Vindplaatsen van het woord edna in de apocriefe geschriften (6 verzen):

Tobias (Tobit) 7:2
En zij bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.

Tobias (Tobit) 7:8
En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden ook.

Tobias (Tobit) 7:16
En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde dat.

Tobias (Tobit) 7:18
Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin.

Tobias (Tobit) 8:10
En Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:

Tobias (Tobit) 10:13
En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.