Vindplaatsen van het woord david in de apocriefe geschriften (17 verzen):
3 Ezra 1:15
En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens hetgeen David verordineerd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.
3 Ezra 5:60
Zingende en lovende de Here, naar de instelling van David, de koning van Israël.
3 Ezra 8:32
Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.
3 Ezra 8:50
En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk der Levieten, tweehonderdentwintig dienaars des tempels, dezer aller namen zijn schriftelijk aangetekend.
4 Ezra 3:23
Alzo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en gij verwektet u een knecht, met name David.
4 Ezra 7:38
David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden.
Jezus Sirach 45:31
En gelijk, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms Aäron toegelegd en zijn zaad.
Jezus Sirach 47:1
NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.
Jezus Sirach 47:2
Gelijk het vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de kinderen Israëls.
Jezus Sirach 47:25
En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.
Jezus Sirach 48:17
En daar bleef een klein volk over, en een overste in het huis van David.
Jezus Sirach 48:25
Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn vader, gelijk Jesaja die grote en eerwaardige profeet in zijn gezicht geboden had.
Jezus Sirach 49:5
Uitgezonderd David en Hiskia, en Josia, hebben zij allen misdaden begaan.
1 Makkabeeën 2:31
En de mannen des konings, en de krijgsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod des konings hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen.
1 Makkabeeën 2:57
David, in zijn barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd.
1 Makkabeeën 4:30
En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.
2 Makkabeeën 2:13
En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, bijeen heeft vergaderd de schriften van de koningen en profeten, en de schriftenl van David, en de brieven der koningen aangaande de heilige geschenken.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst