Vindplaatsen van het woord damaskus in de apocriefe geschriften (6 verzen):

Judith 1:7
En Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, zond tot allen die in PerziŽ woonden, en tot allen die tegen het westen woonden, en die in CiliciŽ en Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant,

Judith 1:12
En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al de landpalen van CiliciŽ, en Damaskus, en SyriŽ, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan de landpalen van de twee zeeŽn.

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 15:6
En die van Gilešd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damaskus en haar landpalen gekomen zijn,

1 MakkabeeŽn 11:61
En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.

1 MakkabeeŽn 12:32
En optrekkende, kwam hij naar Damaskus, en trok door het ganse land.