Vindplaatsen van het woord dienden in het oude testament (22 verzen):

Exodus 14:5
Toen nu den koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij IsraŽl hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?

Richteren 2:11
Toen deden de kinderen IsraŽls, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Bašls.

Richteren 2:13
Want zij verlieten den HEERE, en dienden den Bašl en Astharoth.

Richteren 3:6
Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen; en zij dienden derzelver goden.

Richteren 3:7
En de kinderen IsraŽls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten den HEERE, hun God, en zij dienden de Bašls en de bossen.

Richteren 3:8
Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen IsraŽl; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van MesopotamiŽ; en de kinderen IsraŽls dienden Cuschan Rischataim acht jaren.

Richteren 3:14
En de kinderen IsraŽls dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren.

Richteren 10:6
Toen voeren de kinderen IsraŽls voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Bašls, en Astharoth, en de goden van SyriŽ, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den HEERE, en dienden Hem niet.

Richteren 10:16
En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden den HEERE. Toen werd Zijn ziel verdrietig over den arbeid van IsraŽl.

1 SamuŽl 7:4
De kinderen IsraŽls nu deden de Bašls en de Astharoths weg, en zij dienden den HEERE alleen.

2 SamuŽl 10:19
Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor IsraŽls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met IsraŽl, en dienden hen; en de SyriŽrs vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.

1 Koningen 4:21
En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens.

2 Koningen 17:16
Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Bašl.

2 Koningen 17:33
Zij vreesden den HEERE, en dienden ook hun goden, naar de wijze der volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden.

2 Koningen 17:41
Maar deze volken vreesden den HEERE, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kindskinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.

1 Kronieken 6:32
En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.

1 Kronieken 19:19
Toen de knechten van Hadar-ezer zagen, dat zij geslagen waren, voor het aangezicht van IsraŽl, zo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de SyriŽrs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen.

2 Kronieken 22:8
Zo geschiedde het, als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen der broederen van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde.

2 Kronieken 24:18
Zo verlieten zij het huis des HEEREN, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.

Esther 2:2
Toen zeiden de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht.

Psalmen 106:36
En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.

DaniŽl 7:10
Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.