Vindplaatsen van het woord debir in het oude testament (12 verzen):

Jozua 10:3
Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:

Jozua 10:38
Toen keerde Jozua, en gans IsraŽl met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.

Jozua 10:39
En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;

Jozua 11:21
Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van IsraŽl; Jozua verbande hen met hun steden.

Jozua 12:13
De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

Jozua 13:26
En van Hesbon af tot Ramath-mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;

Jozua 15:7
Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel.

Jozua 15:15
En vandaar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-sefer).

Jozua 15:49
En Danna, en Kirjath-sanna, die is Debir,

Jozua 21:15
En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;

Richteren 1:11
En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-sefer.

1 Kronieken 6:58
En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,