Vindplaatsen van het woord degenen in de apocriefe geschriften (242 verzen):

3 Ezra 1:56
En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar BabyloniŽ.

3 Ezra 2:8
Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, wier geest God verwekte om op te trekken, en het huis des Heren te Jeruzalem te bouwen.

3 Ezra 2:15
En deze zijn wedergebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van BabyloniŽ te Jeruzalem kwamen.

3 Ezra 2:16
Doch ten tijde van Artaxerxes, de koning van PerziŽ, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen verordineerd waren, en te SamariŽ en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:

3 Ezra 2:31
En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van PerziŽ.

3 Ezra 3:1
EN Darius, koning zijnde, maakte een grote maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al de groten van MediŽ en PerziŽ;

3 Ezra 4:16
En zij hebben zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt.

3 Ezra 4:53
En dat al degenen, die van BabyloniŽ zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, beide zij en hun nakomelingen, met al de priesters die mede zouden opgaan.

3 Ezra 5:52
En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offeranden gelijk het betaamde en daarna gedurige offeranden, en offeranden der Sabbatten, en der nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, voor degenen die geheiligd waren.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en KadmiŽl zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 5:67
En zij verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Here de God IsraŽls.

3 Ezra 5:73
En de volken van dit land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te bouwen.

3 Ezra 8:26
En gij Ezra, naar de wijsheid Gods, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel SyriŽ en FeniciŽ, al degenen die de wet uws Gods verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.

3 Ezra 8:50
En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars des tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.

3 Ezra 8:51
En ik beval daar een vasten aan de jongelingen voor de Here: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee.

3 Ezra 8:53
Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte onzes Heren was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.

3 Ezra 8:95
Gelijk u zal goeddunken, en al degenen die de wet des Heren gehoorzaam zijn; sta op, en doe alzo.

3 Ezra 9:12
Doch dat de voorgangers der menigte staan, en al degenen die uit onze inwoners uitlandse vrouwen hebben;

4 Ezra 3:9
Daarentegen deedt gij mettertijd de zondvloed komen over degenen, die de wereld bewoonden, en gij verdierft ze.

4 Ezra 3:12
En het is geschied, toen degenen, die op aarde woonden begonnen te vermenigvuldigen, en vele kinderen verkregen, en tot vele volken en natiŽn werden, dat zij weder goddelozer werden dan de eersten.

4 Ezra 5:41
En ik sprak: Maar zie, Here, gij zijt nabij degenen, die tegen het einde zijn; wat zullen nu die doen, die voor mij geweest zijn, of wij, of die na ons zijn zullen?

4 Ezra 5:43
En ik antwoordde en zeide: Kondt gij niet maken, dat degenen die geweest zijn, en die nu zijn, en die nog zijn zullen, op eenmaal zouden zijn, opdat gij uw oordeel te spoediger vertoondet?

4 Ezra 5:48
Toen zeide hij: Ik heb ook de baarmoeder der aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden.

4 Ezra 5:52
Want gij zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die gij gebaard hebt, nu niet gelijk degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte?

4 Ezra 7:14
Indien dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door hetgeen hier eng en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen hetgeen weggelegd is.

4 Ezra 7:21
Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden.

4 Ezra 7:28
Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

4 Ezra 7:32
En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn.

4 Ezra 7:38
David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden.

4 Ezra 7:39
En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht;

4 Ezra 7:61
Dat de droefheid niet zou zijn tot hun verderf, gelijk de blijdschap toekomende is over degenen wie de zaligheid verzekerd is.

4 Ezra 7:64
En dat hij lankmoedig is; want hij bewijst lankmoedigheid aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen.

4 Ezra 7:66
En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst menigvuldige barmhartigheid degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen.

4 Ezra 7:67
Want zo hij zijn menigvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben.

4 Ezra 7:68
En hij vergeeft; want indien hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel der mensen niet levend gemaakt worden.

4 Ezra 7:69
En indien de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte der twistingen,

4 Ezra 8:26
En zie niet aan de misdaden uws volks, maar degenen, die u in waarheid dienen.

4 Ezra 8:27
En let niet op het goddeloze der heidenen, maar op degenen, die uw getuigenissen met smarten onderhouden.

4 Ezra 8:28
En gedenk niet aan degenen, die vals voor u hebben gewandeld, maar aan degenen die naar uw wil uw vreze bekend hebben.

4 Ezra 8:29
En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die uw wet heerlijk geleerd hebben.

4 Ezra 8:30
En vertoorn u niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, welke altijd op uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen.

4 Ezra 8:35
Want in der waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die u belijden, die niet misdaan heeft.

4 Ezra 8:36
Want daarin zal uw gerechtigheid en uw goedheid verkondigd worden, Here, wanneer gij u zult ontfermen over degenen, die het wezen der goede werken niet hebben.

4 Ezra 8:51
Maar gij, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn.

4 Ezra 9:18
Waarlijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand.

4 Ezra 10:23
En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten.

4 Ezra 11:31
En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee vederen die onder de vleugelen waren, welke heerschappij meenden te verkrijgen.

4 Ezra 11:34
Doch de twee hoofden waren nog over, welke op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen.

4 Ezra 12:24
En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden des arends genoemd.

4 Ezra 12:45
Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij weenden met luider stem.

4 Ezra 13:16
Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest.

4 Ezra 13:18
Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en hetgeen deze overkomen zal, mitsgaders ook degenen die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:26
Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn.

4 Ezra 13:29
Ziet, de dagen komen, wanneer de Allerhoogste zal beginnen te verlossen degenen, die op aarde zijn.

4 Ezra 13:30
En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen.

4 Ezra 13:52
Gelijk gij de dingen niet kondt doorgronden noch weten, die in de diepte der zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag.

4 Ezra 14:16
Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen.

4 Ezra 14:22
Indien ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van den beginne in de wereld geschied is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen.

4 Ezra 15:22
Mijn hand zal de zondaar niet verschonen, en mijn zwaard zal niet ophouden over degenen, die onschuldig bloed vergieten op aarde.

4 Ezra 15:26
Want de Here kent al degenen, die tegen hem zondigen, daarom heeft hij hen overgegeven ter dood en ter slachting.

4 Ezra 15:40
En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de gehele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten;

4 Ezra 15:45
En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben.

4 Ezra 16:31
Of gelijk aan een wijngaard, die afgeplukt is, sommige druiven alleen worden overgelaten, bij degenen, die de wijngaard naarstig doorzoeken.

4 Ezra 16:32
Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken.

4 Ezra 16:51
Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, welke verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde.

4 Ezra 16:71
Want van plaats tot plaats, en in de omliggende steden zal grote opstand zijn tegen degenen, die God vrezen.

4 Ezra 16:78
Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn gelijk een veld, dat omvangen wordt van een bos, en welks paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden.

Tobias (Tobit) 4:6
Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.

Tobias (Tobit) 4:12
Want aalmoes is een goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.

Judith 2:3
En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel zijns monds niet nagevolgd waren.

Judith 2:18
En een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnašn; en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem uitermate zeer.

Judith 4:6
Dewijl daardoor de ingang was naar Judea, en het licht was te beletten degenen die opklimmen zouden, daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkander.

Judith 5:4
En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen.

Judith 6:15
Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het aanschijn van degenen, die u geheiligd zijn.

Judith 8:20
Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Here, onze God, zal de ontheiliging derzelve van onze mond eisen, en hij zal de dood onzer broederen, en de gevangenis des lands, en de verwoesting onzer erve op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Here, onze God, zal ze tot oneer zetten.

Judith 8:24
Want gelijk hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over ons, maar de Here kastijdt degenen, die hem genaken, tot een waarschuwing.

Judith 11:20
En Holofernes zeide. tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden.

Judith 13:13
En Judith zeide van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doet open! doet toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in IsraŽl, en tegen de vijanden, gelijk hij ook heden gedaan heeft.

Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen IsraŽls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:19
Maar gij zult genadig zijn degenen die u vrezen, want alle offerande ten goeden reuk, is een klein ding voor u, en al het vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de Here vreest is altijd groot.

Boek der Wijsheid 1:2
Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.

Boek der Wijsheid 6:5
Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.

Boek der Wijsheid 6:12
Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.

Boek der Wijsheid 6:13
Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren gekend te worden.

Boek der Wijsheid 6:16
Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die harer waardig zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.

Boek der Wijsheid 8:13
Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis degenen achterlaten, die na mij komen zullen.

Boek der Wijsheid 10:9
Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost degenen die haar dienen.

Boek der Wijsheid 10:12
Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, die hem lagen legden, en in die sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven, opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is dan alles.

Boek der Wijsheid 10:14
En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven.

Boek der Wijsheid 11:3
Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.

Boek der Wijsheid 12:2
Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.

Boek der Wijsheid 12:14
Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.

Boek der Wijsheid 12:17
Want gij betoont sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die ze kennen.

Boek der Wijsheid 12:23
Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.

Boek der Wijsheid 14:15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.

Boek der Wijsheid 16:4
Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte overkwam, en dezen alleen getoond werd, hoe hun vijanden gepijnigd werden.

Boek der Wijsheid 16:24
Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen die u betrouwen.

Boek der Wijsheid 16:26
Opdat uw kinderen, welke gij lief hebt, Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen die u geloven.

Boek der Wijsheid 19:15
En zij plaagden met zware arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen hadden, en die nu reeds medegenoten waren van hun rechten.

Boek der Wijsheid 19:16
Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.

Jezus Sirach 1:9
En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben.

Jezus Sirach 1:18
De kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort spruiten vrede en volkomen gezondheid, en de roem verbreidt hem voor degenen, die hem liefhebben.

Jezus Sirach 3:7
Wie de Here vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben.

Jezus Sirach 4:12
De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken.

Jezus Sirach 7:36
Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.

Jezus Sirach 10:21
De hovaardigheid is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn.

Jezus Sirach 15:13
De Here haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen die hem vrezen.

Jezus Sirach 15:19
En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken des mensen.

Jezus Sirach 17:25
Hoe groot is de ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot hem bekeren.

Jezus Sirach 18:14
Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen.

Jezus Sirach 23:3
Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd worde, van welke de hoop van uw barmhartigheid verre is.

Jezus Sirach 24:38
Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.

Jezus Sirach 25:7
Hoe schoon staat de ouden wijsheid, en degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad!

Jezus Sirach 26:3
Een goede vrouw is een goed erf deel, en wordt tot een deel gegeven degenen, die de Here vrezen.

Jezus Sirach 26:23
Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren des doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.

Jezus Sirach 27:9
Het gevogelte nestelt bij zijns gelijken, en de waarheid komt weder tot degenen, die haar betrachten.

Jezus Sirach 27:10
Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid werken.

Jezus Sirach 28:10
Een zondaar ontroert vrienden, en onder degenen die vrede hebben, werpt hij laster in.

Jezus Sirach 31:7
Het is een hout des aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen.

Jezus Sirach 33:17
Merkt dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken.

Jezus Sirach 34:17
De ogen des Heren zien op degenen die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val.

Jezus Sirach 36:17
Geef getuigenis degenen die van den beginne af uw bezittingen zijn, en verwek profeten in uw naam.

Jezus Sirach 36:18
Geef loon degenen die u verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.

Jezus Sirach 37:7
Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden.

Jezus Sirach 37:11
Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die u benijden;

Jezus Sirach 40:13
Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd; gelijk degenen die overtreden, verdelgd worden tot het uiterste.

Jezus Sirach 41:5
Vrees het oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.

Jezus Sirach 48:27
Hij zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in Sion.

Jezus Sirach 51:3
En van de strik der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.

Jezus Sirach 51:11
Dat gij degenen die lijdzaam verbeiden uithelpt, en hen verlost uit de hand der vijanden.

Baruch 3:11
Gij zijt verouderd geworden in een vreemd land, gij zijt verontreinigd geworden onder de doden, gij zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.

Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.

Esther (apocr.) 14:11
Geef, Here, uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.

Esther (apocr.) 14:13
Geef mij bekwame rede in mijn mond om te spreken voor de leeuw, en wend zijn hart tot haat tegen hem, die ons bekrijgt; opdat hij teniet worde, en degenen die met hem eensgezind zijn.

Esther (apocr.) 16:1
DE grote koning Artaxerxes aan de honderdzevenentwintig Vorsten, gesteld over de landschappen, die van IndiŽ tot aan Morenland zijn, mitsgaders degenen, die onze zaken daar verzorgen, zij onze groet!

Esther (apocr.) 16:3
En zoeken niet alleen degenen, die ons onderdanig zijn, leed aan te doen, maar ook, hun weelde niet kunnende dragen, pogen zelfs hun weldoeners lagen te leggen.

Esther (apocr.) 16:20
En zult hun te zamen behulpzaam zijn, dat zij degenen, die in de tijd der verdrukking hen zullen overvallen, wreken mogen; namelijk op de dertiende dag der twaalfde maand, genoemd Adar, op dezelfde dag.

Esther (apocr.) 16:23
Opdat het beide, nu en hierna, ons wel ga, mitsgaders degenen, die de Perzen gunstig zijn, maar degenen, die ons lagen leggen, zij het een gedenkteken van ondergang.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:37
En DaniŽl zeide: Gij gedenkt mij dan Here, en verlaat niet degenen die u liefhebben!

Gebed van Manasse 1:7
Gij, Here, die naar de grootte uwer goedheid hebt beloofd, dat het u berouwen zal, en dat gij vergeven zult degenen die tegen u hebben gezondigd, en door de menigte van uw ontfermingen, naar uw besluit, geeft gij de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid.

1 MakkabeeŽn 1:29
En het land beefde over degenen die het bewoonden, en het ganse huis van Jakob deed smaad klederen aan.

1 MakkabeeŽn 1:41
En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar.

1 MakkabeeŽn 1:62
Zo deden zij aan IsraŽl, aan al degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de steden.

1 MakkabeeŽn 1:65
En zij hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden.

1 MakkabeeŽn 2:61
En overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden.

1 MakkabeeŽn 3:5
En hij, de goddelozen naarstig zoekende, vervolgde hen, en verbrandde degenen, die het volk beroerden;

1 MakkabeeŽn 3:9
Zijn naam werd verbreid tot het uiterste der aarde, en hij vergaderde degenen, die verloren gingen.

1 MakkabeeŽn 3:29
En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden, weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;

1 MakkabeeŽn 3:45
En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,

1 MakkabeeŽn 3:56
En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou wederkeren naar zijn huis, volgens de wet.

1 MakkabeeŽn 4:41
Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben.

1 MakkabeeŽn 6:18
Toen nu degenen die op de burcht waren, de IsraŽlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;

1 MakkabeeŽn 6:24
Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd;

1 MakkabeeŽn 6:49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.

1 MakkabeeŽn 7:41
Eertijds als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.

1 MakkabeeŽn 8:1
En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.

1 MakkabeeŽn 8:13
En dat allen, die zij wilden helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren;

1 MakkabeeŽn 8:26
En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen.

1 MakkabeeŽn 9:14
En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden zich bij hem.

1 MakkabeeŽn 9:29
Van dat uw broeder Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.

1 MakkabeeŽn 9:44
En Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is heden niet gelijk gisteren en eergisteren.

1 MakkabeeŽn 10:7
En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.

1 MakkabeeŽn 10:14
Alleen in Bethsura zijn enigen overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.

1 MakkabeeŽn 10:87
En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.

1 MakkabeeŽn 11:18
En de koning PtolomeŁs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.

1 MakkabeeŽn 11:38
En daar was een zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar SimalkuŽ, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;

1 MakkabeeŽn 11:40
En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen IsraŽl.

1 MakkabeeŽn 11:72
Hetwelk ziende degenen, die van hem gevloden waren, keerden weder tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij legerden zich daar.

1 MakkabeeŽn 12:27
Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger.

1 MakkabeeŽn 12:51
En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.

1 MakkabeeŽn 13:11
En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.

1 MakkabeeŽn 13:37
De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.

1 MakkabeeŽn 15:4
En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, moge bekomen

2 MakkabeeŽn 1:12
Want hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden, van ons uitgedreven.

2 MakkabeeŽn 1:16
En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur des gewelfs, en werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren.

2 MakkabeeŽn 1:27
Vergader weder onze verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen; zie aan degenen, die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden worden; en laat de heidenen bekennen dat gij onze God zijt.

2 MakkabeeŽn 1:35
En degenen, wie hij gunstig was, heeft hij vele en verscheidene gaven genomen en medegedeeld.

2 MakkabeeŽn 2:1
Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, gelijk verklaard is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had;

2 MakkabeeŽn 2:22
En de verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het ganse land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben vervolgd;

2 MakkabeeŽn 2:25
Want wij, ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor degenen, die de historische verhalen te enen male willen doorlezen, om de menigte van de stof,

2 MakkabeeŽn 2:26
Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig vermaak te geven, en degenen die begerig zijn om wel te onthouden, enige hulp, en allen, wie dit boek zal voorkomen, enig nut toe te brengen.

2 MakkabeeŽn 3:12
En dat men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben op de heiligheid der plaats, en op de eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die door de gehele wereld geŽerd is, en dat derhalve zulks gans ondoenlijk ware.

2 MakkabeeŽn 3:15
En de priesters in hun priesterlijke klederen, wierpen zich neder voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,

2 MakkabeeŽn 3:17
Want vrees en verschrikking van het lichaam had de an bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.

2 MakkabeeŽn 3:22
Dezen dan riepen tot de Here Almachtig, dat hij dit geld, hetwelk toevertrouwd was in alle zekerheid onbeschadigd bewaren wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden.

2 MakkabeeŽn 4:20
En om degenen die ze brachten, heeft hij ze besteed aan de toerusting der galeien.

2 MakkabeeŽn 4:31
Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld waren.

2 MakkabeeŽn 4:41
En dezen, ziende de aanval van Lysimachus, grepen stenen en anderen dikke stokken, en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen tezamen geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren.

2 MakkabeeŽn 4:48
Zo hebben dan haastelijk een onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze beschuldiging aangebracht hadden.

2 MakkabeeŽn 5:12
En gebood de krijgslieden, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan, zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden doodslaan.

2 MakkabeeŽn 5:27
En Judas, de MakkabeeŽr, is met negen anderen vertrokken naar het gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze der wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om geen deel te hebben aan de ontreiniging.

2 MakkabeeŽn 6:2
En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de tempel) te Garizin te noemen, (gelijk degenen, die in die plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius.

2 MakkabeeŽn 6:9
En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen tot deze Griekse wijzen over te gaan, zouden gedood worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende.

2 MakkabeeŽn 6:12
Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot kastijding van ons geslacht.

2 MakkabeeŽn 6:13
Want het is een teken van grote goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen lange tijd wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in straf.

2 MakkabeeŽn 6:20
Voor zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen betaamt, die zich willen blijven verdedigen tegen die dingen, welke niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te behouden.

2 MakkabeeŽn 6:21
En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk het vlees der offeranden.

2 MakkabeeŽn 8:13
En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.

2 MakkabeeŽn 8:14
En anderen verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, eer zij bijeenkwamen, verkocht waren;

2 MakkabeeŽn 8:25
En kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd hen vervolgd hebbende kwamen zij weder, daar zij door de tijd belet waren.

2 MakkabeeŽn 8:30
En hun macht te zamen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij TimotheŁs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude lieden.

2 MakkabeeŽn 8:35
Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te AntiochiŽ, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.

2 MakkabeeŽn 9:4
Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, als ik daar zal gekomen zijn.

2 MakkabeeŽn 10:15
En tegelijk met hem ook de IdumeeŽn, welgelegen sterkten in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.

2 MakkabeeŽn 10:26
En nedervallende op de rand, die tegenover het altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, gelijk de wet verklaart.

2 MakkabeeŽn 11:23
Nadat onze vader tot de goden opgenomen is, wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten alle beroerten hun eigen zaken mogen verzorgen;

2 MakkabeeŽn 11:30
Degenen dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag der maand van Xanthicus, zal de rechterhand gegeven worden met alle verzekerdheid.

2 MakkabeeŽn 12:19
DositheŁs en Sosipater, zijnde van de oversten dergenen die met MakkabeŁs waren, uittrekkende, vernielden van degenen, die van TimotheŁs daar gelaten waren in de sterkte, meer dan tienduizend man.

2 MakkabeeŽn 12:28
Doch zij, aanroepende God de prins, die met kracht der vijanden macht verbreekt, hebben de stad ingenomen en onderdanig gemaakt, en sloegen van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend.

2 MakkabeeŽn 12:36
En als degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen;

2 MakkabeeŽn 12:39
En de volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, omtrent de tijd als het nodig is zulks te doen, om de lichamen dergenen die gevallen waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te stellen in de graven hunner vaderen.

2 MakkabeeŽn 12:44
(Want indien hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weder zouden opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)

2 MakkabeeŽn 12:45
Daarbenevens dat hij aanmerkte dat degenen, die godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd is.

2 MakkabeeŽn 13:1
In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.

2 MakkabeeŽn 13:10
Doch Judas, dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen, dat hij, zo hij ooit of immer, nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;

2 MakkabeeŽn 13:14
Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan de schepper der wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland en regering sloeg omtrent Modin zijn leger op.

2 MakkabeeŽn 13:20
En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, hetgeen zij van node hadden.

2 MakkabeeŽn 13:23
En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te AntiochiŽ gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.

2 MakkabeeŽn 14:13
Hem brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen tot hogepriester van de grootste tempel.

2 MakkabeeŽn 14:18
Desgelijks Nicanor, horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag.

2 MakkabeeŽn 15:1
Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen van SamariŽ, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen.

2 MakkabeeŽn 15:6
En deze Nicanor, met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.

2 MakkabeeŽn 15:8
En vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen niet zouden vrezen, maar dat zij in gedachtenis zouden houden de hulp, die hun zo dikwijls van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning verwachten, die hij hun zou geven.

2 MakkabeeŽn 15:19
En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou geschieden, hen ontroerende.

2 MakkabeeŽn 15:21
Zo heeft MakkabeŁs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig te zijn.

2 MakkabeeŽn 15:24
Dat door de grootte van uw arm mogen geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen zijn tegen uw heilig volk. En met deze woorden heeft hij opgehouden te bidden.

2 MakkabeeŽn 15:25
Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten en triomfliederen.

2 MakkabeeŽn 15:31
En als hij daar gekomen was, en tezamen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor het altaar, zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren.

3 MakkabeeŽn 1:1
Als de koning Filopator verstond van degenen die wedergekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn krijgsvolk, beide te voet en te paard, ontboden;

3 MakkabeeŽn 1:14
Maar als de priesters met hun geheel gewaad nedervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld des konings, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was hetgeen daar gedaan was.

3 MakkabeeŽn 1:16
En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.

3 MakkabeeŽn 1:18
En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin tezamen gekomen waren, tegen hetgeen onheilig door hem onderstaan werd.

3 MakkabeeŽn 1:23
Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hovaardige daad niet gedogen.

3 MakkabeeŽn 2:4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.

3 MakkabeeŽn 4:9
Als nu dezen in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, gelijkerwijs het door de koning was geboden, zo heeft hij gelast dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld der straf te zien; opdat zij noch met zijn krijgsvolk gemeenschap zouden hebben noch enigszins waardig geacht der stadsmuren.

3 MakkabeeŽn 5:9
Als het nu omtrent half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genoden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stiet hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten.

3 MakkabeeŽn 5:22
Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.

3 MakkabeeŽn 6:7
Nu dan, o God, gij vijand van overlast, gij barmhartige, gij beschermer aller dingen, verschijn haastig degenen, die van het geslacht IsraŽls zijn, hetwelk door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaadheid aangedaan wordt.

3 MakkabeeŽn 6:31
En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen gesteld en met blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat hun snorkende stoutheid met oneer uitgeblust was.

3 MakkabeeŽn 7:8
Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om terstond te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf.

3 MakkabeeŽn 7:10
En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over alle zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien.