Vindplaatsen van het woord des in de apocriefe geschriften (677 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):
3 Ezra 1:2
En stelde de priesters, die met lange klederen waren aangedaan, naar hun dagordening in de tempel des Heren.
3 Ezra 1:3
En hij zeide tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Here zouden heiligen, om de heilige ark des Heren te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon Davids gebouwd had;
3 Ezra 1:6
En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offeranden voor uw broederen; en houdt het Pascha naar het bevel des Heren, dat hij Mozes heeft gegeven.
3 Ezra 1:8
Dit werd uit de goederen des konings, volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.
3 Ezra 1:9
Doch Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten des tempels waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broeder, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.
3 Ezra 1:17
Zo werd voleindigd alles wat tot de offerande des Heren op die dag behoorde.
3 Ezra 1:18
Om het Pascha te houden, en offeranden te brengen op het altaar des Heren, naar het bevel des konings Josia.
3 Ezra 1:22
In het achttiende jaar des koninkrijks van Josia is dit Pascha gehouden.
3 Ezra 1:24
En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Here, meer dan enig volk en koninkrijk, en die hem bedroefd hebben; en de woorden des Heren zijn opgestaan tegen Israël.
3 Ezra 1:28
En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zeide uit de mond des Heren.
3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.
3 Ezra 1:41
En Nabuchodonosor nam van de heilige vaten des Heren, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.
3 Ezra 1:45
En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;
3 Ezra 1:47
En deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond des Heren.
3 Ezra 1:48
En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam des Heren, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de inzettingen des Heren, des Gods van Israël.
3 Ezra 1:49
En ook de oversten des volks en der priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel des Heren, die te Jeruzalem geheiligd was.
3 Ezra 1:54
Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.
3 Ezra 1:55
En verbrandden het huis des Heren, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande.
3 Ezra 1:57
En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden het woord des Heren, gesproken door de mond van Jeremia;
3 Ezra 2:1
ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;
3 Ezra 2:5
Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van Israël; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.
3 Ezra 2:7
Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel des Heren, die te Jeruzalem is.
3 Ezra 2:8
Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, wier geest God verwekte om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.
3 Ezra 2:10
En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige vaten des Heren, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.
3 Ezra 2:31
En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
3 Ezra 3:4
Toen zeiden de drie jongelingen, die des konings lijfwacht waren, en hem bewaarden, de een tot de ander:
3 Ezra 3:5
Laat ons ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven.
3 Ezra 3:8
Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen des konings Darius,
3 Ezra 3:18
En de eerste begon, die van de sterkte des wijns gesproken had, en zeide aldus:
3 Ezra 3:20
Hij maakt het verstand des konings én van de wees enerlei verstand, gelijk ook het verstand des dienstknechts en des vrijen, het verstand des armen en des rijken;
3 Ezra 4:1
TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte des konings, en zeide:
3 Ezra 4:5
Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord des konings zullen zij niet overtreden; en indien zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.
3 Ezra 4:29
Nochtans heb ik hem gezien en Apame, de dochter des wondergroten Bartacus, des konings bijwijf, die aan de rechterhand des konings zat,
3 Ezra 4:30
En zij nam de kroon van het hoofd des konings, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.
3 Ezra 4:34
O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.
3 Ezra 4:39
En bij haar is geen aanneming des persoons; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet hetgeen recht is, en onthoudt zich van al hetgeen onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.
3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.
3 Ezra 4:51
En tot de bouw des tempels jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn.
3 Ezra 4:58
En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning des hemels, zeggende:
3 Ezra 5:39
En als dit geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen des priesterambts geweerd.
3 Ezra 5:50
En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enigen uit de andere volken des lands zich tegen hen vergaderden, omdat zij in vijandschap met hen waren.
3 Ezra 5:53
En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan der zevende maand af, begonnen God offeranden te offeren, en de tempel des Heren was nog niet gebouwd.
3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en Kadmiël zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.
3 Ezra 5:59
En de bouwlieden bouwden de tempel des Heren, en de priesters stonden in lange klederen met snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen.
3 Ezra 5:62
En het ganse volk blies met bazuinen, en riep met grote stem, zingende de Here, over de oprichting van het huis des Heren.
3 Ezra 5:65
Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde, vanwege het schreien des volks, want de schare bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd.
3 Ezra 5:74
En hinderlagen, en oploop, en samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe.
3 Ezra 6:2
Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weder te bouwen het huis des Heren, dat te Jeruzalem is, dewijl de profeten des Heren bij hen waren, en hen hielpen.
3 Ezra 6:6
Het afschrift nu des briefs, die hij aan Darius heeft geschreven en gezonden, is dit:
3 Ezra 6:13
Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen des Heren, die de hemel en de aarde heeft geschapen,
3 Ezra 6:19
En hem werd bevolen, dat hij al die vaten zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel des Heren zou gebouwd worden op zijn plaats.
3 Ezra 6:20
Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis des Heren te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.
3 Ezra 6:22
En indien bevonden wordt, dat de opbouw van het huis des Heren te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is geschied, en het de koning onze Heer goeddunkt, zo antwoordde bij ons daarvan.
3 Ezra 6:24
In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen, waar men offeranden doen zou door gedurig vuur.
3 Ezra 6:26
En de heilige vaten van het huis des Heren, beide gouden en zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis des Heren dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weder brengen in het huis des Heren te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weder gesteld mochten worden.
3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.
3 Ezra 6:28
En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.
3 Ezra 6:33
Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.
3 Ezra 7:2
En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren de oudsten der Joden en de opzieners des tempels behulpzaam.
3 Ezra 7:4
En zij volbrachten die, door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië.
3 Ezra 7:5
Zo werd het heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings Darius.
3 Ezra 7:7
En offerden tot de inwijding van de tempel des Heren honderd stieren, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren;
3 Ezra 7:8
En voor de zonden des gansen volks Israëls twaalf bokken, naar het getal der oversten van de twaalf geslachten Israëls,
3 Ezra 7:9
En de priesters en de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met lange klederen, over de werken des Heren, de God Israëls, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan elke poort.
3 Ezra 7:15
Omdat Hij de raad van de koning der Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken des Heren, de God Israëls.
3 Ezra 8:5
En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de kinderen Israëls, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaars des heiligdoms.
3 Ezra 8:6
In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan der eerste maand,
3 Ezra 8:8
Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet der dingen die van de wet des Heren waren, en van de geboden om gans Israël al de rechten en gerichten te leren.
3 Ezra 8:9
Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet des Heren, waarvan het afschrift is hetgeen volgt:
3 Ezra 8:10
De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet des Heren, voorspoed.
3 Ezra 8:13
Opdat zij hetgeen in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens hetgeen in de wet des Heren vervat is.
3 Ezra 8:15
Met hetgeen dat van uw volk gegeven is tot de tempel des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en hetgeen daartoe behoort.
3 Ezra 8:16
Opdat men de Here offere offeranden op het altaar des Heren, huns Gods, die te Jeruzalem is;
3 Ezra 8:18
En de heilige vaten des Heren, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel uws Gods,
3 Ezra 8:19
Die zult gij geven uit des konings schatkamer.
3 Ezra 8:21
Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet des hoogsten Gods zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,
3 Ezra 8:23
Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet Gods, voor de hoogste God; opdat de toorn Gods niet kome over het koninkrijk des konings, en zijn zonen.
3 Ezra 8:24
En ulieden wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren des tempels, noch schriftgeleerden enige schatting of andere lasten geschieden.
3 Ezra 8:27
En al die de wet uws Gods en des konings overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.
3 Ezra 8:28
En Ezra de schriftgeleerde zeide: Geloofd zij alleen de Here de God mijner vaderen, die dit in het hart des konings heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou.
3 Ezra 8:30
En ik werd welgemoed, naar de hulp des Heren, mijns Gods; en vergaderde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.
3 Ezra 8:31
En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk des konings Artaxerxes.
3 Ezra 8:50
En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars des tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.
3 Ezra 8:59
En ik zeide tot ben: Gijlieden zijt ook de Here heilig, en de vaten zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften des Heren, namelijk des Heren onzer vaderen.
3 Ezra 8:61
En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.
3 Ezra 8:63
En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.
3 Ezra 8:68
En gaven de bevelen des konings over, aan de rentmeesters des konings, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel des Heren.
3 Ezra 8:71
Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.
3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.
3 Ezra 8:80
En om ons een licht te ontdekken in het huis des Heren onzes Gods, en om ons spijs te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.
3 Ezra 8:84
Het land waarin gij komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken des lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.
3 Ezra 8:86
En gij zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat gij machtig wordt en eet het goede des lands, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.
3 Ezra 8:88
Want gij, Here, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zodanige wortel in het land gegeven, en wij zijn weder achterwaarts gekeerd, om uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken des lands.
3 Ezra 8:93
En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de kinderen Israëls riep en zeide: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Here, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit de volken des lands.
3 Ezra 8:95
Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.
3 Ezra 9:1
EN Ezra opstaande, van de voorhof des tempels, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.
3 Ezra 9:6
En de gehele menigte zat op de grote voorplaats des tempels, bevende van koude vanwege de aanstaande winter.
3 Ezra 9:13
Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn des Heren van ons geweerd zij, ter oorzake van dit gebod.
3 Ezra 9:48
Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet des Heren.
3 Ezra 9:49
En zij lazen de wet des Heren voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende.
4 Ezra 1:4
En het woord des Heren geschiedde tot mij en sprak:
4 Ezra 1:40
En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel des Heren genaamd is.
4 Ezra 2:12
De boom des levens zal hun zijn tot een welriekende zalf; zij zullen noch arbeiden, noch moede worden.
4 Ezra 2:33
Ik Ezra, heb een bevel ontvangen van de Here op de berg Oreb, dat ik tot Israël gaan zou. Doch toen ik tot hen kwam, zo verwierpen zij mij, en versmaadden het bevel des Heren.
4 Ezra 2:35
Zijt bereid voor de beloning des koninkrijks, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid.
4 Ezra 2:38
Rijst op, en staat, en ziet het getal dergenen, die getekend zijn tot de maaltijd des Heren.
4 Ezra 2:40
Sion, neem uw getal tot u, en besluit in u uw in het wit gekleden, die de wet des Heren vervuld hebben.
4 Ezra 2:41
Het getal uwer kinderen, die gij gewenst hebt, is vol. Bid de majesteit des Heren, dat uw volk geheiligd worde, dat van den beginne geroepen is.
4 Ezra 2:47
En hij antwoordde mij en zeide: Het is de Zoon Gods, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hogelijk te verheffen, die zo kloekmoedig voor de naam des Heren gestaan hadden.
4 Ezra 3:5
En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had doch het was ook een maaksel uwer handen, en gij hebt hem een geest des levens ingeblazen en hij is levend voor u geworden.
4 Ezra 3:22
En het werd een bijblijvende zwakheid, en de wet is gebleven met het hart des volks, en met de boosheid van de wortel, en hetgeen goed is, dat is weggegaan, en het boze is gebleven.
4 Ezra 4:2
En zeide tot mij: Uw hart gaat veel te hoog in deze wereld, dat gij meent de weg des allerhoogsten te begrijpen.
4 Ezra 4:5
Toen sprak ik: Zeg aan mij Here; en hij zeide tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht des vuurs, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is.
4 Ezra 4:7
Toen zeide hij tot mij: Indien ik u vroeg en zeide: Hoeveel woningen zijn er in het hart der zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin des afgronds? of hoeveel aderen zijn er boven het firmament? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs?
4 Ezra 4:11
Hoe zoudt dan gij kunnen bevatten de weg des allerhoogsten; en zo de wereld van buiten verdorven is, hoe zoudt gij verstaan de verdorvenheid die openbaar is voor mij?
4 Ezra 4:13
Toen antwoordde hij mij, en zeide: Ik ging eens in een bos van bomen des velds, welke maakten een aanslag,
4 Ezra 4:15
Desgelijks maakten de baren van de zee ook een aanslag, en zeiden: Komt, laat ons optrekken, en de bossen des velds beoorlogen, opdat wij ook daar een ander landschap voor ons maken.
4 Ezra 4:21
Want gelijk de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar baren, alzo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan hetgeen op de aarde is, en die in de hemel wonen hetgeen op de hoogte des hemels is.
4 Ezra 4:30
Want het graan des kwaden zaads is gezaaid in het hart Adams van den beginne; hoeveel goddeloosheid heeft het voort gebracht tot nu toe, en zal het, nog voortbrengen, totdat de oogst komt?
4 Ezra 4:31
Nu overweegt gij bij u zelf, wat een grote vrucht der goddeloosheid het graan des kwaden zaads voortgebracht heeft.
4 Ezra 4:35
Hebben niet de zielen der rechtvaardigen in hun binnenkamers hiervan gevraagd, zeggende: Hoe lang zal ik zo hopen? en wanneer zal de vrucht des oogstes van onze beloning komen?
4 Ezra 5:4
Indien nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult gij na de derde bazuin zien, dat de zon des nachts haastig zal schijnen, en de maan driemaal in de dag.
4 Ezra 5:7
En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen nochtans zullen zij haar stem horen.
4 Ezra 5:16
En het is geschied in de tweede nacht, dat Salathiël, de overste des volks, bij mij kwam en zeide tot mij:
4 Ezra 5:22
En mijn ziel nam weder de geest des verstands, en begon weder te spreken voor de Allerhoogste.
4 Ezra 5:24
En uit al de landen des aardbodems hebt gij u een groef verkoren, en uit alle bloemen des aardbodems hebt gij u een lelie verkoren;
4 Ezra 5:34
En ik zeide tot hem: Neen Here, maar ik heb zo uit droefheid gesproken; want mijn nieren drukken mij te aller ure, zoekende te verstaan de weg des allerhoogsten, en te doorgronden een deel van zijn oordeel.
4 Ezra 5:53
En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, welke in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd des ouderdoms geboren worden, als de baarmoeder afneemt.
4 Ezra 6:2
En eer de stemmen des donders geluid gaven, en eer het licht der bliksems scheen, en eer de fundamenten van het paradijs bevestigd waren;
4 Ezra 6:7
En ik antwoordde en zeide: Wat scheiding des tijds zal er zijn? of wanneer zal het einde zijn des vorigen, en het begin des volgenden?
4 Ezra 6:10
De hand des mensen is tussen de verzenen en de hand; anders zult gij nu niet vragen, Ezra.
4 Ezra 6:13
En hij antwoordde en zeide tot mij: Sta op uw voeten, en hoor de volkomen stem des geluids.
4 Ezra 6:20
En als de wereld, die begint te vergaan zal toegezegeld worden, zo zal ik deze tekenen doen; De boeken zullen opengedaan worden voor het aangezicht des hemels, en alle tezamen zullen zij ze zien;
4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.
4 Ezra 6:52
De Leviathan nu hebt gij het zevende deel des waters gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding degene, die gij wilt, en wanneer gij wilt.
4 Ezra 7:43
Maar de dag des oordeels zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd der toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn.
4 Ezra 7:52
En dat de eer des Allerhoogsten bewaard wordt, om hen te beschermen, die lijdzaam geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben?
4 Ezra 7:57
En hij antwoordde en zeide: Dit is de bedenking des strijds, die de mens op aarde geboren, moet strijden,
4 Ezra 8:18
Maar ik heb de snelheid gehoord des Rechters, die komende is.
4 Ezra 8:39
Maar ik zal vreugde hebben over het pogen der rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen des loons.
4 Ezra 8:43
Gelijk het zaad des landmans verloren gaat indien het niet opkomt, of uw regen intijds niet ontvangt, of indien het door de veelheid des regens verderft,
4 Ezra 8:44
Zo gaat ook desgelijks verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en zijt hem een evenbeeld genoemd, omdat gij hem gelijk zijt, om wie gij alle dingen hebt geschapen, en die gij het zaad des landmans gelijk gemaakt hebt.
4 Ezra 8:52
Want ulieden is het paradijs geopend, de boom des levens geplant, de toekomende tijd bereid, de overvloed toebereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt, en de wijsheid voltrokken.
4 Ezra 8:53
De wortel des kwaads is ver van ulieden verzegeld, de zwakheid en mot is van voor u verborgen, en de verderfenis is naar de hel gevlucht in vergetelheid.
4 Ezra 9:6
Zo hebben ook de tijden des Allerhoogsten openbare beginselen in wonderen en tekenen, en hun einden in werkingen, en in tekenen.
4 Ezra 9:24
Zo zult gij gaan op een veld van bloemen, waarop geen huis is gebouwd, en gij zult alleen eten van de bloemen des velds, en zult geen vlees smaken, en geen wijn drinken, maar alleen de bloemen eten.
4 Ezra 9:26
En ik ben heengegaan, gelijk hij mij gezegd had, in het veld hetwelk Ardath heet, en ik zat aldaar in de bloemen; en ik at van het kruid des akkers, en ik werd van zijn spijs verzadigd.
4 Ezra 10:3
En toen zij allen ophielden mij te troosten, opdat ik zou rusten, zo ben ik des nachts opgestaan, en weggevloden, en ben in dit veld gekomen, gelijk gij ziet,
4 Ezra 10:54
Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw eens mensen verdragen worden, waar de stad des Allerhoogsten zou begonnen vertoond te worden.
4 Ezra 11:2
En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugelen uit over de gehele aarde, en al de winden des hemels woeien daarop, en werden vergaderd.
4 Ezra 11:23
En daar was niet meer over aan het lichaam des arends, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes vederkens.
4 Ezra 12:3
En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het gehele lichaam des arends werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het groot gewoel en de grote vrees uit de verdrukking mijner zinnen, en ik zeide tot mijn geest:
4 Ezra 12:4
Ziet, gij hebt mij dit gedaan, daarmee dat gij de wegen des Allerhoogsten onderzoekt.
4 Ezra 12:21
Doch wanneer het midden des tijds zal naderen, zo zullen de vier behouden worden in die tijd, als zijn einde zal beginnen te naderen, maar de twee zullen tot het einde toe behouden worden.
4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.
4 Ezra 12:28
Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.
4 Ezra 12:34
Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.
4 Ezra 12:36
Gij dan zijt alleen waardig geacht, om deze verborgenheid des Allerhoogsten te weten.
4 Ezra 12:51
Doch ik zat nog zeven dagen in het veld, gelijk hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen des akkers, en uit de kruiden is mij spijs geworden in die dagen.
4 Ezra 13:1
EN het geschiedde na zeven dagen, dat ik des nachts een droom droomde:
4 Ezra 13:3
En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden des hemels, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd.
4 Ezra 13:5
En daarna zag ik, en zie, daar vergaderde een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden des hemels, opdat zij die man zouden beoorlogen, die van de zee was opgekomen.
4 Ezra 14:25
En kom hier, zo zal ik in uw hart ontsteken een licht des verstands, dat niet zal uitgeblust worden, totdat de dingen voleindigd zijn, die gij zult beginnen te schrijven.
4 Ezra 14:30
En hebben de wet des levens ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook gijlieden na hen hebt overtreden.
4 Ezra 14:38
En mij geschiedde des anderen daags, dat een stem mij riep, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink hetgeen ik u te drinken zal geven.
4 Ezra 14:43
Des nachts nu aten zij, doch des daags sprak ik, en des nachts zweeg ik niet.
4 Ezra 14:47
Want in deze is de ader des verstands, en de fontein derwijsheid, en de vloed der wetenschap; en ik deed alzo.
4 Ezra 15:41
Vuur en hagel, en vliegende zwaarden, en veel water, zodat al de velden, en al de beken door de menigte des waters vervuld zullen zijn.
4 Ezra 16:12
Het aardrijk beeft met zijn fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar baren zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aanschijn des Heren, en van de heerlijkheid zijner kracht.
4 Ezra 16:18
Het begin der smarten, en veel zuchtens; het begin des hongers, en veel stervens; het begin der krijgen, en de machtigen zullen bevreesd worden; het begin des ongevals, en zij zullen allen beven.
4 Ezra 16:36
Maar gij dienstknechten des Heren hoort dit, en verstaat dit.
4 Ezra 16:37
Ziet dit is het woord des Heren, neemt dat aan, en gelooft de goden niet, waarvan de Here spreekt.
4 Ezra 16:62
Die de mens gemaakt heeft, en zijn hart gesteld heeft in het midden des lichaams, en heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven.
4 Ezra 16:63
En de adem des almachtigen Gods is het, die alle dingen gemaakt heeft, en doorgrondt alle verborgen dingen in de diepten der aarde.
Tobias (Tobit) 1:13
Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel mijn gemoed.
Tobias (Tobit) 2:2
Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.
Tobias (Tobit) 3:17
Gij weet Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad des mans.
Tobias (Tobit) 3:24
En het gebed dezer beiden werd verhoord voor de heerlijkheid des groten Gods.
Tobias (Tobit) 4:10
Want gij vergadert uzelf een goede weggelegde schat, tegen de dag des noods.
Tobias (Tobit) 4:12
Want aalmoes is een goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.
Tobias (Tobit) 4:14
En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder des hongers.
Tobias (Tobit) 5:21
Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.
Tobias (Tobit) 5:25
En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?
Tobias (Tobit) 6:14
En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig man.
Tobias (Tobit) 7:20
En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde voor deze uw droefheid, heb goede moed, dochter.
Tobias (Tobit) 9:8
En des morgens vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw.
Tobias (Tobit) 10:8
Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,
Tobias (Tobit) 10:12
En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.
Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.
Tobias (Tobit) 12:12
Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter Sara, zo bracht ik de gedachtenis van ulieder gebed voor het aangezicht des heiligen.
Tobias (Tobit) 12:15
Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die de gebeden der heiligen voor God brengen, en ingaan voor het aanschijn van de heerlijkheid des heiligen.
Tobias (Tobit) 12:21
En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods, hoe de engel des Heren door hen gezien was.
Tobias (Tobit) 13:8
Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels loven, en zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen.
Tobias (Tobit) 13:13
Vele volken zullen van verre komen tot de naam Gods, des Heren, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning des hemels. Alle geslachten na elkander zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.
Tobias (Tobit) 14:11
En Achiachar is wel verlost geworden, doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis nedergedaald. Manasse heeft aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen.
Judith 1:2
En bouwde rondom Ecbatana muren van gehouwen stenen, die drie ellen waren in de breedte, en zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte des muurs zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;
Judith 2:10
En hij nam goud en zilver uit des konings huis, zeer veel.
Judith 2:11
En hij begaf zich met zijn ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.
Judith 2:13
En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,
Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.
Judith 3:2
Ziet, wij zijn knechten des groten konings Nabuchodonosors, en liggen hier open voor u.
Judith 3:11
En het was bij hem besloten, dat hij al de goden des lands zou vernielen,
Judith 4:1
EN de kinderen Israëls, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste des konings van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen.
Judith 4:2
En zij werden uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns Gods, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort tevoren vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods waren van de ontheiliging geheiligd.
Judith 4:5
En Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte des velds dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,
Judith 4:7
En de kinderen Israëls deden naar dat de hogepriester Joakim, en de raad des gansen volk Israëls, die binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden.
Judith 4:10
En alle mannen Israëls en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neder in het gezicht des tempels,
Judith 4:11
En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het aanschijn des Heren.
Judith 4:15
En het volk vastte vele dagen lang in gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom des Heren de almachtige.
Judith 4:16
En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.
Judith 5:8
En zijn afgetreden van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.
Judith 6:1
EN als het gemurmel der mannen, die rondom de vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste des heerlegers der Assyriërs tot Achior, voor het ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:
Judith 6:3
Deze zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze paarden niet wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.
Judith 6:4
En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen niet ijdel zijn.
Judith 6:8
En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen op de spits des bergs zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits des bergs toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.
Judith 6:9
Maar zij, bedekt onder aan de berg komende, bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet des bergs geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden weder tot hun heer.
Judith 6:15
Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die u geheiligd zijn.
Judith 7:1
EN des anderen daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls de krijg zou aandoen.
Judith 7:8
En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde,
Judith 7:12
En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, hetwelk ligt bij Chus, die is omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs legde zich neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;
Judith 8:2
En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.
Judith 8:9
En Judith hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten, dewijl zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.
Judith 8:13
Want de diepte van het hart des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?
Judith 8:15
Doch stelt gij de raadslagen van de Here, onze God, niet ten pand, want God is niet als een mens, dat hij zou bedreigd worden, noch als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld worden.
Judith 8:20
Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, en de gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.
Judith 9:16
Ja, ja, gij God mijns vaders, gij God van het erfdeel Israëls, gij Here des hemels en der aarde, gij schepper der wateren, gij Koning van al uw schepselen,
Judith 9:18
En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo harde raadslagen genomen hebben tegen uw verbond, en tegen uw geheiligd thuis, en tegen de spits des bergs Sion, en tegen het huis der bezitting van uw kinderen;
Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.
Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.
Judith 11:21
En nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan zult doen gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.
Judith 12:7
En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij ging des nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij wies zich in het leger, in de waterfonteinen.
Judith 13:24
En geloofd zij de Here God, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die u geleid heeft tot verwonding des hoofds van de overste onzer vijanden.
Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.
Judith 14:8
Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen Israëls namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,
Judith 14:15
En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors, want ziet Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.
Judith 16:3
Want de Here is een God, die de krijgen vermorzelt: want hij heeft in zijn leger, in het midden des volks, mij verlost, uit de hand dergenen, die mij vervolgden.
Judith 16:14
De zonen der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.
Judith 16:20
Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag des gerichts.
Boek der Wijsheid 1:1
HEBT de gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt van de Here een goed gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid des harten.
Boek der Wijsheid 1:7
Want de Geest des Heren vervult de aarde, en hetgeen alles tezamen houdt heeft kennis der stem.
Boek der Wijsheid 1:10
Overmits zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het knorren des murmurerens hem niet verborgen is.
Boek der Wijsheid 1:14
Want hij heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn des verderfs, en het rijk der hel is niet op aarde.
Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.
Boek der Wijsheid 2:10
Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen, en laat ons de weduwen niet verschonen, en de grijze, veeljarige haren des ouden niet ontzien.
Boek der Wijsheid 2:13
Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind des Heren.
Boek der Wijsheid 2:24
Maar door des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven deze.
Boek der Wijsheid 3:14
En de gesnedene is zalig die geen onrecht met zijn hand gewrocht, noch boze dingen tegen de Here, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam lot in de tempel des Heren.
Boek der Wijsheid 3:18
Indien zij haast komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch troost in de dag des oordeels.
Boek der Wijsheid 4:16
De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd is, de veeljarige ouderdom des onrechtvaardigen.
Boek der Wijsheid 5:3
En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.
Boek der Wijsheid 5:7
Wij zijn vervuld geworden in de paden der ongerechtigheid en des verderfs, en hebben woeste omwegen doorreisd, maar de weg des Heren hebben wij niet gekend.
Boek der Wijsheid 5:10
Gelijk een schip varende door de baren des waters, waarvan, als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis door de baren.
Boek der Wijsheid 5:11
Of gelijk geen kenteken wordt gevonden van de reis des vogels, die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, gaat de slag der wieken door de lichte geslagen wind, die door de kracht des suizens gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken in hem van de doortocht.
Boek der Wijsheid 5:17
Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten.
Boek der Wijsheid 6:14
Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden zitten.
Boek der Wijsheid 6:24
Maar de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks welstand.
Boek der Wijsheid 7:19
De omloop des jaars, en de stelling der sterren,
Boek der Wijsheid 7:26
Want zij is een afschijnsel des eeuwigen lichts, en een onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht, en een beeld zijner goedheid.
Boek der Wijsheid 9:3
En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.
Boek der Wijsheid 10:14
En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven.
Boek der Wijsheid 10:16
Zij is gegaan in de ziel van de dienaar des Heren, en wederstond de vreselijke koningen met wonderen en tekenen.
Boek der Wijsheid 10:17
Zij heeft de heiligen gegeven loon der heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel des daags, en des nachts tot een vlam der sterren.
Boek der Wijsheid 11:7
Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.
Boek der Wijsheid 12:20
Want indien gij de vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;
Boek der Wijsheid 12:23
Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.
Boek der Wijsheid 13:2
Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop der sterren, of het krachtige water of de lichten des hemels, goden waren, die de wereld regeerden.
Boek der Wijsheid 13:11
En indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst des levens:
Boek der Wijsheid 14:12
Want de bedenking der afgoden is het beginsel der hoererij; en hun uitvinding de verderving des levens.
Boek der Wijsheid 15:12
Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.
Boek der Wijsheid 16:19
Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen zou verderven.
Boek der Wijsheid 16:28
Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.
Boek der Wijsheid 16:29
Want de hoop des ondankbaren zal versmelten als een rijm die des winters valt, en zal wegvloeien gelijk onnut water.
Boek der Wijsheid 17:5
Zelfs geen kracht des vuurs vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen der sterren konden die droevige nacht niet helder maken.
Boek der Wijsheid 18:12
En zij hadden gezamenlijk allen, onder één naam des doods, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, overmits dat hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven werd.
Boek der Wijsheid 18:20
Ook heeft eenmaal de aanvechting des doods de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking der menigte geschied, maar die toorn duurde niet lang.
Boek der Wijsheid 18:22
En hij overwon de verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaderen opgericht.
Boek der Wijsheid 18:25
Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving des toorns was alleen genoeg.
Boek der Wijsheid 19:16
Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.
Jezus Sirach 1:3
Wie zal de hoogte des hemels, en de breedte der aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren?
Jezus Sirach 1:10
De vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid, en een kroon der verheuging.
Jezus Sirach 1:11
De vrees des Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.
Jezus Sirach 1:21
De vreze des Heren verdrijft de misdaden, en bijblijvende keert zij toorn af.
Jezus Sirach 1:27
Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.
Jezus Sirach 1:28
Als gij behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des Heren niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart.
Jezus Sirach 1:32
Omdat gij tot de vreze des Heren niet met waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.
Jezus Sirach 3:10
Want de zegening des vaders onderstut de huizen der kinderen, maar de vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.
Jezus Sirach 3:11
Roem niet in de oneer uws vaders, want de oneer des vaders is u geen eer.
Jezus Sirach 3:12
Want de eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt.
Jezus Sirach 3:20
Hoe groter gij zijt, verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.
Jezus Sirach 3:22
Want de macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen geëerd.
Jezus Sirach 3:30
Het hart des verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders is des wijzen begeerte.
Jezus Sirach 4:1
MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit.
Jezus Sirach 4:3
Ontroer een verstoord hart niet verder, en onthoud de gave des behoeftigen niet.
Jezus Sirach 4:11
En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.
Jezus Sirach 4:23
Neem de gelegenheid des tijds waar, en wacht u van het boze.
Jezus Sirach 4:31
Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed des strooms niet.
Jezus Sirach 4:32
Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon des machtigen niet aan.
Jezus Sirach 5:9
Want de toorn des Heren zal schielijk uitvaren, en als gij onbezorgd zult zijn zult gij vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.
Jezus Sirach 5:15
Eer en oneer is in het spreken, en des mensen tong brengt hem ten val.
Jezus Sirach 6:16
Een getrouw vriend is een medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.
Jezus Sirach 6:36
Indien gij een verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.
Jezus Sirach 6:37
Overdenk de geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.
Jezus Sirach 7:6
Zoek niet een rechter te worden, want gij mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd voor het aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling.
Jezus Sirach 7:17
Verneder uw ziel zeer, want de wraak des goddelozen zal vuur en worm zijn.
Jezus Sirach 8:13
Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat gij niet verbrand wordt in het vuur zijner vlam.
Jezus Sirach 9:16
Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, en gij zult de vrees des doods niet vermoeden.
Jezus Sirach 9:19
Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.
Jezus Sirach 9:20
Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vreze des Heren.
Jezus Sirach 9:21
Door de hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een wijs voorganger des volks, door zijn woord.
Jezus Sirach 10:1
EEN wijs rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij des verstandigen is ordelijk aangesteld.
Jezus Sirach 10:2
Gelijk als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.
Jezus Sirach 10:4
De macht op aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is.
Jezus Sirach 10:5
In de hand des Heren is des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid stellen.
Jezus Sirach 10:24
De vreze des Heren is een heerschappij ook voor het lot, maar hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping der heer schappij.
Jezus Sirach 10:25
De roem eens rijken, en heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.
Jezus Sirach 11:4
Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.
Jezus Sirach 11:11
Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.
Jezus Sirach 11:12
Menigeen is er die traag is, hebbende hulp van node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;
Jezus Sirach 11:17
De gave des Heren blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig in der eeuwigheid.
Jezus Sirach 11:21
Verwonder u niet in de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.
Jezus Sirach 11:22
Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.
Jezus Sirach 11:23
De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen uitspruiten.
Jezus Sirach 11:27
Want het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.
Jezus Sirach 11:31
Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover komt om te doen vallen.
Jezus Sirach 13:29
De rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond des goddelozen.
Jezus Sirach 13:30
Het hart des mensen verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht.
Jezus Sirach 14:12
Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is u niet getoond.
Jezus Sirach 14:15
Zult gij niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling des lots?
Jezus Sirach 15:3
Zij zal hem spijzen met brood des verstands, en met water der wijsheid zal zij hem drenken.
Jezus Sirach 15:9
De lof in de mond des zondaars voegt niet wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.
Jezus Sirach 15:18
Want groot is de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.
Jezus Sirach 15:19
En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.
Jezus Sirach 16:1
VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.
Jezus Sirach 16:10
Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.
Jezus Sirach 16:18
Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.
Jezus Sirach 16:26
Want door des Heren oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder scheiden.
Jezus Sirach 17:6
Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.
Jezus Sirach 17:9
Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.
Jezus Sirach 17:25
Hoe groot is de ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.
Jezus Sirach 17:28
Hij ziet aan de kracht des hogen hemels, en alle mensen zijn maar aarde en as.
Jezus Sirach 18:5
De wonderen des Heren zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.
Jezus Sirach 18:8
Het getal der dagen des mensen aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.
Jezus Sirach 18:12
De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren over alle vlees.
Jezus Sirach 18:25
Gedenk aan de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.
Jezus Sirach 19:17
Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten plaats, en word niet toornig.
Jezus Sirach 19:18
De vreze des Heren is een beginsel der aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; kennis der geboden des Heren is onderwijzing des levens, en die doen wat hem behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid tot vrucht genieten.
Jezus Sirach 19:22
Die het aan verstand ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet des Allerhoogsten overtreedt.
Jezus Sirach 19:28
De kleding des mans, en het lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen wat hij voor een is.
Jezus Sirach 21:12
Wie de wet des Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.
Jezus Sirach 21:13
Maar de voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.
Jezus Sirach 21:15
De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere fontein des levens.
Jezus Sirach 21:27
Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.
Jezus Sirach 22:3
Het is des vaders schande wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining.
Jezus Sirach 22:29
Gelijk de damp des ovens en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor de doodslag.
Jezus Sirach 23:1
O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.
Jezus Sirach 23:5
Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.
Jezus Sirach 23:30
Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld jegens haar man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht.
Jezus Sirach 23:34
En de nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de vreze des Heren, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de geboden Gods.
Jezus Sirach 24:2
Zij doet haar mond open in de gemeente des Allerhoogsten, en beroemt zich in tegenwoordigheid van zijn kracht, zeggende:
Jezus Sirach 24:3
Ik ben van de mond des Allerhoogsten uitgegaan, en gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.
Jezus Sirach 24:5
Ik alleen heb de rondte des hemels omgegaan, en heb in de diepte der afgronden gewandeld.
Jezus Sirach 24:12
En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.
Jezus Sirach 24:17
Gelijk als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks in de tabernakel.
Jezus Sirach 24:19
Ik heb, gelijk een wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht der heerlijkheid en des rijkdoms.
Jezus Sirach 24:26
Al deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.
Jezus Sirach 25:2
Door eendracht der broederen en vriendschap des naasten, en wanneer man en vrouw zich tezamen verdragen.
Jezus Sirach 25:8
Grote ervarenheid is een kroon der ouden, en hun roem is de vreze des Heren.
Jezus Sirach 25:14
Maar de liefde des Heren overtreft alles, tot verlichting.
Jezus Sirach 25:16
De vreze des Heren is het begin zijner liefde, maar het geloof het begin zijner aankleving.
Jezus Sirach 25:17
Alle plaag is te verdragen, maar niet de plaag des harten, en alle boosheid, doch niet de boosheid van een vrouw;
Jezus Sirach 25:19
Daar is geen hoofd boven het hoofd der slang, en daar is geen gramschap boven de gramschap des vijands.
Jezus Sirach 25:23
Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot des zondaars valle haar toe.
Jezus Sirach 26:15
Een vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een gave des Heren, en daar is niets waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen kan.
Jezus Sirach 26:17
Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis.
Jezus Sirach 26:23
Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.
Jezus Sirach 26:29
Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.
Jezus Sirach 27:3
Indien iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden.
Jezus Sirach 27:4
Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft des mensen vuiligheid in zijn uitspraak.
Jezus Sirach 27:6
Gelijk de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.
Jezus Sirach 28:8
Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten, en overzie zijn onwetendheid.
Jezus Sirach 28:20
Velen zijn gevallen door de scherpte des zwaards, doch niet zo velen als er gevallen zijn door de tong.
Jezus Sirach 29:5
Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om des naasten geld vernedert hij zijn stem.
Jezus Sirach 29:14
Leg uw schat naar de geboden des Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.
Jezus Sirach 29:23
Een zondaar overtredende de geboden des Heren zal in borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken najaagt, zal in het gericht vallen.
Jezus Sirach 29:24
Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.
Jezus Sirach 29:25
Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel voegt.
Jezus Sirach 29:26
Het leven des armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke spijs onder de vreemden.
Jezus Sirach 30:16
Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde boven blijdschap des harten.
Jezus Sirach 30:22
Vreugde des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.
Jezus Sirach 31:1
HET waken om des rijkdoms wil doet het vlees verdwijnen, en daarover bekommerd zijn, vermindert de slaap.
Jezus Sirach 31:6
Velen zijn gebonden geworden om des gouds wil, en hun verderf is geweest voor hun ogen.
Jezus Sirach 31:7
Het is een hout des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen.
Jezus Sirach 31:21
Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij hem.
Jezus Sirach 31:32
De wijn maakt vrolijkheid des harten en verheuging der ziel, ter rechter tijd, en zoveel genoeg is gedronken.
Jezus Sirach 31:34
De dronkenschap des onwijzen vermeerdert zijn gramschap tot aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden.
Jezus Sirach 33:8
Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, en hij heeft de tijden en de feesten veranderd.
Jezus Sirach 33:15
Gelijk het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een tegen het ander.
Jezus Sirach 33:16
En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.
Jezus Sirach 34:17
De ogen des Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.
Jezus Sirach 35:1
WIE de wet bewaart, die doet offeranden genoeg; wie op de geboden acht heeft, die offert een slachtoffer des heils.
Jezus Sirach 35:3
Het is des Heren welbehagen dat men afsta van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid is verzoening.
Jezus Sirach 35:4
Verschijn niet ledig voor het aangezicht des Heren.
Jezus Sirach 35:13
Want de Here is een rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.
Jezus Sirach 35:18
Het gebed des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige zal oordelen en recht doen.
Jezus Sirach 36:24
De schoonheid der vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust des mensen te boven.
Jezus Sirach 36:28
Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ook des avonds is.
Jezus Sirach 37:5
Een metgezel arbeidt met zijn vriend om des buiks wil, en neemt een schild tegen de vijand.
Jezus Sirach 37:13
Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.
Jezus Sirach 38:19
Want van droefheid komt de dood, en droefheid des harten kromt de sterken.
Jezus Sirach 38:20
Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.
Jezus Sirach 38:31
Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.
Jezus Sirach 38:41
In het algemeen, niemand wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.
Jezus Sirach 39:8
Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest des verstands vervuld worden.
Jezus Sirach 39:11
Hij brengt de onderwijzing zijner leer te voorschijn, en in de wet van het verbond des Heren roemt hij.
Jezus Sirach 39:20
De werken des Heren zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.
Jezus Sirach 39:30
Het voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honig, druivenbloed, en olie, en een kleed.
Jezus Sirach 39:38
Al de werken des Heren zijn goed, en al wat nodig is verleent hij als het tijd is.
Jezus Sirach 39:40
En nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft de naam des Heren.
Jezus Sirach 40:2
Aangaande hun gedachten, en de vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben, de dag des doods;
Jezus Sirach 40:5
Hij bekomt gramschap en nijdigheid, ontroering en beweging, en vrees des doods, en haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis.
Jezus Sirach 40:17
Het leven desgenen, die zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven.
Jezus Sirach 40:25
Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des Heren meer dan beide.
Jezus Sirach 40:26
Daar is in de vreze des Heren geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen hulp te zoeken.
Jezus Sirach 40:27
De vreze des Heren is gelijk een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid bedekt hij die.
Jezus Sirach 40:31
In de mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden.
Jezus Sirach 41:5
Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.
Jezus Sirach 41:7
Of gij tien, of honderd, of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing des levens.
Jezus Sirach 41:11
Wee u, gij goddeloze mannen, gij die de wet des Allerhoogsten verlaten hebt.
Jezus Sirach 42:2
Vanwege de wet des Allerhoogsten en het verbond, en vanwege het oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen;
Jezus Sirach 42:18
Nu zal ik gedenken de werken des Heren, en hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden des Heren ziet men zijn werken.
Jezus Sirach 42:19
De zon verlichtende ziet op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid des Heren.
Jezus Sirach 42:31
Het een bevestigt het goede des anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid Gods?
Jezus Sirach 43:1
HET zuivere firmament is een roem der hoogte; de gedaante des hemels is heerlijk om aan te zien.
Jezus Sirach 43:2
De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.
Jezus Sirach 43:9
Zij is een vat hetwelk legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.
Jezus Sirach 43:10
De schoonheid des hemels is dat heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen des Heren.
Jezus Sirach 43:13
Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten spannen hem uit.
Jezus Sirach 43:25
Door de raad des Heren staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden geplant.
Jezus Sirach 44:18
Noach werd volkomen bevonden en rechtvaardig, in de tijd des toorns geschiedde hem vergelding.
Jezus Sirach 44:20
Abraham is geweest een grootvader van menigte der volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.
Jezus Sirach 45:6
En heeft hem van aangezicht tot aangezicht bevelen gegeven, de wet des levens en der wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en Israël zijn rechten.
Jezus Sirach 45:13
Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewrocht, van kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk des graveerders; waarin tot een gedachtenis geschreven en gegraveerd was het getal der kinderen Israëls.
Jezus Sirach 45:17
Hun slachtofferg werden des daags tweemaal gedurig geheel verbrand.
Jezus Sirach 45:26
Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging; want zij eten de slachtoffers des Heren, welke hij hem en zijn zaad gegeven heeft.
Jezus Sirach 45:27
Doch in het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel zijner erfenis.
Jezus Sirach 45:28
En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijk heid, omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.
Jezus Sirach 45:30
Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht een. verbond des vredes, dat hij zou zijn een voorstander der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid des priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.
Jezus Sirach 45:31
En gelijk, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms Aäron toegelegd en zijn zaad.
Jezus Sirach 46:4
Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.
Jezus Sirach 46:15
Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet des Heren, heeft koninkrijken ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn volk.
Jezus Sirach 46:16
Hij richtte de vergadering naar de wet des Heren, en de Here bezocht Jakob.
Jezus Sirach 46:19
En de Here donderde van de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord werd door de grote weerklank des donders;
Jezus Sirach 46:22
En nadat hij ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks zou verdelgd worden.
Jezus Sirach 47:5
Toen hij zijn hand ophief om met de steen des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.
Jezus Sirach 47:7
Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk heid gebracht werd.
Jezus Sirach 47:12
Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven.
Jezus Sirach 47:13
De Here heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond des koninkrijks, en de troon der heerlijkheid in Israël.
Jezus Sirach 47:15
Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.
Jezus Sirach 47:20
In de naam des Heren, de God der ganse aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël, bracht gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;
Jezus Sirach 48:3
Door het woord des Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal vuur uit de hemel nederkomen. Hoe zijt gij verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden!
Jezus Sirach 48:5
Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord des Allerhoogsten.
Jezus Sirach 48:7
Gij, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen der wraak.
Jezus Sirach 48:10
Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel des Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob.
Jezus Sirach 49:3
Hij heeft zich recht gedragen in de bekering des volks, en heeft weggenomen de gruwelen der ongerechtigheid.
Jezus Sirach 49:6
Want zij hebben de wet des Allerhoogsten verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken.
Jezus Sirach 49:18
Een steunsel des volks, en zijn gebeenten zijn bezocht door de Here.
Jezus Sirach 50:1
SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd.
Jezus Sirach 50:2
Onder hem is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte, de hoge omgang des tempels.
Jezus Sirach 50:7
Gelijk de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon in de dagen van de zomer;
Jezus Sirach 50:13
Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;
Jezus Sirach 50:14
En voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren de offerande des Allerhoogsten en des almachtigen,
Jezus Sirach 50:20
En het volk van de Here, des Allerhoogsten, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat vol eindigd was het versiersel des Heren, en zij zijn dienst geëindigd hadden.
Jezus Sirach 50:21
Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der kinderen Israëls, om hun te geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.
Jezus Sirach 50:29
Want indien hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam zijn, dewijl het licht des Heren zijn voetstap is, en hij geeft de godvrezenden wijsheid.
Jezus Sirach 51:6
Van de verstikking des vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;
Jezus Sirach 51:7
Uit de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.
Jezus Sirach 51:37
Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te prijzen.
Baruch 1:8
Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.
Baruch 1:11
En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.
Baruch 1:13
Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.
Baruch 1:14
En gij zult dit boek lezen, hetwelk wij tot u gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk voor te lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.
Baruch 1:15
En spreekt aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des aangezichts, gelijk het te dezen dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:
Baruch 1:18
En wij zijn hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen des Heren, die hij voor ons aangezicht gegeven had.
Baruch 1:21
En wij hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord, naar al de woorden der profeten, die hij tot ons heeft gezonden.
Baruch 1:22
Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.
Baruch 2:8
En wij hebben het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen harten.
Baruch 2:10
Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen des Heren, die hij gegeven had voor ons aangezicht.
Baruch 2:22
En indien gij de stem des Heren niet zult horen, om de koning van Babylonië te dienen,
Baruch 2:25
Ziet, zij zijn uitgeworpen voor de hitte des daags en voor de koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering.
Baruch 3:9
Hoor Israël, de geboden des levens, laat ze ter ore ingaan, opdat gij wijsheid moogt weten.
Baruch 3:17
Die spotten met de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.
Baruch 4:16
Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.
Baruch 4:20
Ik heb het kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking aangedaan, ik zal tot de eeuwige roepen in mijn dagen.
Baruch 4:34
En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.
Baruch 4:37
Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.
Baruch 5:5
Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de opgang, door het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner weder gedacht heeft.
Baruch 6:12
Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het stof des huizes, dat zeer veel op hen is.
Baruch 6:13
En hij heeft een scepter als een mens, die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.
Baruch 6:43
En wanneer een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.
Baruch 6:52
Want zij kunnen geen koning des lands verwekken, en kunnen geen regen de mensen geven.
1 - 500 [501 - 677]
Statenvertaling on line - bijbel en kunst