Vindplaatsen van het woord dag in de apocriefe geschriften (187 verzen):
3 Ezra 1:1
EN Josia hield zijn Here het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende dag der eerste maand;
3 Ezra 1:17
Zo werd voleindigd alles wat tot de offerande des Heren op die dag behoorde.
3 Ezra 1:32
En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat zulks altijd geschieden zou door geheel het geslacht Israëls.
3 Ezra 1:51
Doch zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Here tot hen sprak, belachten zij zijn profeten.
3 Ezra 4:34
O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde,. en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.
3 Ezra 4:43
Toen zeide hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die gij beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop gij uw koninkrijk ontvangen hebt.
3 Ezra 4:55
En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis Gods zou voleindigd, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.
3 Ezra 7:5
Zo werd het heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings Darius.
3 Ezra 7:10
En de kinderen Israëls, die uit de gevangenis waren, hielden het Pascha, op de veertiende dag der eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren.
3 Ezra 8:62
En wij trokken weder op van de rivier Thera, de twaalfde dag der eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand onzes Heren, die over ons was.
3 Ezra 8:63
En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis des Heren, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.
3 Ezra 8:77
En wij zijn in grote zonde tot deze dag toe.
3 Ezra 8:78
En om onzer zonde wil, en om de zonden onzer vaderen. zijn wij met onze broederen en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen der aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.
3 Ezra 8:90
Here Israëls, gij zijt waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten op de huidige dag.
3 Ezra 9:5
En zij vergaderden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag der maand.
3 Ezra 9:11
Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.
3 Ezra 9:51
Deze dag is de Here heilig; en zij weenden allen, als zij de wet hoorden.
3 Ezra 9:53
Want deze dag is heilig de Here, en zijt niet droevig, want de Here zal u verheerlijken.
3 Ezra 9:54
En de Levieten bevalen het ganse volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, zijt niet droevig.
4 Ezra 2:27
En bekommer u niet, want als de dag van de angst en de nood komt, zo zullen anderen wenen en droevig zijn: maar gij zult vrolijk zijn en overvloed hebben.
4 Ezra 4:5
Toen sprak ik: Zeg aan mij Here; en hij zeide tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht des vuurs, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is.
4 Ezra 4:9
Maar nu heb ik niet gevraagd dan van vuur, en van wind, en van de dag, daar gij doorgegaan zijt, en van welke gij niet kondt afgezonderd zijn, en gij hebt mij daarvan niet geantwoord.
4 Ezra 5:4
Indien nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult gij na de derde bazuin zien, dat de zon des nachts haastig zal schijnen, en de maan driemaal in de dag.
4 Ezra 6:31
Indien gij dan weder bidt, en weder zeven dagen vast, zo zal ik u weder grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb.
4 Ezra 6:38
En ik zeide: O Here, Gij hebt in het begin der schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en uw woord was een volkomen werk,
4 Ezra 6:41
En op de tweede dag schiept gij de lucht van het firmament, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel opwaarts zou trekken, en een deel beneden zou blijven.
4 Ezra 6:42
De derde dag nu hebt gij de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel der aarde, doch zes delen hebt gij droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor u zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn.
4 Ezra 6:44
Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van velerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en welriekende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt.
4 Ezra 6:45
Op de vierde dag nu gebood gij, dat worden zou het schijnsel der zon, het licht der maan, en de ordening der sterren,
4 Ezra 6:47
Op de vijfde dag zeidet gij tot het zevende deel, waarin de wateren verzameld waren, dat het zou voortbrengen gedierte, vogelen, en vissen, en het geschiedde.
4 Ezra 6:51
En gij hebt aan Behemoth het éne deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn.
4 Ezra 6:53
Op de zesde dag geboodt gij de aarde, dat zij u zou voortbrengen het grote en kleine vee, en de kruipende gedierten.
4 Ezra 7:43
Maar de dag des oordeels zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd der toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn.
4 Ezra 9:44
En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden,
4 Ezra 10:2
En wij hebben al de lichten omgekeerd, en al mijn medeburgers zijn opgestaan om mij te troosten, en ik hield mij stil tot de andere dag toe, tegen de nacht,
4 Ezra 12:34
Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn palen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag des oordeels komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb.
4 Ezra 13:52
Gelijk gij de dingen niet kondt doorgronden noch weten, die in de diepte der zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag.
4 Ezra 14:1
EN het geschiedde op de derde dag, dat ik zat onder een eik.
4 Ezra 15:21
Gelijk zij tot op de huidige dag mijn uitverkorenen hebben gedaan, alzo zal ik hun doen, en zal het in hun schoot vergelden; dit spreekt de Here.
4 Ezra 16:66
En gij zult schaamrood worden, als uw zonden voor de mensen zullen voortkomen, en uw ongerechtigheden uw beschuldigers zullen zijn, in die dag.
Tobias (Tobit) 4:1
OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring gegeven had.
Tobias (Tobit) 4:10
Want gij vergadert uzelf een goede weggelegde schat, tegen de dag des noods.
Tobias (Tobit) 10:1
EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?
Judith 1:15
En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.
Judith 2:1
EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning der Assyriërs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd had.
Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.
Judith 6:5
En gij Achior, gij huurling der Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag uwer ongerechtigheid, gij zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht dergenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal wedergekeerd zijn.
Judith 7:2
Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren.
Judith 7:6
Maar de tweede dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht der kinderen Israëls, die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen naar de stad.
Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.
Judith 7:17
Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen, opdat hij niet doe naar deze woorden op de dag van heden.
Judith 8:10
En zij kwamen tot haar, en zij zeide tot hen: Hoort mij nu, gij oversten der inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, welke gij op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die gij gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat gij de stad zult overgeven aan onze vijanden, indien binnen deze dagen de Here zich niet wendt om ons te helpen.
Judith 8:11
En nu, wie zijt gijlieden, dat gij God op de huidige dag hebt verzocht, en hebt u in Gods plaats gezet, in het midden van de kinderen der mensen.
Judith 8:17
Dewijl in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, welke de goden dient, die met handen gemaakt zijn.
Judith 11:12
En zij hebben enigen naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal geschieden, als hun dit zal geboodschapt zijn, en zij zullen hebben gedaan, dat zij u zullen overgegeven worden, om vernield te worden op die dag.
Judith 11:14
Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u zulks aanbrengen, en gij zult met uw gehele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal wederstaan.
Judith 12:10
En het geschiedde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienstknechten, en riep niemand daartoe dergenen, die over de gemene zaken waren, en hij zeide tot Bagoas de kamerling, welke over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.
Judith 12:12
En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zeide: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aanschijn verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochteren der Assyriërs, welke in het huis van Nabuchodonosor staan.
Judith 12:14
Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag mijns doods.
Judith 12:16
En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was uitermate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.
Judith 12:18
En Judith zeide: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen mijner geboorte.
Judith 12:20
En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, van dat hij geboren was.
Judith 13:8
Sterk mij, o God Israëls, op deze dag.
Judith 13:22
En zeiden eendrachtiglijk: Geloofd zijt gij, o onze God, die op de huidige dag de vijanden van uw volk teniet hebt gemaakt.
Judith 14:6
Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis Israëls veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verkwikt hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zeide: Gezegend zijt gij in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al hetgeen gij in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.
Judith 14:7
En Achior ziende al hetgeen de God Israëls gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees zijner voorhuid, en werd tot het huis Israëls toegevoegd tot op deze dag.
Judith 16:20
Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Here, de almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag des gerichts.
Judith 16:27
En velen begeerden haar te hebben, maar geen man bekende haar al de dagen haars levens, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk vergaderd was.
Boek der Wijsheid 3:18
Indien zij haast komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch troost in de dag des oordeels.
Boek der Wijsheid 5:15
Want de hoop van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook gelijk de gedachtenis voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is.
Jezus Sirach 1:12
Die de Here vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden.
Jezus Sirach 3:5
Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.
Jezus Sirach 3:17
In de dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.
Jezus Sirach 5:8
Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel het niet uit dag op dag.
Jezus Sirach 5:10
Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.
Jezus Sirach 6:8
Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking.
Jezus Sirach 6:10
Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag uwer verdrukking.
Jezus Sirach 11:4
Pronk niet met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen verborgen.
Jezus Sirach 11:27
Want het is voor de Here licht, in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.
Jezus Sirach 12:6
Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.
Jezus Sirach 14:14
Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der goede begeerte u niet voorbijgaan.
Jezus Sirach 18:25
Gedenk aan de tijd des hongers, in de tijd der volheid, aan armoede en gebrek in de dag des rijkdoms.
Jezus Sirach 23:17
Dat gij niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.
Jezus Sirach 33:7
Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?
Jezus Sirach 33:23
Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.
Jezus Sirach 38:18
En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, om der lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.
Jezus Sirach 38:28
Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.
Jezus Sirach 40:1
VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.
Jezus Sirach 40:2
Aangaande hun gedachten, en de vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben, de dag des doods;
Jezus Sirach 46:5
En is de zon niet door zijn hand achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?
Jezus Sirach 47:8
Hij verdelgde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.
Jezus Sirach 51:13
Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de dag der verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.
Baruch 1:2
In het vijfde jaar, de zevende dag der maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.
Baruch 1:8
Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.
Baruch 1:13
Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.
Baruch 1:19
Van de dag af, op welke de Here onze vaderen uit Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn stem niet te horen.
Baruch 1:20
En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze dag is.
Baruch 2:6
Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaderen de schaamte der aangezichten, gelijk deze, dag zelf uitwijst.
Baruch 2:11
En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk deze dag uitwijst.
Baruch 2:28
Gelijkerwijs gij gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de kinderen Israëls, zeggende:
Esther (apocr.) 10:11
En deze twee loten zijn voor God gekomen op de ure en tijd en dag des gerichts, hetwelk onder alle heidenen is bestemd;
Esther (apocr.) 10:13
Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag der maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk.
Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;
Esther (apocr.) 11:6
En ziet het was een dag van duisternis en donkerheid, verdrukking en benauwdheid, grote jammer en beroering was op aarde.
Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.
Esther (apocr.) 13:7
Opdat zij, die eertijds vijandelijk gezind waren, en nu nog zijn, op een dag door geweld in het graf gekomen zijnde, onze zaken tegen de toekomende tijd in volmaakte welstand en stilheid mogen laten.
Esther (apocr.) 14:18
En uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in u, o Here, God van Abraham.
Esther (apocr.) 16:20
En zult hun te zamen behulpzaam zijn, dat zij degenen, die in de tijd der verdrukking hen zullen overvallen, wreken mogen; namelijk op de dertiende dag der twaalfde maand, genoemd Adar, op dezelfde dag.
Esther (apocr.) 16:22
Zo zult gijlieden dan, onder andere van uw befaamde feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid vieren;
Susanna (Dan. 13) 1:15
En het geschiedde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna gelijk zij dagelijks gewoon was, met twee dienstmaagden alleen en wilde zich in de hof wassen, overmits het zeer heet was.
Susanna (Dan. 13) 1:62
En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op zodanige wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden.
Susanna (Dan. 13) 1:64
En Daniël werd groot voor het volk, van die dag aan en daarna.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:39
En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over Daniël, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet Daniël zat daar.
1 Makkabeeën 1:13
Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen.
1 Makkabeeën 1:58
En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.
1 Makkabeeën 1:63
En zij offerden de vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.
1 Makkabeeën 2:32
En als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en zeiden tot hen:
1 Makkabeeën 2:34
En dezen zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord des konings niet doen, om te ontheiligen de dag des sabbats.
1 Makkabeeën 2:41
En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.
1 Makkabeeën 3:17
En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?
1 Makkabeeën 3:47
En zij vastten op die dag, en deden zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden hun klederen;
1 Makkabeeën 4:6
En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend man; doch zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij gaarne wilden.
1 Makkabeeën 4:10
En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.
1 Makkabeeën 4:25
En op die dag is Israël een grote verlossing geschied.
1 Makkabeeën 4:54
Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen.
1 Makkabeeën 4:59
En Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag der maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.
1 Makkabeeën 5:27
En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.
1 Makkabeeën 5:32
Strijdt deze dag voor uw broeders.
1 Makkabeeën 5:34
En het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man.
1 Makkabeeën 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.
1 Makkabeeën 5:60
En Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls tot tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk Israël;
1 Makkabeeën 5:67
En die dag vielen de priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken zonder raad.
1 Makkabeeën 6:26
En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt.
1 Makkabeeën 7:16
En zij geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:
1 Makkabeeën 7:43
En de legers kwamen met elkander te strijden, op de dertiende dag der maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel.
1 Makkabeeën 7:48
En het volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote verheuging.
1 Makkabeeën 7:49
En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden worden, de dertiende van de maand Adar.
1 Makkabeeën 8:10
Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;
1 Makkabeeën 9:27
Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet was onder gezien.
1 Makkabeeën 9:34
Bacchides dit vernemende, kwam op de dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk over de Jordaan.
1 Makkabeeën 9:43
Hetwelk Bacchides horende. kwam op de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel krijgsvolk.
1 Makkabeeën 9:49
En aan de zijde van Bacchides vielen die dag omtrent duizend man, en hij keerde weder naar Jeruzalem.
1 Makkabeeën 10:20
En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.
1 Makkabeeën 10:30
En van de helft der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.
1 Makkabeeën 10:50
En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius op die dag.
1 Makkabeeën 10:55
En de koning Ptolomeüs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop gij zijt wedergekeerd in het land uwer vaderen, en gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.
1 Makkabeeën 11:18
En de koning Ptolomeüs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht door degenen, die in die sterkten waren.
1 Makkabeeën 11:47
En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten de koning.
1 Makkabeeën 11:73
En daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.
1 Makkabeeën 13:30
Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.
1 Makkabeeën 13:39
Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en de kroongelden die gij schuldig zijt; en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer betalen.
1 Makkabeeën 13:51
En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid.
1 Makkabeeën 13:52
En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met verheuging zou gevierd worden.
1 Makkabeeën 14:27
En dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was.
1 Makkabeeën 15:25
En de koning Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.
1 Makkabeeën 16:2
En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben de vijanden van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls verlost hebben.
2 Makkabeeën 3:14
En een dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid in de gehele stad.
2 Makkabeeën 5:25
Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.
2 Makkabeeën 6:11
En enige anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag.
2 Makkabeeën 7:20
Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede gedachtenis waardig, als die kloekmoedig verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;
2 Makkabeeën 8:26
Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.
2 Makkabeeën 8:27
En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot die dag toe, welke het begin was der barmhartigheid, die over hen kwam.
2 Makkabeeën 10:5
En het gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd is geweest de reiniging van de tempel geschiedde, namelijk op de vijfentwintigste der maand, die Chasleu is.
2 Makkabeeën 10:35
En als de vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige jongelingen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.
2 Makkabeeën 11:21
Vaart wel in het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag der maand van Jupiter Corinthius.
2 Makkabeeën 11:30
Degenen dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag der maand van Xanthicus, zal de rechterhand gegeven worden met alle verzekerdheid.
2 Makkabeeën 11:33
Vaartwel. De vijftiende dag der maand van Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.
2 Makkabeeën 11:38
Vaart wel. De vijftiende dag der maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.
2 Makkabeeën 12:38
En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.
2 Makkabeeën 12:39
En de volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, omtrent de tijd als het nodig is zulks te doen, om de lichamen dergenen die gevallen waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te stellen in de graven hunner vaderen.
2 Makkabeeën 13:10
Doch Judas, dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen, dat hij, zo hij ooit of immer, nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;
2 Makkabeeën 13:17
En dit was geschied als de dag aanlichtte, door de bescherming des Heren, die hem hielp.
2 Makkabeeën 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.
2 Makkabeeën 14:21
En zij stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden komen op een plaats, en van beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen.
2 Makkabeeën 15:2
En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die eertijds met heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden,
2 Makkabeeën 15:3
Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.
2 Makkabeeën 15:4
En als dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.
2 Makkabeeën 15:36
En zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij deze dag geenszins ongeëerd zouden laten;
2 Makkabeeën 15:37
Maar dat zij de dertiende dag der twaalfde maand, die Adar genoemd wordt in de Syrische taal, zouden vieren, des daags voor de feestdag van Mordechai.
3 Makkabeeën 4:11
Overmits hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien.
3 Makkabeeën 5:1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.
3 Makkabeeën 5:6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.
3 Makkabeeën 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.
3 Makkabeeën 5:13
Maar zeide hij: Bereid zonder oponthoud op gelijke wijze tegen de volgende dag de olifanten tot het verderf der gruwelijke Joden.
3 Makkabeeën 6:35
De dienaars nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; in welke ook de heerser aller schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen tezamen ongedeerd verlost heeft.
3 Makkabeeën 6:36
Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;
3 Makkabeeën 7:13
En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst