Vindplaatsen van het woord deze in de apocriefe geschriften (583 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):

3 Ezra 1:4
En zeide: Gij moogt deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de Here uw God, en hebt acht op IsraŽl zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen.

3 Ezra 1:10
En als deze dingen naar behoren geschiedden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongehevelde broden naar hun stammen, en naar de verdeling van de oversten der vaderen, voor het volk,

3 Ezra 1:25
En na al deze daden van Josia, is het geschied, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.

3 Ezra 1:32
En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden zou door geheel het geslacht IsraŽls.

3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van IsraŽl en Juda.

3 Ezra 2:5
Indien er dan iemand van u is uit zijn volk, de Here zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis des Heren van IsraŽl; deze is de Here, die te Jeruzalem woont.

3 Ezra 2:11
En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;

3 Ezra 2:12
En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.

3 Ezra 2:13
Het getal nu van deze was: duizend gouden drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere vaten tot duizend.

3 Ezra 2:15
En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van BabyloniŽ te Jeruzalem kwamen.

3 Ezra 2:16
Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van PerziŽ, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, en te SamariŽ en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:

3 Ezra 2:19
Indien dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen schatting willen geven, maar zullen ook de koningen wederstaan.

3 Ezra 2:24
Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat indien deze stad weder gebouwd wordt, en haar muren weder opgericht, gij geen toegang meer zult hebben in Celo-SyriŽ en FeniciŽ.

3 Ezra 2:26
Ik heb de brief, die gij aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;

3 Ezra 2:28
Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde gedaan.

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 5:35
Deze allen dienden het heiligdom, en waren kinderen der dienstknechten van Salomo, driehonderd tweeŽnzeventig in getal.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en KadmiŽl zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 5:66
En als de vijanden der stammen Juda en Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze stem der bazuinen was.

3 Ezra 6:3
In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen:

3 Ezra 6:4
Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwlieden die dit opmaken?

3 Ezra 6:10
En dat deze werken met vlijt geschieden, en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelve in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht.

3 Ezra 6:11
Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?

3 Ezra 6:18
En de heilige gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis Gods dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weder uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.

3 Ezra 6:23
Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van MediŽ is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren;

3 Ezra 6:29
Ook dat uit de inkomsten van Celo-SyriŽ en FeniciŽ met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offerande de Here, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;

3 Ezra 6:34
Ik, koning Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig zullen nagekomen worden.

3 Ezra 8:1
EN na deze, als Artaxerxes, de koning der Perzen, regeerde, trok henen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,

3 Ezra 8:3
Deze Ezra trok henen uit BabyloniŽ, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods IsraŽls was gegeven.

3 Ezra 8:31
En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen der heerschappijen, die met mij optogen uit BabyloniŽ, onder het rijk des konings Artaxerxes.

3 Ezra 8:42
Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.

3 Ezra 8:54
En wij baden al deze dingen van de Here, en wij vonden hem zeer genadig.

3 Ezra 8:61
En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de vaten tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel des Heren.

3 Ezra 8:69
En als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk IsraŽls, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:

3 Ezra 8:71
Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dezer volken dochteren, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken des lands; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin dezer zaak deelachtig geworden.

3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God IsraŽls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.

3 Ezra 8:77
En wij zijn in grote zonde tot deze dag toe.

3 Ezra 8:96
Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.

3 Ezra 9:14
Toen nam Jonathas, de zoon van AzaŽl, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en SabbateŁs waren hun mede-rechters.

3 Ezra 9:16
En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan der tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.

3 Ezra 9:23
En van de Levieten: Josabad, en SemeÔs, Kovis (deze is Kalitas) en PatheŁs, en Judas, en Jonas.

3 Ezra 9:36
Deze allen hadden uitlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.

3 Ezra 9:51
Deze dag is de Here heilig; en zij weenden allen, als zij de wet hoorden.

3 Ezra 9:53
Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.

3 Ezra 9:54
En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, zijt niet droevig.

4 Ezra 1:18
Waarom hebt gij ons in deze woestijn gebracht, om ons te doden? het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

4 Ezra 2:44
Toen vroeg ik de engel en zeide: Wie zijn deze, Here?

4 Ezra 2:45
Welke mij antwoordde en zeide: Deze zijn het, die de sterfelijke rok hebben afgelegd, en de onsterfelijke hebben aangedaan, en hebben de naam Gods beleden; nu worden zij gekroond, en ontvangen palmtakken.

4 Ezra 3:15
En gij hebt met hem een eeuwig verbond gemaakt, en hebt hem gezegd, dat gij zijn zaad nimmermeer zoudt verlaten; deze hebt gij gegeven Izašk, en Izašk hebt gij gegeven Jakob en Ezau.

4 Ezra 3:25
En dat is vele jaren geschied, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen u;

4 Ezra 3:31
Ik kan niet bedenken, hoe deze weg zo moet blijven. Doet dan Babylon beter dan Sion?

4 Ezra 3:36
Deze zult gij wel met namen vinden, dat zij uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult gij hen niet vinden.

4 Ezra 4:2
En zeide tot mij: Uw hart gaat veel te hoog in deze wereld, dat gij meent de weg des allerhoogsten te begrijpen.

4 Ezra 4:18
Indien gij nu een richter waart van deze, wie zoudt gij rechtvaardigen, of wie veroordelen?

4 Ezra 4:25
Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd.

4 Ezra 4:27
En kan niet vatten hetgeen in toekomende tijden de rechtvaardigen toegezegd is, want deze tijd is vol ongerechtigheid en zwakheid.

4 Ezra 4:42
Want gelijk een die baart zich haast, om van de nood der geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven hetgeen haar bevolen is.

4 Ezra 5:2
En de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden boven deze, die gijzelf ziet, en boven die gij eertijds gehoord hebt.

4 Ezra 5:13
Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo gij weder bidt en weent gelijk als nu, en zo gij zeven dagen vast, zo zult gij weder grotere horen dan deze.

4 Ezra 5:31
En het is geschied, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen.

4 Ezra 5:38
En ik sprak: O heersende Here, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft.

4 Ezra 6:20
En als de wereld, die begint te vergaan zal toegezegeld worden, zo zal ik deze tekenen doen; De boeken zullen opengedaan worden voor het aangezicht des hemels, en alle tezamen zullen zij ze zien;

4 Ezra 6:21
En kinderen van ťťn jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden,

4 Ezra 6:25
En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld.

4 Ezra 6:31
Indien gij dan weder bidt, en weder zeven dagen vast, zo zal ik u weder grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb.

4 Ezra 6:35
En het geschiedde na deze, dat ik weder weende, en desgelijks zeven dagen vastte, opdat ik de drie weken vervulde die mij gezegd waren.

4 Ezra 6:44
Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van velerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en welriekende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt.

4 Ezra 7:1
EN het is geschied, als ik geŽindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was.

4 Ezra 7:8
Tussen deze nu is alleen een smal pad gelegd, namelijk tussen het vuur en het water, zodat op het pad niet meer dan een mens gaan kan.

4 Ezra 7:9
Indien nu deze stad iemand tot een erve gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erve verkrijgen?

4 Ezra 7:17
En ik antwoordde en zeide: O heersende Heer, ziet gij hebt in uw wet verordineerd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beŽrven, en dat de goddelozen zouden vergaan.

4 Ezra 7:42
En hij antwoordde en zeide tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden.

4 Ezra 7:43
Maar de dag des oordeels zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd der toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn.

4 Ezra 8:1
EN hij antwoordde en zeide tot mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de toekomende voor weinigen.

4 Ezra 9:2
Dat gij dan zult verstaan, dat deze de tijd is, waarin de Allerhoogste zal beginnen te bezoeken de wereld, die door hem gemaakt is.

4 Ezra 9:12
En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen.

4 Ezra 9:14
En ik antwoordde en sprak: Ik heb voor deze gezegd, en ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen,

4 Ezra 9:19
Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden dergenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden.

4 Ezra 9:38
En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en weende met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar klederen waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd.

4 Ezra 9:44
En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden,

4 Ezra 10:11
Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar gij maar over ťťn zo droevig zijt.

4 Ezra 10:28
Waar is UriŽl de engel, die van den beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaadheid.

4 Ezra 10:37
Nu dan, zo bid ik u, dat gij uw knecht toont wat deze verrukking van zinnen is. En hij antwoordde mij, en zeide:

4 Ezra 10:44
Deze vrouw, die gij gezien hebt is Sion, welke gij ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad.

4 Ezra 10:49
En zie, gij hebt haar gedaante gezien, en wijl zij om haar zoon treurde, zijt gij begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden.

4 Ezra 11:4
Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust.

4 Ezra 11:18
En de derde heeft zich verheven, en heeft de heerschappij gehouden als de vorige, en ook deze is verdwenen.

4 Ezra 12:1
EN het is geschied toen de leeuw deze woorden sprak tot de arend, dat ik zag,

4 Ezra 12:5
Ziet, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest.

4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.

4 Ezra 12:25
Want het zijn die, welke zijn goddeloosheid tezamen zullen te voorschijn brengen, en deze tot het uiterste toe zullen volbrengen.

4 Ezra 12:30
Daarvan is dit de verklaring: Deze zijn het die de Allerhoogste behouden heeft tot op het einde, dit is een klein rijk. en vol oproer.

4 Ezra 12:32
Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en hij zal hen bestraffen, en hij zal over henzelf hun verscheuring brengen.

4 Ezra 12:36
Gij dan zijt alleen waardig geacht, om deze verborgenheid des Allerhoogsten te weten.

4 Ezra 12:37
Daarom schrijf al deze dingen, die gij gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats.

4 Ezra 12:38
En gij zult ze de verstandigen onder uw volk leren, namelijk wier harten gij weet dat deze verborgenheden kunnen vatten en behouden.

4 Ezra 12:41
Wat hebben wij u misdaan, of wat onrecht hebben wij u gedaan, dat gij ons verlaat, en aan deze plaats blijft zitten?

4 Ezra 12:48
En ik heb ulieden niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering uws heiligdoms.

4 Ezra 13:10
Dat hij uit zijn mond liet gaan als een vurige wind, en uit zijn lippen een vlammende adem, en van zijn tong liet hij uitgaan vonken en onweder, en deze allen zijn te zamen vermengd geworden, namelijk de vurige wind, en de vlammende adem, en het groot onweder.

4 Ezra 13:14
Gij hebt van den beginne uw dienstknecht deze wonderen getoond, en gij hebt mij waardig geacht, dat gij mijn gebed zoudt aannemen,

4 Ezra 13:15
Zo toon mij dan nu nog de verklaring van deze droom.

4 Ezra 13:18
Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en hetgeen deze overkomen zal, mitsgaders ook degenen die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:19
Want daarom zijn zij in groot gevaar en veel nood gekomen, gelijk deze dromen uitwijzen.

4 Ezra 13:22
Dat gij van deze gezegd hebt, die overgelaten zijn, daarvan is dit de verklaring:

4 Ezra 13:23
Die het gevaar gedragen zal hebben in die tijd, die zal zichzelf hier bewaard hebben; die in het gevaar gevallen zijn, deze zijn het die de werken hebben, en het geloof in de Almachtige.

4 Ezra 13:26
Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:32
En als deze dingen geschieden, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die gij als een man hebt zien opkomen.

4 Ezra 13:37
Doch deze mijn Zoon zal de dingen bestraffen, die de volken uitgevonden hebben, namelijk deze hun goddeloosheden, welke het onweder nabij komen vanwege hun kwade gedachten, en pijnigingen, waarmee zij zullen beginnen gepijnigd te worden,

4 Ezra 13:40
Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning der AssyriŽrs gevankelijk weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land.

4 Ezra 13:47
Zo zal de Allerhoogste weder de aderen der rivier ophouden, opdat zij daarover gaan mogen; daarom hebt gij deze menigte vreedzaam gezien.

4 Ezra 13:48
Doch die overgelaten zijn van uw volk, zijn deze, die binnen mijn landpalen gevonden worden.

4 Ezra 14:6
Deze woorden zult gij openbaar maken, en deze zult gij verbergen.

4 Ezra 14:14
En doe van u weg de strefelijke gedachten; werp van u de menselijke lasten, en trek uit de zwakke natuur, en stel aan de ene zijde de raadslagen die u allerbezwaarlijkst zijn, en haast u om uit deze tijden te verhuizen.

4 Ezra 14:24
Maar gij, bereid u veel busbomen tafelkens, en neem met u Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus, en AsiŽl, deze vijf, welke bereid zijn om snel te schrijven;

4 Ezra 14:28
Hoor IsraŽl! deze woorden:

4 Ezra 14:36
Zo kome dan niemand nu tot mij, noch vrage naar mij deze veertig dagen lang.

4 Ezra 14:39
Toen deed ik mijn mond open, en ziet een volle beker werd mij toegereikt. Deze was vol, als van water, doch zijn kleur was als van vuur.

4 Ezra 14:45
En het is geschied, als de veertig dagen geŽindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zeide: Stel de eerste dingen, die gij geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen.

4 Ezra 14:47
Want in deze is de ader des verstands, en de fontein derwijsheid, en de vloed der wetenschap; en ik deed alzo.

4 Ezra 15:31
En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en tezamen spannen om met grote kracht die te vervolgen.

4 Ezra 15:32
Deze nu zullen ontsteld worden, en zullen stilstaan voor hun kracht, en zullen zich op de vlucht begeven.

4 Ezra 15:44
Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren.

4 Ezra 16:19
Wat zal ik in deze doen, wanneer de ongevallen zullen komen?

4 Ezra 16:21
En in alle deze zullen zij zich niet bekeren van hun ongerechtigheden, en zullen de geselen niet altijd gedenken.

Tobias (Tobit) 1:6
En ik reisde menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk IsraŽls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Ašrons, voor het altaar.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 1:22
En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.

Tobias (Tobit) 2:9
En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.

Tobias (Tobit) 3:6
En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.

Tobias (Tobit) 3:25
En RafaŽl werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van RaguŽl, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en AsmodeŁs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van RaguŽl, van haar opperzolder afgekomen.

Tobias (Tobit) 4:12
Want aalmoes is een goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.

Tobias (Tobit) 4:13
Kind, wacht u van alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, dewijl wij kinderen der profeten zijn. Noach, Abraham, Izašk, Jakob zijn onze vaderen van ouds af; gedenk, kind, dat deze allen vrouwen genomen hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beŽrven.

Tobias (Tobit) 5:24
En zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.

Tobias (Tobit) 6:8
En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze vis?

Tobias (Tobit) 6:12
Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te RaguŽl ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.

Tobias (Tobit) 6:15
Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.

Tobias (Tobit) 6:19
Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult roken.

Tobias (Tobit) 6:22
En vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.

Tobias (Tobit) 7:2
En zij bracht hen in het huis, en RaguŽl zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.

Tobias (Tobit) 7:20
En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde geve u vreugde voor deze uw droefheid, heb goede moed, dochter.

Tobias (Tobit) 8:6
Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij.

Tobias (Tobit) 8:7
En nu Here, niet om hoererij neem ik deze mijn zuster, maar in oprechtheid.

Tobias (Tobit) 8:9
En RaguŽl stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?

Tobias (Tobit) 8:15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.

Tobias (Tobit) 9:7
Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem.

Tobias (Tobit) 12:19
Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.

Tobias (Tobit) 13:3
Dankt hem, gij kinderen IsraŽls, voor de heidenen, dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoont daar zijn grote heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn van alles wat leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.

Judith 1:11
Doch al de inwoners dezes lands verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, en zij kwamen bij hem niet tot deze krijg, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van zich wederkeren met schande.

Judith 1:13
En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.

Judith 2:3
En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel zijns monds niet nagevolgd waren.

Judith 3:6
En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben zulks geboodschapt naar deze woorden.

Judith 4:1
EN de kinderen IsraŽls, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de krijgsoverste des konings van AssyriŽ, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen.

Judith 5:25
En het geschiedde, als Achior ophield deze woorden te spreken, dat al het volk murmureerde, hetwelk de tent omringde en daar rondom stond.

Judith 6:3
Deze zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als ťťn man, en zij zullen de kracht van onze paarden niet wederstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.

Judith 6:5
En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.

Judith 7:1
EN des anderen daags gebood Holofernes zijn gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot zijn hulp in deze krijg gekomen was, dat zij zouden optrekken naar BethuliŽ, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen IsraŽls de krijg zou aandoen.

Judith 7:4
De kinderen IsraŽls nu als zij hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: Deze zullen nu het aanschijn van het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet ťťn man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in BethuliŽ wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet ťťn man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 7:11
En deze hun woorden behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen zou gelijk zij gesproken hadden.

Judith 7:17
Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden op de dag van heden.

Judith 7:20
Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad.

Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van BethuliŽ, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.

Judith 8:13
Want de diepte van het hart des mensen kunt gij niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden zijner bedenking, en hoe zult gij de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en zijn zin vernemen, en zijn gedachten verstaan?

Judith 8:14
Niet alzo, broeders, verwekt de Here, onze God, niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons niet helpen wil, hij heeft de macht om ons te beschutten in welke dagen hij wil, of ook om ons te verdelgen voor het aanschijn onzer vijanden.

Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here IsraŽl door mijn hand bezoeken.

Judith 10:1
EN het geschiedde toen zij ophield van roepen tot de God IsraŽls, en al deze woorden geŽindigd had.

Judith 10:5
En zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar vaten om en om, en legde ze deze op.

Judith 10:6
En zij gingen uit naar de poort der stad BethuliŽ, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten der stad Chabrin en Charmin.

Judith 10:11
Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht der AssyriŽrs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Wiens zijt gij? en vanwaar komt gij? en waar gaat gij heen?

Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.

Judith 11:4
En Judith zeide tot hem: Neem de woorden uwer dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aanschijn spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En indien gij de woorden uwer dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.

Judith 11:9
Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het aanschijn gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan.

Judith 11:17
Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weder te boodschappen.

Judith 11:18
Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienstknechten, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:

Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der AssyriŽrs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.

Judith 12:18
En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.

Judith 13:8
Sterk mij, o God IsraŽls, op deze dag.

Judith 13:18
Looft God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid van het huis IsraŽls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht.

Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis IsraŽls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

Judith 14:7
En Achior ziende al hetgeen de God IsraŽls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis IsraŽls toegevoegd tot op deze dag.

Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:

Judith 14:16
Als nu de oversten van het leger der AssyriŽrs deze woorden hoorden, zo scheurden zij hun klederen, en hun ziel werd zeer beroerd.

Judith 16:1
EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder gans IsraŽl, en het gehele volk zong deze lofzang haar na.

Boek der Wijsheid 1:14
Want hij heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn des verderfs, en het rijk der hel is niet op aarde.

Boek der Wijsheid 2:1
WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood des mensen, en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.

Boek der Wijsheid 2:2
Want bij geval zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn alsof wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de beweging van ons hart.

Boek der Wijsheid 2:24
Maar door des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven deze.

Boek der Wijsheid 5:2
En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.

Boek der Wijsheid 5:3
En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.

Boek der Wijsheid 6:10
Want die heilig heilige dingen zullen bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en die deze geleerd hebben, zullen verantwoording vinden.

Boek der Wijsheid 6:23
En ik zal mij op de weg niet begeven met de uitterende nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap hebben.

Boek der Wijsheid 7:12
En ik was verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster was.

Boek der Wijsheid 8:2
Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid.

Boek der Wijsheid 8:17
Deze dingen bij mijzelf overlegd hebbende en in mijn hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid is;

Boek der Wijsheid 10:1
DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen geschapen vader der wereld;

Boek der Wijsheid 10:5
Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.

Boek der Wijsheid 10:6
Deze toen de goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen hij het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.

Boek der Wijsheid 10:8
Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.

Boek der Wijsheid 10:10
Deze geleidde de rechtvaardige op rechte paden, als hij vluchtende was voor de toorn zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods getoond, en kennis van heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd.

Boek der Wijsheid 10:13
Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put.

Boek der Wijsheid 10:15
Deze heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie dergenen die haar verdrukten.

Boek der Wijsheid 11:8
En hebt deze gegeven overvloedig water boven hun verwachting.

Boek der Wijsheid 11:14
Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Here.

Boek der Wijsheid 11:21
Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.

Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Boek der Wijsheid 13:3
Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende, deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner der schoonheid heeft deze dingen geschapen.

Boek der Wijsheid 13:4
En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.

Boek der Wijsheid 13:6
Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;

Boek der Wijsheid 13:7
Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn.

Boek der Wijsheid 13:8
Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.

Boek der Wijsheid 14:8
Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.

Boek der Wijsheid 14:16
Daarna deze goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd geworden.

Boek der Wijsheid 14:18
De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst der beelden.

Boek der Wijsheid 14:19
Want deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.

Boek der Wijsheid 14:30
Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.

Boek der Wijsheid 15:13
Want deze weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen vaten die licht breken, en gesneden beelden.

Boek der Wijsheid 16:21
Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.

Boek der Wijsheid 17:8
Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.

Boek der Wijsheid 17:19
Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende beesten, of de stem der huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.

Boek der Wijsheid 18:13
Want geen van al deze dingen gelovende vanwege de toverijen, hebben zij in de dood der eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen Gods waren.

Boek der Wijsheid 18:25
Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving des toorns was alleen genoeg.

Jezus Sirach 1:26
Hebt gij lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,

Jezus Sirach 2:2
Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt.

Jezus Sirach 3:32
En de Here, die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 10:2
Gelijk als de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.

Jezus Sirach 10:10
Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft.

Jezus Sirach 13:3
Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.

Jezus Sirach 13:16
Als gij deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.

Jezus Sirach 13:28
De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.

Jezus Sirach 16:6
Vele dergelijke dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft sterker dingen gehoord dan deze.

Jezus Sirach 16:20
En het hart overdenkt deze dingen niet behoorlijk.

Jezus Sirach 16:23
Die klein geworden is overlegt deze dingen, maar een dwaas man, verdwaald zijnde, overlegt dwaze dingen.

Jezus Sirach 16:29
En na deze heeft de Here op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn goederen.

Jezus Sirach 18:26
Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen der zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen.

Jezus Sirach 21:27
Het is een ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.

Jezus Sirach 22:26
Indien gij de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een iegelijk vriend weg.

Jezus Sirach 23:14
Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.

Jezus Sirach 23:28
Deze zal op de straten der stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend.

Jezus Sirach 23:31
Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking geschieden.

Jezus Sirach 24:7
Bij deze allen heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis te zijn.

Jezus Sirach 24:21
En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.

Jezus Sirach 24:26
Al deze dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, de wet, welke Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.

Jezus Sirach 26:6
De lastering ener stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze zijn bezwaarlijker dan de dood.

Jezus Sirach 26:11
Bewaar een onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt, deze voor zich gebruikt.

Jezus Sirach 26:29
Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.

Jezus Sirach 29:32
Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft.

Jezus Sirach 31:2
Deze wakende bekommernis vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware krankheid.

Jezus Sirach 31:5
Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt, deze zal daarvan verzadigd worden.

Jezus Sirach 31:9
Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen gedaan onder zijn volk.

Jezus Sirach 31:12
Als gij aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;

Jezus Sirach 31:30
De wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig drinkt.

Jezus Sirach 33:9
Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot het getal der gemene dagen.

Jezus Sirach 34:12
Menigmaal ben ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden.

Jezus Sirach 35:5
Want al deze dingen moet men doen vanwege het gebod.

Jezus Sirach 37:13
Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.

Jezus Sirach 37:16
En in alle deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make.

Jezus Sirach 37:21
Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid.

Jezus Sirach 38:7
Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid weg.

Jezus Sirach 38:27
Deze zal zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voeder te geven.

Jezus Sirach 38:33
Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden, en waakt om ze te versieren, wanneer zij voleindigd zijn.

Jezus Sirach 38:37
Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn werk.

Jezus Sirach 39:1
DEZE onderzoekt de wijsheid aller ouden, en is bezig in de profetieŽn.

Jezus Sirach 39:20
De werken des Heren zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.

Jezus Sirach 39:31
Alle deze gelijk ze de godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.

Jezus Sirach 39:33
Het vuur en de zee, en de honger, en de dood; al deze dingen zijn tot wraak geschapen.

Jezus Sirach 39:37
Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd geworden, en heb deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten.

Jezus Sirach 40:8
Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer.

Jezus Sirach 40:9
Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering van de honger, en der verplettering, en van de gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen.

Jezus Sirach 42:1
SCHAAM u niet vanwege deze navolgende dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen.

Jezus Sirach 42:29
Al deze dingen leven en blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam.

Jezus Sirach 43:24
Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt ze.

Jezus Sirach 43:35
Daar zijn nog vele verborgen dingen meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.

Jezus Sirach 44:8
Al deze zijn onder hun geslachten verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd.

Jezus Sirach 45:6
En heeft hem van aangezicht tot aangezicht bevelen gegeven, de wet des levens en der wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en IsraŽl zijn rechten.

Jezus Sirach 45:16
En niemand deed ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen tijde.

Jezus Sirach 46:10
En deze twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en honig vloeit.

Jezus Sirach 47:1
NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.

Jezus Sirach 48:16
Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de ganse aarde.

Jezus Sirach 50:28
Zalig is hij, die zich in deze dingen. oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs worden.

Jezus Sirach 51:30
De Here heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen.

Baruch 1:13
Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.

Baruch 1:19
Van de dag af, op welke de Here onze vaderen uit Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn stem niet te horen.

Baruch 1:20
En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze dag is.

Baruch 2:6
Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaderen de schaamte der aangezichten, gelijk deze, dag zelf uitwijst.

Baruch 2:11
En nu Here, gij God van IsraŽl, die uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk deze dag uitwijst.

Baruch 2:29
Indien gij mijn stem niet zult horen, zo zal waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen ik hen verstrooien zal.

Baruch 3:4
Almachtige Here, gij God van IsraŽl, hoor toch het gebed der gestorvenen van IsraŽl, en der kinderen die voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.

Baruch 3:27
Deze heeft de Here niet verkoren, noch hun de weg der kennis te verstaan gegeven.

Baruch 3:36
Deze is onze God, en geen ander is tegen hem te achten.

Baruch 4:1
DEZE wijsheid is het boek der geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven.

Baruch 6:19
En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren der aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.

Baruch 6:46
En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?

Baruch 6:54
Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden.

Baruch 6:57
Want de sterken onder hen halen rondom deze af het goud en het zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen;

Baruch 6:62
En het vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet hetgeen bevolen is; doch deze zijn die noch ingestalte, noch in kracht gelijk.

Esther (apocr.) 10:4
En Mordechai zeide: Deze dingen zijn van God geschied.

Esther (apocr.) 10:5
Want ik gedenk aan de droom, die ik van deze dingen gezien heb, want geen dezer is voorbijgegaan.

Esther (apocr.) 10:6
De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft.

Esther (apocr.) 10:9
En mijn volk is het volk van IsraŽl, die tot God riepen en behouden zijn, en de Here heeft zijn volk behouden, en de Here heeft zijn volk verlost uit al deze ongevallen, en God heeft deze grote tekenen en wonderen gedaan, welke onder de heidenen niet geschied zijn.

Esther (apocr.) 10:11
En deze twee loten zijn voor God gekomen op de ure en tijd en dag des gerichts, hetwelk onder alle heidenen is bestemd;

Esther (apocr.) 10:13
Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag der maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk.

Esther (apocr.) 11:1
IN het vierde jaar toen PtolomeŁs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zeide dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon PtolomeŁs deze tegenwoordige brief der Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van PtolomeŁs, te Jeruzalem die overgezet had;

Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van JaÔr, de zoon van SimeÔ, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;

Esther (apocr.) 11:10
En Mordechai, die deze droom had gezien, wakker wordende, bedacht wat God doen wilde, en behield deze droom in zijn hart, en wilde die op alle manieren verstaan, tot op die nacht.

Esther (apocr.) 12:4
En de koning schreef deze dingen in zijn gedenkboek, en Mordechai schreef ook van deze dingen.

Esther (apocr.) 16:5
Menigmaal geschiedt het ook, dat velen dergenen die in macht zijn gesteld, en welke betrouwd is de zaken der vrienden te verrichten, door hun raad deze willende stellen tot metgezellen van onnozel bloedvergieten, in ongeneeslijke zwarigheden zichzelf hebben ingewikkeld.

Esther (apocr.) 16:14
Want op deze wijze heeft hij gemeend ons nu ontbloot zijnde aan te tasten, en het rijk der Perzen aan de MacedoniŽrs te brengen.

Esther (apocr.) 16:15
Doch wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden;

Esther (apocr.) 16:19
Het afschrift nu van deze brief zult gij op alle plaatsen aanslaan, en zult de Joden toelaten hun wetten vrij te gebruiken.

Esther (apocr.) 16:21
Want deze blijdschap heeft hun God, die over allen heerst, teweeggebracht, in plaats van de ondergang van het uitverkoren geslacht.

Esther (apocr.) 16:22
Zo zult gijlieden dan, onder andere van uw befaamde feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid vieren;

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:28
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad onzer vaderen, want gij hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, om onzer zonden wil.

Susanna (Dan. 13) 1:6
Deze waren gedurig in het huis van Jojakim, en tot hen kwamen allen, die enige zaak voor het gericht hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:32
Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen.

Susanna (Dan. 13) 1:36
En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienstmaagden, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg;

Susanna (Dan. 13) 1:38
Maar wij zijnde in de hoek van de hof, en deze schande ziende, liepen naar haar toe;

Susanna (Dan. 13) 1:40
Doch deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons zulks niet zeggen. Dit getuigen wij.

Susanna (Dan. 13) 1:43
Gij weet dat zij leugens tegen mij getuigen, en zie ik moet sterven daar ik niets gedaan heb van hetgeen deze tegen mij boos getuigen.

Susanna (Dan. 13) 1:54
Nu welaan dan, indien gij deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom gij hen bij elkander hebt zien verkeren, en hij zeide: Onder een mastiekboom.

Susanna (Dan. 13) 1:56
En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zeide tot hem: Gij zaad van Kanašn en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkbeid heeft uw hart verkeerd.

Susanna (Dan. 13) 1:57
Alzo hebt gij de dochters van IsraŽl gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:2
De BabyloniŽrs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:6
Maar DaniŽl lachte en zeide: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:7
En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zeide tot hen: Indien gijlieden mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult gij sterven.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:8
Maar indien gijlieden bewijzen zult, dat Bel deze dingen opeet, zo zal DaniŽl sterven, want hij heeft tegen Bel gelasterd; en DaniŽl zeide tot de koning: Het geschiede naar uw woord.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:12
Zij nu verachtten dit, omdat zij een heimelijke toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:18
En DaniŽl lachte, en hield de koning op, dat hij niet binnen gaan zou, en zeide: Zie op de vloer, en merk op wiens deze voetstappen zijn.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:21
En de koning liet hen doden, en gaf DaniŽl de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:23
En de koning zeide tot DaniŽl: Zegt gij ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, gij kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:25
Maar gij, heer koning, veroorloof het mij, zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok. En de koning zeide: Ja, ik geef u verlof.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:30
Deze nu wierpen hem in de kuil der leeuwen, en hij was daar zes dagen.

1 MakkabeeŽn 1:6
En na deze viel hij te bed; en wetende dat hij sterven zou,

1 MakkabeeŽn 1:12
In deze dagen gingen uit IsraŽl enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.

1 MakkabeeŽn 1:35
En zij bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.

1 MakkabeeŽn 1:38
En deze burcht was om altoos het heiligdom lagen te leggen, en om tegen IsraŽl een boos beschuldiger te zijn.

1 MakkabeeŽn 1:54
Naar al deze woorden heeft hij geschreven aan zijn ganse koninkrijk, en heeft opzieners gemaakt over al het volk.

1 MakkabeeŽn 2:12
En ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.

1 MakkabeeŽn 2:17
En die van des konings wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;

1 MakkabeeŽn 2:23
En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel des konings.

1 MakkabeeŽn 2:43
En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.

1 MakkabeeŽn 2:64
En gij, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.

1 MakkabeeŽn 2:66
En Judas MakkabeŁs is sterk van kracht, van zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste wezen, en gijlieden zult de krijg der volken voeren.

1 MakkabeeŽn 3:17
En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?

1 MakkabeeŽn 3:27
En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer toornig, en zond heen en vergaderde al de krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger.

1 MakkabeeŽn 3:43
Laat ons ons volk uit deze vernedering weder oprichten, en laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.

1 MakkabeeŽn 3:55
En na deze stelde Judas oversten des volks, oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten over vijftig, en oversten over tien.

1 MakkabeeŽn 3:58
En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.

1 MakkabeeŽn 4:5
En Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.

1 MakkabeeŽn 4:7
En als zij nu het leger der heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de krijg wŤl ervaren),

1 MakkabeeŽn 4:10
En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.

1 MakkabeeŽn 4:46
En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou.

1 MakkabeeŽn 4:51
En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken.

1 MakkabeeŽn 4:52
En zij stonden des morgens vroeg op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar;

1 MakkabeeŽn 4:54
Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen.

1 MakkabeeŽn 4:56
En zij hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en slachtende offeranden der behoudenis en des lofs.

1 MakkabeeŽn 5:14
Toen deze brieven nog gelezen werden, ziet andere boden kwamen uit Galilea, hun klederen verscheurd hebbende, en boodschapten volgens deze woorden.

1 MakkabeeŽn 5:16
Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.

1 MakkabeeŽn 5:26
En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en KarnaÔn; al deze steden waren sterk en groot;

1 MakkabeeŽn 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 MakkabeeŽn 5:32
Strijdt deze dag voor uw broeders.

1 MakkabeeŽn 5:37
En na deze zaken vergaderde TimotheŁs een ander leger, en legerde zich tegenover Rafon over de beek.

1 MakkabeeŽn 6:3
Zo is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de lieden van die stad bekend werd.

1 MakkabeeŽn 6:8
En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.

1 MakkabeeŽn 6:13
Ik beken dat om dezer dingen wil mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote droefheid in een vreemd land.

1 MakkabeeŽn 6:19
Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.

1 MakkabeeŽn 6:26
En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.

1 MakkabeeŽn 6:27
En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.

1 MakkabeeŽn 6:36
Deze waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelve niet.

1 MakkabeeŽn 6:37
En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeŽndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.

1 MakkabeeŽn 6:38
En het overige krijgsvolk stelden de oversten aan de twee delen van het leger, ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.

1 MakkabeeŽn 6:46
En hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.

1 MakkabeeŽn 6:58
Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk.

1 MakkabeeŽn 6:59
En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk tevoren. Want om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.

1 MakkabeeŽn 6:60
Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.

1 MakkabeeŽn 6:61
En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;

1 MakkabeeŽn 7:3
En als hem deze zaak bekend werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten niet.

1 MakkabeeŽn 7:30
En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.

1 MakkabeeŽn 7:33
En na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen enigen van de priesters uit het heiligdom, en enigen van de ouderlingen des volks, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.

1 MakkabeeŽn 7:38
Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.

1 MakkabeeŽn 7:43
En de legers kwamen met elkander te strijden, op de dertiende dag der maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel.

1 MakkabeeŽn 8:9
En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan,

1 MakkabeeŽn 8:10
Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;

1 MakkabeeŽn 8:14
En dat in deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin treffelijk te vertonen;

1 MakkabeeŽn 8:16
En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.

1 MakkabeeŽn 8:21
En deze rede was aangenaam voor hen.

1 MakkabeeŽn 8:26
En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen.

1 MakkabeeŽn 8:27
En volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.

1 MakkabeeŽn 8:28
En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog.

1 MakkabeeŽn 8:29
Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.

1 MakkabeeŽn 8:30
En indien na deze woorden deze of gene iets zullen willen daarbij doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar afdoen, dat zal bondig wezen.

1 MakkabeeŽn 9:37
En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van een van de grote heren van Kanašn, geleidden van Nabadath.

1 MakkabeeŽn 9:60
En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch zij konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.

1 MakkabeeŽn 9:61
En zij grepen van de mannen des lands, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen.

1 MakkabeeŽn 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.

1 MakkabeeŽn 10:7
En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.

1 MakkabeeŽn 10:17
En hij schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:

1 MakkabeeŽn 10:20
En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.

1 MakkabeeŽn 10:22
Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zeide:

1 MakkabeeŽn 10:25
En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 10:30
En van de helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land SamariŽ en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.

1 MakkabeeŽn 10:34
En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.

1 MakkabeeŽn 10:42
En boven deze, de vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen.

1 MakkabeeŽn 10:46
Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in IsraŽl gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

1 MakkabeeŽn 10:49
En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.

1 MakkabeeŽn 10:51
En Alexander zond aan PtolomeŁs de koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:

1 MakkabeeŽn 10:74
Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.

1 MakkabeeŽn 10:88
En het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.

1 MakkabeeŽn 11:12
En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.

1 MakkabeeŽn 11:20
In die dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van geweld.

1 MakkabeeŽn 11:29
En de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze inhoud:

1 MakkabeeŽn 11:34
En al de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze dingen vergunnen wij hun, van nu af.

1 MakkabeeŽn 11:35
En geen ding van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet gedaan worden.

1 MakkabeeŽn 11:36
Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.

1 MakkabeeŽn 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.

1 MakkabeeŽn 11:53
En na deze is Tryfon wedergekeerd, en Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette hem de koninklijke hoed op.

1 MakkabeeŽn 12:14
Wij hebben dan ulieden en onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen lastig zijn.

1 MakkabeeŽn 12:22
En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben, zo zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.

1 MakkabeeŽn 12:23
En wij schrijven u weder, uw vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.

1 MakkabeeŽn 13:7
En hij wekte de geest des volks op, doordat zij deze woorden hoorden.

1 MakkabeeŽn 13:20
En na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij heentrok.

1 MakkabeeŽn 13:29
En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op de zee varen.

1 MakkabeeŽn 13:30
Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.

1 MakkabeeŽn 13:35
En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:

1 MakkabeeŽn 13:44
En die in deze stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde een grote beroerte in de stad.

1 MakkabeeŽn 14:3
Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.

1 MakkabeeŽn 14:19
En deze brieven werden gelezen voor de ganse gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift der brieven, die de Spartiaten zonden:

1 MakkabeeŽn 14:24
Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap der wapenen te bevestigen.

1 MakkabeeŽn 14:25
Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?

1 MakkabeeŽn 14:35
Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen.

1 MakkabeeŽn 14:37
En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op.

1 MakkabeeŽn 14:44
En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of enige vergadering in het land te vergaderen zonder hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met een gouden gesp.

1 MakkabeeŽn 14:45
Zo daar nu iemand tegen deze dingen iets zal gedaan hebben, of iets zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.

1 MakkabeeŽn 14:46
En het werd goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou doen.

1 MakkabeeŽn 15:2
En deze waren van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 15:15
Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen, in welke deze dingen geschreven waren:

1 MakkabeeŽn 15:35
En wat aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen wij voor deze geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem niet een woord;

1 MakkabeeŽn 15:36
En hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.

1 MakkabeeŽn 16:3
Maar ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.

1 MakkabeeŽn 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

1 MakkabeeŽn 16:18
PtolomeŁs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.

1 MakkabeeŽn 16:24
Ziet, deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden.

2 MakkabeeŽn 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 MakkabeeŽn 1:24
En het gebed geschiedde op deze wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller dingen, gij die vreselijk zijt, en sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen koning zijt, en goedertieren.

2 MakkabeeŽn 1:26
Ontvang deze offerande voor al uw volk IsraŽl, en bewaar uw deel, en heilig hen.

2 MakkabeeŽn 1:29
Plant uw volk in deze uw heilige plaats, gelijk Mozes gesproken heeft.

2 MakkabeeŽn 1:34
En de koning voor goed kennende deze zaak, heeft die plaats omheind en heilig gemaakt.

2 MakkabeeŽn 2:6
En dat enigen, die hem gevolgd en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze niet hebben kunnen vinden.

2 MakkabeeŽn 2:8
En dat de Here dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des Heren, en de wolk gezien zou worden, gelijk die ook aan Mozes is geopenbaard, en gelijk Salomo gebeden heeft dat deze plaats grotelijks zou worden geheiligd.

2 MakkabeeŽn 2:13
En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, bijeen heeft vergaderd de schriften van de koningen en profeten, en de schriftenl van David, en de brieven der koningen aangaande de heilige geschenken.

2 MakkabeeŽn 2:16
Dewijl wij dan zullen houden het feest der reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.

2 MakkabeeŽn 2:18
Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen in deze heilige plaats.

2 MakkabeeŽn 2:19
Want hij heeft ons uit grote ellenden verlost en heeft deze plaats gereinigd.

2 MakkabeeŽn 2:24
Deze dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf boeken, zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten.

2 MakkabeeŽn 2:28
Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij nochtans gaarne deze moeite nemen.

2 MakkabeeŽn 3:2
Zo is het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke gaven verheerlijkten.

2 MakkabeeŽn 3:6
En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen in de macht van de koning.

2 MakkabeeŽn 3:9
Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in der waarheid waren.

2 MakkabeeŽn 3:18
En deze liepen met hopen uit de huizen naar het gemeen gebed, omdat deze plaats in verachting zou komen.

2 MakkabeeŽn 3:30
Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze, en beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap en vreugde.

2 MakkabeeŽn 3:34
En gij, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht Gods. En als zij deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.

2 MakkabeeŽn 4:19
Zond deze goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van AntiochiŽ waren, medebrengende driehonderd drachmen zilver tot een offerande van de afgod Herkules; waarvan die ze brachten nochtans baden, dat ze tot die offerande niet zouden gebruikt worden.

2 MakkabeeŽn 4:24
Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen, driehonderd talenten zilver meer daarvoor gevende dan Jason.

2 MakkabeeŽn 4:28
Want hij was gesteld om het geld van de schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,

2 MakkabeeŽn 4:30
En als deze dingen zo gesteld waren, is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven waren aan Antiochus, des konings bijwijf.

2 MakkabeeŽn 4:33
Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij AntiochiŽ.

2 MakkabeeŽn 4:38
En in zijn gemoed met gramschap ontstoken zijnde, heeft deze terstond Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.

2 MakkabeeŽn 4:42
Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.

2 MakkabeeŽn 4:43
En over deze zaken werd recht gehouden tegen MenelaŁs.

2 MakkabeeŽn 4:47
En heeft MenelaŁs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.

2 MakkabeeŽn 4:48
Zo hebben dan haastelijk een onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze beschuldiging aangebracht hadden.

2 MakkabeeŽn 5:11
De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.

2 MakkabeeŽn 5:18
Want ware het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, gelijk die Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze terstond, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn stoutheid afgekeerd geweest zijn.

2 MakkabeeŽn 5:23
En in Garizin Andronicus, en benevens deze MenelaŁs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers.

2 MakkabeeŽn 5:25
Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.

2 MakkabeeŽn 6:2
En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de tempel) te Garizin te noemen, (gelijk degenen, die in die plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius.

2 MakkabeeŽn 6:3
De invoering van deze boosheid was het volk bezwaarlijk en moeilijk.

2 MakkabeeŽn 6:9
En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen tot deze Griekse wijzen over te gaan, zouden gedood worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende.

2 MakkabeeŽn 6:11
En enige anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag.

2 MakkabeeŽn 6:12
Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding van ons geslacht.

2 MakkabeeŽn 6:19
Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats,

2 MakkabeeŽn 6:21
En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.

2 MakkabeeŽn 6:25
Zij ook door mijn veinzen, en door deze kleine en snel vergaande levenstijd, door mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom zou halen.

2 MakkabeeŽn 6:27
Waarom ik nu het leven moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen deze ouderdom waardig te zijn,

2 MakkabeeŽn 6:31
En op deze wijze is hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid, en tot een gedachtenis der deugd nalatende.

2 MakkabeeŽn 7:4
Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem het vel rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen, en dat de andere broeders en de moeder dit zouden aanzien.

2 MakkabeeŽn 7:7
En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees eten, eer dat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?

2 MakkabeeŽn 7:8
Doch hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zeide tot hen: Geenszins. Waarom deze ook dezelfde pijniging is aangedaan, gelijk de eerste.

2 MakkabeeŽn 7:10
Na deze werd ook de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die terstond uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;

2 MakkabeeŽn 7:12
Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte.

2 MakkabeeŽn 7:13
En als ook deze overleden was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.

2 MakkabeeŽn 7:15
Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zeide tot hem:

2 MakkabeeŽn 7:18
Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zeide hij: Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden deze dingen om ons zelfs wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied die verwondering waardig zijn.

2 MakkabeeŽn 7:24
Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een vermaning aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem terstond rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.

2 MakkabeeŽn 7:27
En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,

2 MakkabeeŽn 7:28
Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is.

2 MakkabeeŽn 7:29
Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat gij uwer broederen waardig zijt, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid u weder mag verkrijgen met uw broeders.

2 MakkabeeŽn 7:36
Want onze broeders, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar gij zult door het oordeel Gods rechtvaardige straffen van deze hovaardigheid wegdragen.

2 MakkabeeŽn 7:39
En de koning zeer gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft deze veel kwalijker bejegend dan de anderen.

2 MakkabeeŽn 7:40
En deze is dan zo rein gestorven, geheel op de Here vertrouwende.


1 - 500  [501 - 583]