Vindplaatsen van het woord doden in de apocriefe geschriften (40 verzen):
3 Ezra 4:7
Indien hij zegt dat men dode, zo doden zij; indien hij zegt dat men aflate, zo laten zij af.
4 Ezra 1:18
Waarom hebt gij ons in deze woestijn gebracht, om ons te doden? het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
4 Ezra 2:16
En ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen, en uit de graven zal ik hen voortbrengen; want ik heb mijn naam bekend gemaakt in Israël.
4 Ezra 2:23
Waar gij de doden vindt, teken ze, en begraaf ze: zo zal ik u de eerste plaats geven in mijn verrijzenis:
4 Ezra 16:24
En de doden zullen als drek weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen vertroosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden.
4 Ezra 16:69
Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden te zijn tot een spijs.
Tobias (Tobit) 3:22
En indien het u niet goeddunkt mij te doden,
Tobias (Tobit) 12:13
En wanneer gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.
Judith 2:5
Dit zegt de grote koning, de heer der ganse aarde: ziet gij zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen het gehele land naar het westen, omdat zij het woord mijns monds ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht der aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden der ganse aarde. Doch gij, uittrekkende zult tevoren al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.
Judith 6:4
En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner voeten zal bestaan voor ons aanschijn, maar zij zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen niet ijdel zijn.
Boek der Wijsheid 4:19
En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun gedachtenis zal vergaan.
Boek der Wijsheid 11:7
Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.
Boek der Wijsheid 13:10
Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.
Boek der Wijsheid 14:23
Want zij, of zij hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen.
Boek der Wijsheid 18:5
En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen der heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte hunner kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.
Boek der Wijsheid 18:12
En zij hadden gezamenlijk allen, onder één naam des doods, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, overmits dat hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven werd.
Boek der Wijsheid 18:16
Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.
Boek der Wijsheid 18:23
Want als nu reeds de doden met hopen over elkander gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.
Boek der Wijsheid 19:3
Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.
Jezus Sirach 9:16
Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, en gij zult de vrees des doods niet vermoeden.
Jezus Sirach 21:3
Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der mensen.
Baruch 2:17
Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden in het graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs der heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.
Baruch 3:11
Gij zijt verouderd geworden in een vreemd land, gij zijt verontreinigd geworden onder de doden, gij zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.
Baruch 6:26
Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo zet men hun gaven voor.
Baruch 6:31
Zij brullen, en roepen voor hun goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de doden.
Susanna (Dan. 13) 1:28
En het geschiedde des anderen daags, als het volk tezamen kwam ten huize van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;
Susanna (Dan. 13) 1:53
Als gij onrechtvaardige oordelen oordeeldet, en de onschuldige veroordeeldet, maar de schuldige losliet; daar de Here zegt: Gij zult de onschuldige en rechtvaardige niet doden.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:21
En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:28
En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons Daniël over; anders zullen wij u doden en uw huis.
1 Makkabeeën 5:2
En zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te verdelgen; allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder het volk enigen te doden en te verdelgen.
1 Makkabeeën 9:32
En Bacchides dat vernemende, zocht hem te doden.
1 Makkabeeën 11:10
Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven, want hij heeft mij gezocht te doden.
1 Makkabeeën 11:44
En die van de stad vergaderden in het midden van de stad, omtrent honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.
1 Makkabeeën 15:40
En Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron,
1 Makkabeeën 16:22
En hij, dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden.
2 Makkabeeën 5:24
En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.
2 Makkabeeën 12:40
En zij vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren.
2 Makkabeeën 12:44
(Want indien hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weder zouden opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)
3 Makkabeeën 5:1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.
3 Makkabeeën 7:4
Dewelke hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben, gelijk slaven, ja veel meer gelijk verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst