend, die gij hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een gezicht gezien is door uw broeder Daniël;
4 Ezra 12:13
Ziet de dagen komen, dat een rijk op aarde zal opstaan, en het zal vreselijker zijn dan al de rijken, die daarvoor geweest zijn.
4 Ezra 12:16
Dit is de verklaring van de twaalf vleugelen, die gij gezien hebt.
4 Ezra 12:17
En wat aangaat de stem die gesproken heeft, en die gij gehoord hebt, uitgaande niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam.
4 Ezra 12:19
En dat gij gezien hebt acht onderste vleugelen, die vast waren aan zijn vleugelen.
4 Ezra 12:20
Daarvan is de verklaring: Daar zullen in dit rijk acht koningen opstaan, wier tijden kort en jaren snel zijn zullen, en twee van die zullen vergaan.
4 Ezra 12:21
Doch wanneer het midden des tijds zal naderen, zo zullen de vier behouden worden in die tijd, als zijn einde zal beginnen te naderen, maar de twee zullen tot het einde toe behouden worden.
4 Ezra 12:22
En dat gij hebt gezien drie hoofden die rustten.
4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.
4 Ezra 12:25
Want het zijn die, welke zijn goddeloosheid tezamen zullen te voorschijn brengen, en deze tot het uiterste toe zullen volbrengen.
4 Ezra 12:27
Doch de twee, die overgebleven zullen zijn, zal het zwaard verslinden.
4 Ezra 12:28
Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.
4 Ezra 12:29
En dat gij gezien hebt twee vederen, die van onder de vleugelen over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijd was,
4 Ezra 12:30
Daarvan is dit de verklaring: Deze zijn het die de Allerhoogste behouden heeft tot op het einde, dit is een klein rijk. en vol oproer.
4 Ezra 12:31
Gelijk gij ook een leeuw gezien hebt, die gij zaagt uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de arend, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die gij gehoord hebt.
4 Ezra 12:32
Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en hij zal hen bestraffen, en hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.
4 Ezra 12:34
Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.
4 Ezra 12:35
Dit is de droom, die gij gezien hebt, en dit zijn de verklaringen.
4 Ezra 12:37
Daarom schrijf al deze dingen, die gij gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats.
4 Ezra 12:45
Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij weenden met luider stem.
4 Ezra 12:49
En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen.
4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.
4 Ezra 13:2
En ziet, daar stond een wind op van de zee, die al haar baren bewoog.
4 Ezra 13:4
En waarheen zijn stem uit zijn mond ging, daar ontbrandden allen die daar hoorden, gelijk de aarde in stilte is, wanneer zij het vuur gevoelt.
4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.
4 Ezra 13:8
En daarna zag ik, en ziet, allen die tezamen vergaderd waren tegen hem, om hem te bestrijden, waren zeer bevreesd, en nochtans bestonden zij te strijden.
4 Ezra 13:11
En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt.
4 Ezra 13:13
En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; doch sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zeide:
4 Ezra 13:16
Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest.
4 Ezra 13:17
Want die niet overgelaten zijn geweest, die waren treurig.
4 Ezra 13:18
Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en hetgeen deze overkomen zal, mitsgaders ook degenen die overgelaten zijn.
4 Ezra 13:20
Maar nochtans, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste geschieden zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zeide tot mij:
4 Ezra 13:22
Dat gij van deze gezegd hebt, die overgelaten zijn, daarvan is dit de verklaring:
4 Ezra 13:23
Die het gevaar gedragen zal hebben in die tijd, die zal zichzelf hier bewaard hebben; die in het gevaar gevallen zijn, deze zijn het die de werken hebben, en het geloof in de Almachtige.
4 Ezra 13:24
Zo weet dan, dat die zaliger zullen zijn die overgelaten zijn, dan die gestorven zijn.
4 Ezra 13:26
Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn.
4 Ezra 13:28
En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld nochtans verdierf de ganse menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring:
4 Ezra 13:29
Ziet, de dagen komen, wanneer de Allerhoogste zal beginnen te verlossen degenen, die op aarde zijn.
4 Ezra 13:30
En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen.
4 Ezra 13:32
En als deze dingen geschieden, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die gij als een man hebt zien opkomen.
4 Ezra 13:33
En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn krijg, die hij tegen de andere had, laten varen.
4 Ezra 13:37
Doch deze mijn Zoon zal de dingen bestraffen, die de volken uitgevonden hebben, namelijk deze hun goddeloosheden, welke het onweder nabij komen vanwege hun kwade gedachten, en pijnigingen, waarmee zij zullen beginnen gepijnigd te worden,
4 Ezra 13:38
Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.
4 Ezra 13:40
Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning der Assyriërs gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.
4 Ezra 13:42
Daar wilden zij hun rechten onderhouden, die zij in hun land niet gehouden hadden.
4 Ezra 13:45
Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd.
4 Ezra 13:48
Doch die overgelaten zijn van uw volk, zijn deze, die binnen mijn landpalen gevonden worden.
4 Ezra 13:49
Het zal dan geschieden, wanneer hij zal beginnen te verderven de menigte dergenen, die uit de volken vergaderd zijn, dat hij zal beschermen het volk hetwelk overgebleven is.
4 Ezra 13:52
Gelijk gij de dingen niet kondt doorgronden noch weten, die in de diepte der zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag.
4 Ezra 13:53
Dit is de verklaring van de droom, die gij gezien hebt, en om welks wil gij alleen hier verlicht zijt.
4 Ezra 13:54
Want gij hebt uw eigen wet verlaten, en hebt u omtrent mijn wet bezig gehouden, en hebt die gezocht.
4 Ezra 13:56
En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren.
4 Ezra 13:57
Toen ben ik in het veld heengegaan, de Allerhoogste zeer lovende en prijzende, vanwege de wonderen die hij van tijd tot tijd deed;
4 Ezra 14:8
De tekenen die ik gedroomd heb, en de dromen die gij gezien hebt, en de verklaringen, die gij gehoord hebt, die zult gij in uw hart wegleggen.
4 Ezra 14:14
En doe van u weg de strefelijke gedachten; werp van u de menselijke lasten, en trek uit de zwakke natuur, en stel aan de ene zijde de raadslagen die u allerbezwaarlijkst zijn, en haast u om uit deze tijden te verhuizen.
4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.
4 Ezra 14:19
Want ziet, ik zal heengaan gelijk gij mij bevolen hebt, en ik zal het tegenwoordige volk bestraffen. Doch wie zal die vermanen, die hierna zullen geboren worden?
4 Ezra 14:20
Daarom ligt de wereld in duisternis, en die daarin wonen zijn zonder licht.
4 Ezra 14:21
Overmits uw wet verbrand is, en daarom weet niemand de dingen die door u gedaan zijn, noch de werken die geschieden zullen.
4 Ezra 14:22
Indien ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van den beginne in de wereld geschied is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.
4 Ezra 14:25
En kom hier, zo zal ik in uw hart ontsteken een licht des verstands, dat niet zal uitgeblust worden, totdat de dingen voleindigd zijn, die gij zult beginnen te schrijven.
4 Ezra 14:30
En hebben de wet des levens ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook gijlieden na hen hebt overtreden.
4 Ezra 14:31
En het land, namelijk het land Sion is ulieden tot een erfdeel gegeven; en uw vaders en gijlieden hebt onrecht gedaan, en hebt de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had.
4 Ezra 14:42
De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen der zinnen van mij werden gezegd, welke zij nochtans niet wisten.
4 Ezra 14:45
En het is geschied, als de veertig dagen geëindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zeide: Stel de eerste dingen, die gij geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen.
4 Ezra 14:46
Maar de laatste zeventig boeken zult gij behouden, opdat gij die de wijzen onder het volk overlevert.
4 Ezra 15:1
ZIET, gij zult in de oren mijns volks de woorden der profetie spreken, die ik in uw mond zal leggen, spreekt de Here,
4 Ezra 15:8
Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen hetgeen zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot mij; en de zielen der rechtvaardigen roepen zonder ophouden.
4 Ezra 15:12
Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelve brengen zal.
4 Ezra 15:13
De akkerlieden, die het land bouwen, zullen treuren; want hun zaad zal van brand, en hagel, en van een vreselijk gesternte verdorven worden.
4 Ezra 15:14
Wee de wereld, en hen, die daarin wonen.
4 Ezra 15:22
Mijn hand zal de zondaar niet verschonen, en mijn zwaard zal niet ophouden over degenen, die onschuldig bloed vergieten op aarde.
4 Ezra 15:24
Wee hen die zondigen, en mijn geboden niet houden, spreekt de Here.
4 Ezra 15:26
Want de Here kent al degenen, die tegen hem zondigen, daarom heeft hij hen overgegeven ter dood en ter slachting.
4 Ezra 15:29
Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagenen, en gelijk als een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen;
4 Ezra 15:31
En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en tezamen spannen om met grote kracht die te vervolgen.
4 Ezra 15:37
En die de onstuimigheid zien, zullen verschrikken, en beving zal hen bevangen.
4 Ezra 15:39
En de winden uit het oosten zullen de overhand nemen, en zullen dat openen, met de wolk die het in zijn onstuimigheid verwekt had, en het gesternte zal schade lijden dat opkwam, om verschrikking te maken aan de oosten wind en westenwind.
4 Ezra 15:40
En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de gehele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;
4 Ezra 15:43
En zij zullen standvastig gaan tot Babylon toe, en zullen die verstoren.
4 Ezra 15:44
Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren.
4 Ezra 15:45
En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben.
4 Ezra 15:46
En gij Azië, die een gezellin zijt van de hoop Babylons, en een eer zijt van haar persoon,
4 Ezra 15:47
Wee u, gij ellendige, overmits gij u haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochteren versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar boelen, die met u altijd begeerd hebben te hoereren.
4 Ezra 15:50
En de heerlijkheid uwer kracht zal als een bloem verdorren, wanneer de hitte zal opgaan, die over u zal gebracht worden.
4 Ezra 15:51
Gij zult verzwakt worden als een arme deerne, die geslagen en getuchtigd is door de vrouwen, zodat de machtigen, en de boelen, u niet zullen kunnen opnemen.
4 Ezra 15:58
En die op de bergen zijn, zullen van honger sterven, en zullen hun eigen vlees eten, en bloed drinken, door honger naar brood, en dorst naar water.
4 Ezra 16:3
Een zwaard is over u gezonden, en wie is er die het zal afkeren?
4 Ezra 16:4
Een vuur is over u aangestoken, en wie is er die het zal blussen?
4 Ezra 16:5
Veel ongeval is over u gezonden, en wie is er die het zal afweren?
4 Ezra 16:6
Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden?
4 Ezra 16:7
Kan ook iemand een pijl afweren, die van een sterk schutter is geschoten?
4 Ezra 16:8
De almachtige Here zendt ongeval over, en wie is er die het zal verdrijven?
4 Ezra 16:9
Het vuur is van zijn gemeenschap uitgegaan, en wie is er die het zal blussen?
4 Ezra 16:13
Want zijn rechterhand, die de boog spant is sterk; zijn pijlen zijn scherp die door hem geschoten worden. Zij zullen niet ontbreken, wanneer ze zullen geschoten worden tegen de einden der aarde.
4 Ezra 16:16
Gelijk de pijl niet wederkeert, die door een sterk schutter is geschoten, zo zullen de ongevallen niet wederkeren, die over de aarde zijn gezonden.
4 Ezra 16:17
Wee mij, wee mij; wie zal mij bevrijden in die dagen?,
4 Ezra 16:23
Want velen die op aarde wonen, zullen door hongersnood vergaan, en het zwaard zal de anderen verderven, die van de hongersnood zullen overgebleven zijn.
4 Ezra 16:24
En de doden zullen als drek weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen vertroosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden.
4 Ezra 16:25
Daar zal niemand overig zijn, die het aardrijk bouwe, en die het bezaaie.
4 Ezra 16:29
Ja van een stad zullen er alleen tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstoken zullen hebben in de dichte bossen, en in de kloven der steenrotsen.
4 Ezra 16:31
Of gelijk aan een wijngaard, die afgeplukt is, sommige druiven alleen worden overgelaten, bij degenen, die de wijngaard naarstig doorzoeken.
4 Ezra 16:32
Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken.
4 Ezra 16:39
Gelijk een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, een uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeën door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo vertoeven zij niet een ogenblik;
4 Ezra 16:42
Die verkoopt zij als een die vliedt, en die koopt, als een die verliezen zal.
4 Ezra 16:43
Die koopmanschap doet, als een die geen nuttigheid daaruit zal genieten, en die bouwt, als een die het niet zal bewonen.
4 Ezra 16:44
Die zaait, als een die niet zal maaien, zo ook die een wijngaard snijdt, als een die de druiven niet zal lezen.
4 Ezra 16:45
Die zich ten huwelijk begeven, als die geen kinderen zullen krijgen, die zich niet ten huwelijk begeven, als de weduwnaars.
4 Ezra 16:46
Daarom die daar arbeiden, die arbeiden tevergeefs.
4 Ezra 16:48
Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren,
4 Ezra 16:51
Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.
4 Ezra 16:54
De zondaar zegge niet, dat hij niet heeft gezondigd, want vurige kolen zal hij op het hoofd desgenen branden, die zegt: Ik heb niet gezondigd voor God de Here en voor zijn heerlijkheid.
4 Ezra 16:58
Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip.
4 Ezra 16:59
Die de zee besloten heeft in het midden der wateren, en de aarde gehangen heeft op de wateren door zijn woord.
4 Ezra 16:60
Die de hemel uitspant als een gewelf; bij heeft die over de wateren bevestigd.
4 Ezra 16:61
Die in de woestijn waterfonteinen heeft gesteld, en op de spitsen der bergen watermeren, om rivieren uit te geven van de hoge rotssteen, om het aardrijk te bevochtigen.
4 Ezra 16:62
Die de mens gemaakt heeft, en zijn hart gesteld heeft in het midden des lichaams, en heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven.
4 Ezra 16:63
En de adem des almachtigen Gods is het, die alle dingen gemaakt heeft, en doorgrondt alle verborgen dingen in de diepten der aarde.
4 Ezra 16:64
Die weet uw raadslagen, en wat gij in uw harten bedenkt, wanneer gij zondigt, en uw zonden wilt bedekken.
4 Ezra 16:66
En gij zult schaamrood worden, als uw zonden voor de mensen zullen voortkomen, en uw ongerechtigheden uw beschuldigers zullen zijn, in die dag.
4 Ezra 16:70
En die met hen eens zullen zijn, zullen hun zijn tot een spot, en tot versmading, en tot vertreding.
4 Ezra 16:71
Want van plaats tot plaats, en in de omliggende steden zal grote opstand zijn tegen degenen, die God vrezen.
4 Ezra 16:72
Zij zullen zijn als woedenden, en zullen niemand sparen, om te beroven, en te verstoren die God nog vrezen.
4 Ezra 16:77
En gij die mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Here, ziet toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen.
4 Ezra 16:78
Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn gelijk een veld, dat omvangen wordt van een bos, en welks paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden.
Tobias (Tobit) 1:2
Die gevankelijk weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.
Tobias (Tobit) 1:3
Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens gewandeld in de wegen der waarheid, en der gerechtigheid, en heb veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in het land der Assyriërs, naar Nineve.
Tobias (Tobit) 1:5
Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns vaders, offerden het kalf Baäl.
Tobias (Tobit) 1:7
De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen Aärons, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.
Tobias (Tobit) 1:8
En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.
Tobias (Tobit) 1:11
Zo hebben al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, gegeten van de broden der heidenen,
Tobias (Tobit) 1:20
Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die begroef ik.
Tobias (Tobit) 1:22
En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.
Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.
Tobias (Tobit) 3:3
Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden mijner vaderen, die tegen u gezondigd hebben.
Tobias (Tobit) 3:8
Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.
Tobias (Tobit) 3:9
En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?
Tobias (Tobit) 3:14
Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid. Dat u al uw werken prijzen in der eeuwigheid.
Tobias (Tobit) 3:20
Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.
Tobias (Tobit) 4:1
OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring gegeven had.
Tobias (Tobit) 4:6
Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.
1 - 500 [501 - 1000] [1001 - 1500] [1501 - 2000] [2001 - 2091]
Statenvertaling on line - bijbel en kunst