Vindplaatsen van het woord demetrius in de apocriefe geschriften (44 verzen):

1 MakkabeeŽn 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 7:4
Het krijgsvolk doodde hen, en Demetrius ging zitten op de troon zijns koninkrijks.

1 MakkabeeŽn 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 MakkabeeŽn 9:1
Als Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn krijgsvolk de oorlog gevoerd hadden, zo voer hij voort Bacchides en Alcimus ten tweeden male te zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn krijgsvolk.

1 MakkabeeŽn 10:2
En de koning Demetrius dat horende, vergaderde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.

1 MakkabeeŽn 10:3
En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.

1 MakkabeeŽn 10:15
En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.

1 MakkabeeŽn 10:22
Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zeide:

1 MakkabeeŽn 10:25
En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 10:48
En de koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.

1 MakkabeeŽn 10:49
En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.

1 MakkabeeŽn 10:50
En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius op die dag.

1 MakkabeeŽn 10:52
Dewijl ik wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon mijner vaderen, en het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze landen weder heb veroverd;

1 MakkabeeŽn 10:67
En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-SyriŽ was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

1 MakkabeeŽn 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.

1 MakkabeeŽn 11:12
En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.

1 MakkabeeŽn 11:19
En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste jaar.

1 MakkabeeŽn 11:30
De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 11:37
En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.

1 MakkabeeŽn 11:38
En daar was een zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar SimalkuŽ, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;

1 MakkabeeŽn 11:39
En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele dagen.

1 MakkabeeŽn 11:40
En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen IsraŽl.

1 MakkabeeŽn 11:41
En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.

1 MakkabeeŽn 11:51
En de koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.

1 MakkabeeŽn 11:54
En tot hem vergaderden al de krijgsknechten, die Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd op de vlucht gedreven.

1 MakkabeeŽn 11:62
Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren, met veel krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;

1 MakkabeeŽn 12:24
En Jonathan, horende dat de oversten des konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,

1 MakkabeeŽn 12:34
Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.

1 MakkabeeŽn 13:34
En Simon verkoor enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest.

1 MakkabeeŽn 13:35
En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:

1 MakkabeeŽn 13:36
De koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend der koningen, en de ouderlingen, en het ganse Joodse volk, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 14:1
In het honderdtweeŽnzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar MediŽ, om hulp bijeen te trekken, om Tryfon te beoorlogen.

1 MakkabeeŽn 14:2
Als Arsaces, de koning van PerziŽ en MediŽ, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend te krijgen.

1 MakkabeeŽn 14:3
Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis.

1 MakkabeeŽn 14:38
En de koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in alles;

1 MakkabeeŽn 15:1
En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan al het volk;

1 MakkabeeŽn 15:22
Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;

2 MakkabeeŽn 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 MakkabeeŽn 14:1
Na de tijd van drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;

2 MakkabeeŽn 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.

2 MakkabeeŽn 14:5
En gelegen tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren, geroepen zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen der Joden,

2 MakkabeeŽn 14:11
En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken.

2 MakkabeeŽn 14:26
Alcimus nu, ziende de goedwilligheid des enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings; want, zeide hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk lagen legt, verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.