Vindplaatsen van het woord door in de apocriefe geschriften (506 verzen; getoond worden vers 1 t/m 500):

3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

3 Ezra 1:27
Ik ben tegen u door God de Here niet uitgezonden, want mijn krijg is op de Eufraat; en nu, de Here is bij mij, en de Here is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Here.

3 Ezra 1:32
En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden zou door geheel het geslacht Israëls.

3 Ezra 1:33
Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen der koningen van Juda; en van elk der daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet des Heren. En hetgeen tevoren door hem gedaan was, en hetgeen nu geschied is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.

3 Ezra 1:47
En deed dat kwaad was voor de Here; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond des Heren.

3 Ezra 1:50
En de God hunner vaderen zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat hij hen zou verschonen, en zijn woning.

3 Ezra 1:57
En zij waren zijn en zijner kinderen dienstknechten, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden het woord des Heren, gesproken door de mond van Jeremia;

3 Ezra 2:1
ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;

3 Ezra 2:2
Zo verwekte de Here de geest van Cyrus, de koning der Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mede door schriften, zeggende:

3 Ezra 2:12
En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.

3 Ezra 2:15
En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.

3 Ezra 3:6
Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden vaten doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals;

3 Ezra 4:45
En gij hebt beloofd de tempel te bouwen, welke de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.

3 Ezra 4:46
En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geeist wordt. Ik bid dan dat gij de belofte volbrengt, die gij de Koning des hemels met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

3 Ezra 6:14
En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning Israëls, en is voltooid.

3 Ezra 6:24
In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen, waar men offeranden doen zou door gedurig vuur.

3 Ezra 7:1
TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest aan hetgeen door de koning Darius was verordineerd;

3 Ezra 7:4
En zij volbrachten die, door het bevel des Heren de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië.

3 Ezra 8:3
Deze Ezra trok henen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de Gods Israëls was gegeven.

3 Ezra 8:73
En tot mij zijn vergaderd allen die toen bewogen werden door het woord des Heren, de God Israëls, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.

3 Ezra 8:81
Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Here onze God, maar hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen der Perzen, om ons spijs te geven.

3 Ezra 8:83
En nu, Here, wat zullen wij zeggen, dewijl wij dit hebben? want wij hebben uw geboden overtreden, die gij ons gegeven hebt door de dienst uwer knechten de profeten, zeggende:

3 Ezra 8:84
Het land waarin gij komt om dat tot een erve te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken des lands bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.

3 Ezra 8:94
En nu, gans Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed geschieden voor de Here, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.

3 Ezra 9:3
En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen,

3 Ezra 9:39
En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester der wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Here, de God Israëls was gegeven.

4 Ezra 1:13
Ik heb u door de zee geleid, en in den beginne heb ik u vaste straten gemaakt. Mozes heb ik u tot een leidsman gegeven, en Aäron tot een priester.

4 Ezra 1:14
Ik heb u licht gegeven door een vuurkolom, en heb grote wonderen onder u gedaan; maar gij hebt mij vergeten, spreekt de Here.

4 Ezra 2:1
DIT zegt de Here: Ik heb dit volk uit de dienstbaarheid gevoerd, aan hetwelk ik bevelen gegeven heb door mijn knechten de profeten, die zij niet hebben willen horen, maar zij hebben mijn raad teniet gemaakt.

4 Ezra 3:19
En uw heerlijkheid ging door vier poorten, namelijk door het vuur, en de aardbeving, en de wind, en de vorst; opdat gij het zaad Jakobs, de wet gaaft, en het geslacht Israëls ijver.

4 Ezra 3:33
Welker loon nochtans nergens voorhanden is, en welker arbeid geen vrucht geeft. Want ik ben door de heidenen heen en weer getogen, en ik heb gezien dat zij overvloed hebben, en dat zij uw geboden niet gedenken.

4 Ezra 4:24
En waarom wij door de wereld zijn gegaan als sprinkhanen, en ons leven verbaasdheid is en vrees, en wij niet waardig zijn barmhartigheid te verkrijgen.

4 Ezra 4:47
En hij zeide tot mij: Sta aan de rechterzijde, en ik zal u de verklaring daarvan door een gelijkenis voorstellen.

4 Ezra 5:11
En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Neen.

4 Ezra 5:27
En uit alle vermenigvuldigde volken hebt gij u een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin gij lust hadt.

4 Ezra 5:30
En of gij schoon uw volk haattet, zo moest het door uw handen getuchtigd worden.

4 Ezra 5:47
En ik zeide: Zij kan toch niet, maar zij moet het door de tijd doen.

4 Ezra 5:56
En ik zeide: Ik bid u Here, indien ik genade in uw ogen gevonden heb, zo toon uw knecht door wie gij uw schepsel bezoekt.

4 Ezra 6:6
Toen heb ik alle dingen bedacht, en zij zijn door mij alleen en door geen ander gemaakt, en het einde zal door mij zijn, en door geen ander.

4 Ezra 6:32
Want uw stem is verhoord door de allerhoogste; want de Sterke heeft uw gezindheid gezien, en uw kuisheid, die gij van de jeugd aan hebt behouden.

4 Ezra 6:39
En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem des mensen was nog door u niet geschapen.

4 Ezra 6:42
De derde dag nu hebt gij de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel der aarde, doch zes delen hebt gij droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor u zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.

4 Ezra 6:48
Want dat stomme water zonder ziel, bracht gedierten voort, die God door één wenk bevolen had, opdat de volken daarin uw wonderen zouden verhalen.

4 Ezra 7:5
Want wie zou gaarne in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; indien hij niet door het enge ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen?

4 Ezra 7:14
Indien dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door hetgeen hier eng en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen hetgeen weggelegd is.

4 Ezra 7:69
En indien de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte der twistingen,

4 Ezra 8:12
Gij brengt hem op door uw gerechtigheid, en onderricht hem in uw wet en tuchtigt hem door uw wijsheid.

4 Ezra 8:14
Indien gij dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden worde hetgeen gemaakt is.

4 Ezra 8:43
Gelijk het zaad des landmans verloren gaat indien het niet opkomt, of uw regen intijds niet ontvangt, of indien het door de veelheid des regens verderft,

4 Ezra 8:44
Zo gaat ook desgelijks verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en zijt hem een evenbeeld genoemd, omdat gij hem gelijk zijt, om wie gij alle dingen hebt geschapen, en die gij het zaad des landmans gelijk gemaakt hebt.

4 Ezra 9:2
Dat gij dan zult verstaan, dat deze de tijd is, waarin de Allerhoogste zal beginnen te bezoeken de wereld, die door hem gemaakt is.

4 Ezra 9:7
En het zal geschieden dat een iegelijk, die behouden zal worden, en die door zijn werken zal kunnen ontvlieden, en door het geloof waarmee gij geloofd hebt,

4 Ezra 9:19
Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden dergenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden.

4 Ezra 10:28
Waar is Uriël de engel, die van den beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaadheid.

4 Ezra 11:40
En hetwelk, in de vierde plaats komende, al de dieren heeft overwonnen, die voorbij zijn, en door zijn heerschappij de wereld heeft ingehouden met grote vrees, en het ganse aardrijk met onbehoorlijke arbeid, en de aardbodem met zoveel bedrog heeft bewoond?

4 Ezra 12:11
De arend, die gij hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een gezicht gezien is door uw broeder Daniël;

4 Ezra 12:28
Want het zwaard des enen zal verslinden hem die met hem is, maar nochtans zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen.

4 Ezra 12:31
Gelijk gij ook een leeuw gezien hebt, die gij zaagt uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de arend, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die gij gehoord hebt.

4 Ezra 13:20
Maar nochtans, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste geschieden zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zeide tot mij:

4 Ezra 13:26
Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:38
Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken.

4 Ezra 13:43
Zij zijn dan daarin getogen door de enge ingangen van de rivier Eufraat.

4 Ezra 13:45
Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd.

4 Ezra 13:55
Gij hebt uw leven gericht door wijsheid, en hebt verstand genoemd uw moeder.

4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.

4 Ezra 14:21
Overmits uw wet verbrand is, en daarom weet niemand de dingen die door u gedaan zijn, noch de werken die geschieden zullen.

4 Ezra 15:19
De ene mens zal met de andere geen medelijden hebben, om hun huizen teniet te doen door het zwaard, en om hun goederen te roven, vanwege de honger naar brood, en de velerlei benauwdheid.

4 Ezra 15:35
En zij zullen tegen elkander stoten, en zullen vele sterren ter aarde werpen, en ook hun eigen sterren, en het bloed door het zwaard vergoten, zal tot de buik toe vloeien.

4 Ezra 15:41
Vuur en hagel, en vliegende zwaarden, en veel water, zodat al de velden, en al de beken door de menigte des waters vervuld zullen zijn.

4 Ezra 15:49
Ik zal ongeval over u brengen, weduwschap, armoede, en honger, en zwaard, en pest, opdat uw huizen verwoest worden door het geweld, en de dood,

4 Ezra 15:51
Gij zult verzwakt worden als een arme deerne, die geslagen en getuchtigd is door de vrouwen, zodat de machtigen, en de boelen, u niet zullen kunnen opnemen.

4 Ezra 15:57
En uw kinderen zullen van honger vergaan, en gij zult door het zwaard vallen, en uw steden zullen verdelgd worden, en al de uwen zullen in het veld door het zwaard vallen.

4 Ezra 15:58
En die op de bergen zijn, zullen van honger sterven, en zullen hun eigen vlees eten, en bloed drinken, door honger naar brood, en dorst naar water.

4 Ezra 16:13
Want zijn rechterhand, die de boog spant is sterk; zijn pijlen zijn scherp die door hem geschoten worden. Zij zullen niet ontbreken, wanneer ze zullen geschoten worden tegen de einden der aarde.

4 Ezra 16:16
Gelijk de pijl niet wederkeert, die door een sterk schutter is geschoten, zo zullen de ongevallen niet wederkeren, die over de aarde zijn gezonden.

4 Ezra 16:23
Want velen die op aarde wonen, zullen door hongersnood vergaan, en het zwaard zal de anderen verderven, die van de hongersnood zullen overgebleven zijn.

4 Ezra 16:33
En het land zal woest blijven, en zijn velden zullen verouderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doornen bewassen, omdat er geen mensen door hetzelve zullen gaan.

4 Ezra 16:35
Haar bruidegoms zullen in de krijg omkomen, en haar mannen zullen door honger verdwijnen.

4 Ezra 16:39
Gelijk een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, een uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeën door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo vertoeven zij niet een ogenblik;

4 Ezra 16:57
En door zijn woord zijn de sterren gefundeerd, en hij weet haar getal.

4 Ezra 16:59
Die de zee besloten heeft in het midden der wateren, en de aarde gehangen heeft op de wateren door zijn woord.

4 Ezra 16:74
Dan zal de beproeving mijner uitverkorenen openbaar worden, gelijk goud dat door vuur beproefd wordt.

4 Ezra 16:78
Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn gelijk een veld, dat omvangen wordt van een bos, en welks paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden.

Tobias (Tobit) 1:21
En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

Tobias (Tobit) 3:7
Even ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienstmaagden haars vaders.

Tobias (Tobit) 12:18
Dewijl ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door de wil van onze God; daarom looft hem in der eeuwigheid.

Tobias (Tobit) 12:19
Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.

Tobias (Tobit) 12:21
En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods, hoe de engel des Heren door hen gezien was.

Judith 2:6
Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, gij zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden uws heren overtreden, maar zult het gans volbrengen, gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen het te doen.

Judith 2:13
En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,

Judith 5:10
En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.

Judith 5:15
En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.

Judith 5:16
En door de Jordaan getrokken zijnde,

Judith 5:20
Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden.

Judith 5:21
En zijn gevankelijk weggevoerd in een vreemd land, en de tempel huns Gods is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.

Judith 7:10
En nu, heer, beoorloog hen niet gelijk in een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen komt, zullen zij nedergeveld worden op de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen.

Judith 7:14
En nu is er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten neergeveld worden door dorst en groot verderf.

Judith 8:24
Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.

Judith 8:28
Gijlieden zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke gij gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Here Israël door mijn hand bezoeken.

Judith 9:14
Breek hun hoogmoed door de hand ener vrouw.

Judith 10:16
Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het gehele leger, want haar aankomst werd ruchtbaar door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, gelijk zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en de een zeide tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zodanige vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, welke overgelaten zijnde het gehele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

Judith 11:5
Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning der gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn ganse huis leven.

Judith 11:15
En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat gij komt voor Jeruzalem.

Judith 11:21
En nu, gij zijt schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, indien gij dan zult doen gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor wonen, en gij zult vermaard zijn door het gehele land.

Judith 12:4
En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben hetgeen ik bij mij heb, of de Here zal door mijn hand gedaan hebben, hetgeen Hij heeft beraadslaagd.

Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.

Judith 13:12
En zij beiden gingen tezamen uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op de berg der stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten.

Judith 13:18
Looft God, looft Hem; looft God, die zijn barmhartigheid van het huis Israëls niet afwendt, maar hij heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht.

Judith 13:19
En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zeide tot hen: Ziet hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het leger der Assyriërs, en ziet hier, en ziet het behangsel onder hetwelk hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Here heeft hem geslagen door de hand ener vrouw.

Judith 15:11
Gij zijt de verhoging Israëls, gij zijt een grote heerlijkheid Israëls. Gij zijt een grote roem van ons geslacht. Gij hebt dit alles gedaan door uw hand. Gij hebt aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Zijt gezegend voor de Almachtige Here, ten eeuwigen tijde, en al het volk zeide: Het zij alzo!

Judith 16:6
Hij zeide, dat hij mijn landpalen zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven.

Judith 16:7
De Here, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de hand ener vrouw.

Judith 16:8
Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen der Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.

Judith 16:11
Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.

Judith 16:14
De zonen der jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.

Judith 16:21
Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.

Boek der Wijsheid 1:2
Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.

Boek der Wijsheid 1:12
Staat niet naar de dood door dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over u door werken uwer handen.

Boek der Wijsheid 2:2
Want bij geval zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn alsof wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de beweging van ons hart.

Boek der Wijsheid 2:24
Maar door des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven deze.

Boek der Wijsheid 4:10
Die God behaagd heeft, is door Hem bemind; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen.

Boek der Wijsheid 5:3
En berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.

Boek der Wijsheid 5:10
Gelijk een schip varende door de baren des waters, waarvan, als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg zijner reis door de baren.

Boek der Wijsheid 5:11
Of gelijk geen kenteken wordt gevonden van de reis des vogels, die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, gaat de slag der wieken door de lichte geslagen wind, die door de kracht des suizens gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken in hem van de doortocht.

Boek der Wijsheid 5:15
Want de hoop van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is.

Boek der Wijsheid 6:3
Want de heerschappij is u door de Here gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal.

Boek der Wijsheid 6:6
Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng onderzocht worden.

Boek der Wijsheid 6:12
Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.

Boek der Wijsheid 6:25
Laat u dan onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.

Boek der Wijsheid 7:11
En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar handen.

Boek der Wijsheid 7:23
Vriendelijk, vast, zeker, onbekommerd, die alles vermag, die op alles ziet, en die door alle verstandige, reine, allerfijnste geesten gaat.

Boek der Wijsheid 7:24
Want de wijsheid is bewegelijker dan alle beweging, vaart door, en gaat door alle dingen vanwege haar reinheid.

Boek der Wijsheid 8:10
Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de ouden.

Boek der Wijsheid 8:13
Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis degenen achterlaten, die na mij komen zullen.

Boek der Wijsheid 9:1
O God mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door uw woord,

Boek der Wijsheid 9:2
En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,

Boek der Wijsheid 9:11
Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.

Boek der Wijsheid 9:19
En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.

Boek der Wijsheid 10:3
Van welke de onrechtvaardige, afvallig geworden zijnde door zijn toorn, is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot zijns broeders moord.

Boek der Wijsheid 10:4
En als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout.

Boek der Wijsheid 10:5
Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.

Boek der Wijsheid 10:17
Zij heeft de heiligen gegeven loon der heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel des daags, en des nachts tot een vlam der sterren.

Boek der Wijsheid 10:18
Zij heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water.

Boek der Wijsheid 11:1
ZIJ heeft haar werken voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet.

Boek der Wijsheid 11:7
Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.

Boek der Wijsheid 11:9
Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd hadt.

Boek der Wijsheid 11:14
Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Here.

Boek der Wijsheid 11:21
Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.

Boek der Wijsheid 11:26
En hoe zou er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?

Boek der Wijsheid 12:6
En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.

Boek der Wijsheid 12:9
Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.

Boek der Wijsheid 12:19
Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.

Boek der Wijsheid 12:23
Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.

Boek der Wijsheid 12:26
Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel Gods beproeven, als zij waardig zijn.

Boek der Wijsheid 12:27
Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.

Boek der Wijsheid 13:1
VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking zijner werken de werkmeester erkend.

Boek der Wijsheid 13:7
Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn.

Boek der Wijsheid 13:13
En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.

Boek der Wijsheid 14:5
Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de baren, worden door een schip behouden.

Boek der Wijsheid 14:6
Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand.

Boek der Wijsheid 14:7
Want gezegend is het hout, door hetwelk gerechtigheid geschiedt.

Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.

Boek der Wijsheid 14:16
Daarna deze goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd geworden.

Boek der Wijsheid 14:19
Want deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.

Boek der Wijsheid 14:20
En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield die voor God, welke weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden.

Boek der Wijsheid 14:24
Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander om door list, òf doet hem smart aan door overspel.

Boek der Wijsheid 16:1
DAAROM zijn zij door dergelijke billijk geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd geweest.

Boek der Wijsheid 16:5
Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,

Boek der Wijsheid 16:7
Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.

Boek der Wijsheid 16:11
Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw weldadigheid.

Boek der Wijsheid 16:14
En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen is.

Boek der Wijsheid 16:16
Want de goddelozen weigerende u te kennen, zijn door uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende.

Boek der Wijsheid 16:18
Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven werden.

Boek der Wijsheid 16:27
Want hetgeen van het vuur niet verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der zon.

Boek der Wijsheid 17:3
Want menende te schuilen in hun heimelijke zonden, onder een donker deksel der vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk verbaasd, door spokerijen zeer beroerd zijnde.

Boek der Wijsheid 17:9
Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde vervaard door het ontmoeten der beesten en schuifelen der kruipende dieren.

Boek der Wijsheid 17:11
Want de boosheid is een vervaard ding, veroordeeld door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste.

Boek der Wijsheid 17:15
Werden eensdeels door de wonderlijke spokerijen gedreven en anderdeels bezweken zij door begeven hunner ziel: want een snelle en onverwachte vrees overkwam hun.

Boek der Wijsheid 18:4
Want zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden gehouden, die uw kinderen gevankelijk ingesloten hielden door welke het onverderfelijke licht uwer wet aan de wereld zou gegeven worden.

Boek der Wijsheid 18:21
Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.

Boek der Wijsheid 18:22
En hij overwon de verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaderen opgericht.

Boek der Wijsheid 19:11
En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen, toen zij door lust gedreven zijnde lekkere spijs begeerden.

Boek der Wijsheid 19:17
Want de elementen worden gevoegelijk door zichzelf veranderd, gelijk in een snarenspel de tonen de naam van de melodie veranderen, blijvende altijd in hun weerklank, hetwelk men afleiden kan uit een naarstig opmerken der dingen die geschied zijn.

Jezus Sirach 2:12
Of wie is in zijn vreze gebleven en verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en is door hem veracht?

Jezus Sirach 3:19
Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename mensen bemind worden.

Jezus Sirach 3:22
Want de macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen geëerd.

Jezus Sirach 3:31
Het water blust het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent men de zonden.

Jezus Sirach 4:19
Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten;

Jezus Sirach 4:20
En zij zal wederom tot hem keren door een rechte weg en hem verheugen;

Jezus Sirach 7:15
Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is.

Jezus Sirach 7:28
Gedenk dat gij door hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?

Jezus Sirach 8:9
Veracht niet hetgeen door de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.

Jezus Sirach 8:18
Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.

Jezus Sirach 8:19
Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neder werpen.

Jezus Sirach 9:9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de armen.

Jezus Sirach 9:21
Door de hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een wijs voorganger des volks, door zijn woord.

Jezus Sirach 10:3
Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand der machtigen bewoond worden.

Jezus Sirach 10:6
Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken.

Jezus Sirach 10:8
Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as?

Jezus Sirach 10:31
Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar waardigheid.

Jezus Sirach 11:18
Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon.

Jezus Sirach 11:35
Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen goederen ontvreemden.

Jezus Sirach 13:9
Wacht u dat gij niet verleid wordt door uw gedachten,

Jezus Sirach 14:23
Wie door haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,

Jezus Sirach 16:8
Hij is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht hunner dwaasheid.

Jezus Sirach 16:11
En alzo heeft de Here zeshonderd duizend mannen te voet, welke tezamen vergaderd waren in de hardigheid hunner harten, door ontferming en kastijding behouden, geselende, ontfermende, slaande, genezende; indien dan een hardnekkige zou zijn onder het volk, het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.

Jezus Sirach 16:18
Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.

Jezus Sirach 16:19
De bergen en de fundamenten der aarde worden tegelijk geschud onder elkander door beving, als de Here daarop ziet.

Jezus Sirach 16:26
Want door des Heren oordeel zijn zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder scheiden.

Jezus Sirach 16:27
Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een heeft zijn naaste verdrukt;

Jezus Sirach 18:2
De Here is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen zijn zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning aller dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin hetgeen heilig is van het onheilige.

Jezus Sirach 18:21
Verneder u door matigheid, eer gij ziek wordt, en bewijs in de tijd der zonden uw bekering.

Jezus Sirach 20:18
Het is beter op een vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen haastig komen.

Jezus Sirach 20:22
Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt.

Jezus Sirach 20:27
Een wijze bevordert zichzelf door woorden, en een voorzichtig mens behaagt de groten.

Jezus Sirach 22:19
Gelijk een houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.

Jezus Sirach 23:17
Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.

Jezus Sirach 25:1
DOOR drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor de Here, ja voor de Here en de mensen.

Jezus Sirach 25:2
Door eendracht der broederen en vriendschap des naasten, en wanneer man en vrouw zich tezamen verdragen.

Jezus Sirach 26:27
Een vrouw, die haar eigen man eert, zal door allen voor wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal van allen gekend worden, dat zij door hovaardigheid goddeloos is.

Jezus Sirach 28:20
Velen zijn gevallen door de scherpte des zwaards, doch niet zo velen als er gevallen zijn door de tong.

Jezus Sirach 28:21
Zalig is bij die voor haar beschermd is, die door haar gramschap niet is gegaan;

Jezus Sirach 28:25
Zij zal over de godvrezenden gans geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden.

Jezus Sirach 30:19
Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.

Jezus Sirach 30:21
Begeef uw ziel niet tot droefheid, en kwel uzelf niet door uw eigen raad.

Jezus Sirach 31:23
En zo gij met kost overladen zijt, sta op midden door heengaande; geef over, en gij zult weder rust hebben.

Jezus Sirach 31:29
De oven beproeft hetgeen door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als zij dronken zijn.

Jezus Sirach 31:33
Maar veel wijn gedronken veroorzaakt bitterheid der ziel door twist en ongeval.

Jezus Sirach 33:11
Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd.

Jezus Sirach 33:16
En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.

Jezus Sirach 33:25
Doe hem werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem de handen ledig zijn, en hij zal vrijheid zoeken.

Jezus Sirach 33:30
Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.

Jezus Sirach 34:6
Indien ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.

Jezus Sirach 34:20
De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der slachtoffers niet verzoend.

Jezus Sirach 35:18
Het gebed des nederigen gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen is, en laat niet af totdat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige zal oordelen en recht doen.

Jezus Sirach 36:11
Die behouden is geweest, wordt door een vurige toorn verslonden, en die uw volk kwellen, laat die het verderf vinden.

Jezus Sirach 37:22
Want hem is door de Here die genade niet gegeven, dewijl hij van alle wijsheid beroofd is.

Jezus Sirach 37:31
Want door veel spijs komt ziekte, en de onverzadelijkheid nadert tot buikpijn.

Jezus Sirach 37:32
Door de onverzadelijkheid zijn er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn leven verlengen.

Jezus Sirach 38:2
Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geëerd.

Jezus Sirach 38:5
Is het water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?

Jezus Sirach 38:7
Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid weg.

Jezus Sirach 38:25
De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.

Jezus Sirach 39:21
Door zijn woord stond het water gelijk een hoop, en door het woord van zijn mond de boezem der wateren.

Jezus Sirach 39:32
Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen zijn, en door hun gramschap bevestigt God hun geselen, als de tijd voleindigd is, dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen de gramschap desgenen die ze gemaakt heeft.

Jezus Sirach 40:7
Hij wordt ontroerd door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.

Jezus Sirach 41:5
Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.

Jezus Sirach 41:20
Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.

Jezus Sirach 42:21
De Here, de Almachtige heeft de gehele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door zijn heerlijkheid.

Jezus Sirach 42:26
Hij heeft de heerlijke werken door zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en in der eeuwigheid.

Jezus Sirach 43:5
De Here is groot, die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft doen stilstaan.

Jezus Sirach 43:11
Door de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht.

Jezus Sirach 43:14
Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden, en verhaast de bliksem zijns oordeels.

Jezus Sirach 43:16
Door zijn grote heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen worden verbroken.

Jezus Sirach 43:17
De stem van zijn donder brengt de aarde in barensnood, en door zijn aanschouwen worden de bergen bewogen.

Jezus Sirach 43:18
Door zijn wil blaast de zuidenwind, en de buiige noorden wind, en de wervelwind.

Jezus Sirach 43:24
Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt ze.

Jezus Sirach 43:25
Door de raad des Heren staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden geplant.

Jezus Sirach 43:28
Door hem is zijn bode voorspoedig, en door zijn woord bestaan al die dingen.

Jezus Sirach 44:2
De Here heeft door hen voor zijn majesteit veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af.

Jezus Sirach 44:19
Daarom geschiedde de zondvloed, en eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de zond vloed zou verdelgd worden.

Jezus Sirach 45:1
NAMELIJK Mozes, door God en de mensen bemind, wiens gedachtenis is in zegening.

Jezus Sirach 45:2
Hij heeft hem der heiligen heerlijkheid gelijk gemaakt, en heeft hem door de vrees der vijanden groot gemaakt; door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht der koningen.

Jezus Sirach 45:4
Door zijn geloof en zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren.

Jezus Sirach 45:21
Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en macht in de inzet tingen der rechten, om Jakob zijn getuigenissen te leren, en Israël door zijn wet te verlichten.

Jezus Sirach 45:24
Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door het vlammig vuur.

Jezus Sirach 46:5
En is de zon niet door zijn hand achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?

Jezus Sirach 46:6
Hij riep de Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte, en de grote Here verhoorde hem, en hielp door geweldige sterke hagelstenen.

Jezus Sirach 46:14
Dat hun gebeente wederom spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders.

Jezus Sirach 46:17
Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een profeet, en is bekend geworden door zijn woord.

Jezus Sirach 46:19
En de Here donderde van de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord werd door de grote weerklank des donders;

Jezus Sirach 47:14
Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.

Jezus Sirach 47:26
En Salomo rustte met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad.

Jezus Sirach 48:2
Welke over hen bracht een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.

Jezus Sirach 48:3
Door het woord des Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal vuur uit de hemel nederkomen. Hoe zijt gij verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden!

Jezus Sirach 48:5
Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord des Allerhoogsten.

Jezus Sirach 48:9
Gij, die opgenomen zijt geweest door een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden.

Jezus Sirach 48:13
Elia is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.

Jezus Sirach 48:16
Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de ganse aarde.

Jezus Sirach 48:23
En de heilige uit de hemel verhoorde hen, en verloste hen door de hand van Jesaja.

Jezus Sirach 48:27
Hij zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in Sion.

Jezus Sirach 49:1
DE gedachtenis van Josia, is als een tezamen gemengd reukwerk, toebereid door de kunst van de apotheker.

Jezus Sirach 49:8
Die hebben de uitverkoren, heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door de hand van Jeremia.

Jezus Sirach 49:18
Een steunsel des volks, en zijn gebeenten zijn bezocht door de Here.

Jezus Sirach 50:5
Gij hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, gij zijt verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.

Jezus Sirach 51:7
Uit de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.

Jezus Sirach 51:17
Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed.

Jezus Sirach 51:22
En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.

Baruch 1:20
En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze dag is.

Baruch 2:20
Want gij hebt uw toorn en gramschap over ons gebracht, gelijk als gij gesproken hebt door de dienst uwer knechten, de profeten zeggende:

Baruch 2:24
Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door de dienst uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen zouden gebracht worden uit hun plaats.

Baruch 2:25
Ziet, zij zijn uitgeworpen voor de hitte des daags en voor de koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering.

Baruch 2:28
Gelijkerwijs gij gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de kinderen Israëls, zeggende:

Baruch 3:32
Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.

Baruch 3:37
Hij heeft al de weg der wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem bemind geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mede verkeerd.

Baruch 4:24
Want gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien hebben, zo zullen zij haast zien uw verlossing door onze God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.

Baruch 4:26
Mijn tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd is.

Baruch 4:35
Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond worden, een lange tijd.

Baruch 4:37
Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.

Baruch 5:1
JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid.

Baruch 5:2
Doe om de rok der gerechtigheid, die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband der heerlijkheid van de eeuwige.

Baruch 5:4
Want uw naam zal door God in der eeuwigheid genoemd worden, namelijk vrede der gerechtigheid en heerlijkheid, lof der Godzaligheid.

Baruch 5:5
Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de opgang, door het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner weder gedacht heeft.

Baruch 5:6
Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden; maar God brengt die weder tot u in, opgenomen in heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.

Baruch 5:8
En de bossen, en alle welriekende bomen, zullen Israël beschaduwen, door Gods bevel.

Baruch 5:9
Want God zal Israël uitvoeren met vreugde door het licht zijner heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem komt.

Baruch 6:9
Somwijlen ook onttrekken de priesters het goud en zilver hun goden, en brengen het door voor zichzelf;

Baruch 6:46
En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?

Baruch 6:61
En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen hetgeen bevolen is.

Esther (apocr.) 10:13
Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag der maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk.

Esther (apocr.) 11:5
En door hun stem werden alle volken ten krijg bereid, om het volk der rechtvaardigen te beoorlogen;

Esther (apocr.) 13:3
Als ik nu mijn raadsheren vroeg hoe zulks zou mogen tot een goed einde gebracht worden, zo heeft Haman, die bij ons in voorzichtigheid uitmunt, en door zijn onveranderlijke goedwilligheid en standvastige getrouwheid beproefd is, en de tweede plaats van eer in onze koninkrijken verkregen heeft, ons vertoond,

Esther (apocr.) 13:5
Dewijl wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het onzer zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt;

Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.

Esther (apocr.) 13:7
Opdat zij, die eertijds vijandelijk gezind waren, en nu nog zijn, op een dag door geweld in het graf gekomen zijnde, onze zaken tegen de toekomende tijd in volmaakte welstand en stilheid mogen laten.

Esther (apocr.) 14:14
Verlos ons door uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan u, Here.

Esther (apocr.) 16:2
Velen, die door de meeste goedertierenheid van hun weldoeners, dikwijls zijn geëerd geworden, hebben zich daarover verhovaardigd;

Esther (apocr.) 16:4
En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht der ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvlieden.

Esther (apocr.) 16:5
Menigmaal geschiedt het ook, dat velen dergenen die in macht zijn gesteld, en welke betrouwd is de zaken der vrienden te verrichten, door hun raad deze willende stellen tot metgezellen van onnozel bloedvergieten, in ongeneeslijke zwarigheden zichzelf hebben ingewikkeld.

Esther (apocr.) 16:6
Omdat zij door hun boze, leugenachtige aard de eenvoudige goedwilligheid hunner beren met valse schijnredenen bedriegen.

Esther (apocr.) 16:7
Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historien, gelijk wij verhaald hebben, als wel uit hetgeen ons voor de voeten is, zo gij onderzoekt hetgeen onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid dergenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt.

Esther (apocr.) 16:11
En dat hij door allen aangebeden werd, en wij hem lieten blijven de tweede persoon van ons koninkrijk.

Esther (apocr.) 16:13
En Mordechai, die ons altijd een behoeder en weldoener is, en de onberispelijke metgezellin van ons koninkrijk Esther met haar gehele volk, door veelvuldige en bedriegelijke listen tot verderf te brengen.

Esther (apocr.) 16:15
Doch wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden;

Esther (apocr.) 16:17
Gij zult dan weldoen, dat gij de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt.

Esther (apocr.) 16:18
Omdat hij, die zulks teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn gehele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, gelijk hij waardig was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen.

Esther (apocr.) 16:24
Doch alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur gans verdelgd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogelen voor altijd vijand gemaakt worden.

Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:35
En neem uw barmhartigheid niet van ons, om Abrahams wil, die door u geliefd is, en om Izaäk uws knechts wil, en om Israël uws heiligen wil;

Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

Susanna (Dan. 13) 1:26
Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar geschied was.

Susanna (Dan. 13) 1:27
Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.

Susanna (Dan. 13) 1:57
Alzo hebt gij de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:11
En kom morgen vroeg, en indien gij niet vindt dat alles door Bel opgegeten is, zo zullen wij sterven, of Daniël zal sterven die tegen ons heeft gelogen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:12
Zij nu verachtten dit, omdat zij een heimelijke toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:35
Toen vatte de engel des Heren hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van zijn Geest.

Gebed van Manasse 1:3
Die de zee verzegeld hebt met uw gebiedend woord, en de afgrond besloten en verzegeld hebt door uw schrikkelijke en heerlijke naam.

Gebed van Manasse 1:7
Gij, Here, die naar de grootte uwer goedheid hebt beloofd, dat het u berouwen zal, en dat gij vergeven zult degenen die tegen u hebben gezondigd, en door de menigte van uw ontfermingen, naar uw besluit, geeft gij de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid.

1 Makkabeeën 1:47
En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten des lands;

1 Makkabeeën 1:52
Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.

1 Makkabeeën 1:61
En waar bij iemand gevonden werd het boek des verbonds, en zo iemand de wet toestond, die doodden zij naar het bevel des konings, door hun geweld.

1 Makkabeeën 2:9
De heerlijke vaten zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood in haar straten, en haar jongelingen door het zwaard des vijands.

1 Makkabeeën 3:6
Zodat de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid tezamen beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis door zijn hand.

1 Makkabeeën 3:18
En Judas zeide: Het is licht dat velen besloten worden in de handen van weinigen, en daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door velen of door weinigen.

1 Makkabeeën 3:20
Dezen komen tegen ons, om door een menigte van smaadheid en ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven.

1 Makkabeeën 3:23
Als hij ophield met spreken, zo viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem vermorzeld.

1 Makkabeeën 3:36
En dat hij vreemde kinderen zou doen wonen in al hun landpalen, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven.

1 Makkabeeën 4:30
En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.

1 Makkabeeën 4:32
Geef hun versaagdheid, en doe de stoutheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling.

1 Makkabeeën 4:33
Werp hen terneder door het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen, die uw naam kennen, u loven met lofzangen.

1 Makkabeeën 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 Makkabeeën 5:50
Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal ulieden enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet daardoor gaan; doch zij wilden hem niet opendoen.

1 Makkabeeën 5:52
En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en heeft de stad gans uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan.

1 Makkabeeën 5:62
Doch zij waren niet van het zaad van die mannen, door welker hand Israël behoudenis is gegeven.

1 Makkabeeën 5:66
En heeft haar sterkte vernield, en al haar torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken in het land der vreemdelingen, en trok door Samaria.

1 Makkabeeën 6:23
Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.

1 Makkabeeën 6:31
En zij kwamen door Idumeä, en legerden zich tegen Bethsura, hetwelk zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.

1 Makkabeeën 7:30
En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.

1 Makkabeeën 7:38
Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.

1 Makkabeeën 7:41
Eertijds als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.

1 Makkabeeën 7:46
En uit alle vlekken van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.

1 Makkabeeën 8:3
En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en lankmoedigheid, hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren.

1 Makkabeeën 8:6
En onder dezen Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk, en dat die ook door hen was vermorzeld.

1 Makkabeeën 8:9
En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan,

1 Makkabeeën 9:15
En de rechtervleugel werd geslagen door dezen, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe.

1 Makkabeeën 9:68
En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.

1 Makkabeeën 10:53
En tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;

1 Makkabeeën 10:78
En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.

1 Makkabeeën 10:82
En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door hem geslagen en zij vloden;

1 Makkabeeën 11:18
En de koning Ptolomeüs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.

1 Makkabeeën 11:46
En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de stad.

1 Makkabeeën 11:59
En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.

1 Makkabeeën 12:7
Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, gelijk het afschrift hier onder gesteld bewijst,

1 Makkabeeën 12:32
En optrekkende, kwam hij naar Damaskus, en trok door het ganse land.

1 Makkabeeën 13:21
En die in de burcht waren zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen door de woestijn, en hun proviand toezenden.

1 Makkabeeën 13:29
En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op de zee varen.

1 Makkabeeën 14:40
Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan waren.

1 Makkabeeën 14:42
Dat hij hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden die over het land en over de wapenen en over de sterkten opzicht zouden hebben.

1 Makkabeeën 14:43
Dat bij ook zou verzorgen hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.

1 Makkabeeën 14:46
En het werd goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou doen.

1 Makkabeeën 15:17
De gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap der wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het volk der Joden;

1 Makkabeeën 15:33
En Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed niet bemachtigd, maar de erve onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk bij zekere gelegenheid bemachtigd was.

1 Makkabeeën 16:2
En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls verlost hebben.

1 Makkabeeën 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

2 Makkabeeën 1:11
Uit grote gevaren door God verlost zijnde, danken wij hem grotelijks alsof wij tegen de koning hadden gestreden.

2 Makkabeeën 1:13
Want de overste, komende in Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk scheen te wezen, zijn geslagen in de tempel van Nanea, door de bedriegelijke woorden, die de priesters van Nanea gebruikten.

2 Makkabeeën 1:16
En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur des gewelfs, en werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren.

2 Makkabeeën 1:20
En als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia, gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen der priesters, die het verborgen hadden, gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, maar dik water,

2 Makkabeeën 1:36
En Nehemia noemde het Neftar, hetwelk overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog genoemd Neftar.

2 Makkabeeën 2:4
En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag.

2 Makkabeeën 2:14
Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.

2 Makkabeeën 2:18
Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen in deze heilige plaats.

2 Makkabeeën 2:23
En dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard is, weder door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid hun genadig was geworden;

2 Makkabeeën 2:24
Deze dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf boeken, zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten.

2 Makkabeeën 3:9
Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in der waarheid waren.

2 Makkabeeën 3:12
En dat men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben op de heiligheid der plaats, en op de eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die door de gehele wereld geëerd is, en dat derhalve zulks gans ondoenlijk ware.

2 Makkabeeën 3:24
Zo heeft de prins der geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar tezamen te komen, door de kracht Gods verslagen zijnde, bezweken en in vrees nedervielen.

2 Makkabeeën 3:25
Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.

2 Makkabeeën 3:29
En hij lag daar, door de Goddelijke kracht, zonder spraak, en verstoken van alle hoop en behoudenis.

2 Makkabeeën 3:32
En de hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven ware, heeft voor des mans gezondheid offerande gedaan.

2 Makkabeeën 4:3
En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden;

2 Makkabeeën 4:9
En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig talenten te zullen aanschrijven, indien hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië.

2 Makkabeeën 4:11
En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd.

2 Makkabeeën 4:22
En zeer heerlijk door Jason en de ganse stad ontvangen, en met toortsen en gejuich ingehaald zijnde, zo is hij daarna met zijn krijgsvolk getrokken naar Fenicië.

2 Makkabeeën 4:26
En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog uitgeworpen had door een ander weder met bedrog uitgeworpen zijnde, gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis.

2 Makkabeeën 4:28
Want hij was gesteld om het geld van de schatting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,

2 Makkabeeën 4:38
En in zijn gemoed met gramschap ontstoken zijnde, heeft deze terstond Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.

2 Makkabeeën 4:39
En als door Lysimachus vele kerkroverijen in de stad geschiedden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, nadat weder veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht was.

2 Makkabeeën 4:40
En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.

2 Makkabeeën 4:44
En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem.

2 Makkabeeën 4:50
En Menelaüs bleef door de gierigheid dergenen die de macht hadden, in het opperste gezag, toenemende in boosheid, en is geworden een groot verrader der burgers.

2 Makkabeeën 5:2
En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden;

2 Makkabeeën 5:8
Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.

2 Makkabeeën 5:16
En met zijn onreine handen de heilige vaten nemende, en wat door andere koningen tot vermeerdering, heerlijkheid en eer der plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende,

2 Makkabeeën 5:20
En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weder door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid opgericht.

2 Makkabeeën 5:21
Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd talenten weggenomen, is haastig vertrokken naar Antiochië, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan, door de hovaardigheid van zijn hart.

2 Makkabeeën 5:26
En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.

2 Makkabeeën 6:7
En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen, om des konings geboortedag alle maanden te houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest om te gaan.

2 Makkabeeën 6:8
En in de naburige Griekse steden, is door bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten, de afgoden opgeofferd.

2 Makkabeeën 6:10
Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, welke zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.

2 Makkabeeën 6:17
Doch dit zij door ons gezegd tot vermaning, en wij zullen met weinige woorden wederkomen tot ons verhaal.

2 Makkabeeën 6:21
En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.

2 Makkabeeën 6:25
Zij ook door mijn veinzen, en door deze kleine en snel vergaande levenstijd, door mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom zou halen.

2 Makkabeeën 6:30
En als hij nu door de slagen sterven zou, zeide hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap heeft, is bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware pijnen in mijn lichaam verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, om zijner vreze wil.

2 Makkabeeën 7:1
Het gebeurde ook dat zeven broeders, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, hetwelk ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen.

2 Makkabeeën 7:30
En als zij nog sprak, zo zeide de jongeling: Wat verwacht gij nog? Ik zal des konings gebod niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam zijn het gebod der wet, die onze vaderen gegeven is door Mozes.

2 Makkabeeën 7:36
Want onze broeders, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar gij zult door het oordeel Gods rechtvaardige straffen van deze hovaardigheid wegdragen.

2 Makkabeeën 7:37
En ik, gelijk als mijn broeders, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten der vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen en geselen moogt bekennen dat bij alleen God is;

2 Makkabeeën 8:2
En riepen de Here aan, dat hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was;

2 Makkabeeën 8:14
En anderen verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, eer zij bijeenkwamen, verkocht waren;

2 Makkabeeën 8:17
En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking der regering, die hij hun voorouders geweest was.

2 Makkabeeën 8:20
En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.

2 Makkabeeën 8:23
En als hij hun voorgelezen had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde met Nicanor slag.

2 Makkabeeën 8:25
En kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd hen vervolgd hebbende kwamen zij weder, daar zij door de tijd belet waren.

2 Makkabeeën 8:35
Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.

2 Makkabeeën 8:36
En hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.

2 Makkabeeën 9:2
Want als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.

2 Makkabeeën 9:11
Hier begon hij dan, zo verwond zijnde, van de grootheid zijns hoogmoeds terug te komen, en door deze Goddelijke geseling tot kennis te komen, alle ogenblikken zwaarder met pijnen aangetast wordende.

2 Makkabeeën 9:17
En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.

2 Makkabeeën 9:28
Zo heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.

2 Makkabeeën 10:2
En hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel der afgoden weggenomen.

2 Makkabeeën 10:4
Dit gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende, dat zij niet weder mochten vallen in zodanige zwarigheden, maar indien zij ook te eniger tijd kwamen te zondigen, dat zij door hem met goedertierenheid mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven worden.

2 Makkabeeën 10:5
En het gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd is geweest de reiniging van de tempel geschiedde, namelijk op de vijfentwintigste der maand, die Chasleu is.

2 Makkabeeën 10:8
En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse volk der Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden.

2 Makkabeeën 10:13
Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten. had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.

2 Makkabeeën 10:20
Maar die met Simon waren, geldgierig zijnde, lieten zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, en zevenduizend drachmen ontvangen hebbende, lieten toe dat enigen ontkwamen.

2 Makkabeeën 10:23
En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee sterkten om meer dan twintigduizend mensen.

2 Makkabeeën 10:24
En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.

2 Makkabeeën 10:30
Dezen nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor ze door blindheid in verwarring gebracht zijnde, geslagen en met verbaasdheid vervuld werden.

2 Makkabeeën 10:35
En als de vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige jongelingen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.

2 Makkabeeën 11:17
Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen hetgeen daarin te kennen gegeven wordt.

2 Makkabeeën 12:3
En die van Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen met hen zouden gaan in enige schuiten door hen besteld, alsof daar geen vijandschap tegen hen ontstaan ware.

2 Makkabeeën 12:11
En als er een hevig gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.

2 Makkabeeën 12:16
En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.

2 Makkabeeën 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.

2 Makkabeeën 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.

2 Makkabeeën 13:17
En dit was geschied als de dag aanlichtte, door de bescherming des Heren, die hem hielp.

2 Makkabeeën 14:5
En gelegen tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren, geroepen zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen der Joden,

2 Makkabeeën 14:8
Eerstelijk omdat ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid dergenen, waarvan tevoren gesproken is, lijdt ons ganse geslacht geen kleine zwarigheid.

2 Makkabeeën 14:11
En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken.

2 Makkabeeën 14:18
Desgelijks Nicanor, horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag.

2 Makkabeeën 14:27
De koning zeer toornig geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs terstond gevangen zou zenden naar Antochië.

2 Makkabeeën 14:31
De andere nu, merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist bedrogen was, ging naar de grootste en heiligste tempel, als de priesters de behoorlijke offeranden opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.

2 Makkabeeën 14:43
En als hij, door al te grote haast van de strijd, de steek niet recht gegeven had, en de scharen door de deuren binnenvielen, zo liep hij kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de scharen,

2 Makkabeeën 14:45
En als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam met een loop door de scharen henen.

2 Makkabeeën 15:2
En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die eertijds met heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden,

2 Makkabeeën 15:17
Zij dan vermaand zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen manhaftig te maken, namen voor geen leger op te slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.

2 Makkabeeën 15:21
Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig te zijn.

2 Makkabeeën 15:24
Dat door de grootte van uw arm mogen geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen zijn tegen uw heilig volk. En met deze woorden heeft hij opgehouden te bidden.

3 Makkabeeën 1:1
Als de koning Filopator verstond van degenen die wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;

3 Makkabeeën 1:18
En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin tezamen gekomen waren, tegen hetgeen onheilig door hem onderstaan werd.

3 Makkabeeën 1:20
En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weder tot dezelfde plicht des gebeds.

3 Makkabeeën 2:2
O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.

3 Makkabeeën 2:5
Gij hebt de Sodomieten, toen zij allen hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.

3 Makkabeeën 2:11
Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door u voorbijgegaan.

3 Makkabeeën 2:14
Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in hunner tongen hoogmoed vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, gelijk de huizen der gruwelen vertreden worden.

3 Makkabeeën 2:16
Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid grotelijks verheven had, hem aan alle zijden slingerende gelijk het riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon, overmits hij door het rechtvaardig oordeel Gods geheel verstrikt was.

3 Makkabeeën 2:18
Maar als hij een wijle daarna weder tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.

3 Makkabeeën 3:3
Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.

3 Makkabeeën 3:8
Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief:

3 Makkabeeën 3:10
Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die gijlieden ook zelf weet, die door der goden onverhinderlijke bijstand naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen gaarne goed te doen.

3 Makkabeeën 3:12
Doch zij hebben wel met woorden onze tegenwoordigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer betamelijke en zeer schone geschenken te vereren, zo hebben zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid, ons verhinderd daarin te gaan.

3 Makkabeeën 3:15
Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos vele zaken door eenvoudigheid toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en verwaardigden met het burgerschap der burgers van Alexandrië.

3 Makkabeeën 3:16
Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen nederwerpen.

3 Makkabeeën 3:17
Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat dezen op alle manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.

3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.

3 Makkabeeën 4:6
Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.

3 Makkabeeën 4:7
En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen der bruiloft door niet jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.

3 Makkabeeën 4:9
Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.

3 Makkabeeën 5:1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.

3 Makkabeeën 5:6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.

3 Makkabeeën 5:7
En door de krachtige werking des Heren werd hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit werd hij grotelijks bedrogen.

3 Makkabeeën 5:10
En dit gedaan zijnde, vermaande hij hen zichzelf goed te verlustigen, en de tegenwoordige maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen.

3 Makkabeeën 5:18
Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.

3 Makkabeeën 5:20
Maar hij werd om dezer woorden wil vervuld met grote grimmigheid, overmits al zijn gedachten aangaande deze dingen, door Gods voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen.

3 Makkabeeën 5:26
Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te worden.

3 Makkabeeën 5:27
Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning der Joden, waren geschied,

3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.

3 Makkabeeën 6:7
Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller dingen, verschijn haastig degenen, die van het geslacht Israëls zijn, hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid aangedaan wordt.

3 Makkabeeën 6:11
Ontferm u onzer, wij die door het goddelozen, alsof wij verraders waren, worden.

3 Makkabeeën 6:25
Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.


1 - 500  [501 - 506]