Vindplaatsen van het woord een in de apocriefe geschriften (1672 verzen; getoond worden vers 1001 t/m 1500):
Jezus Sirach 41:23
Voor een metgezel en vriend vanwege ongerechtigheid, en voor de plaats, waar gij als vreemdeling woont, vanwege dieverij;
Jezus Sirach 41:25
Schaamt u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt van een mens die edel is.
Jezus Sirach 41:26
Schaamt u iemands deel weg te nemen, en hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft.
Jezus Sirach 41:27
Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.
Jezus Sirach 42:2
Vanwege de wet des Allerhoogsten en het verbond, en vanwege het oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen;
Jezus Sirach 42:6
Noch dat gij een boze huisknecht zijn zijde doet bloeden.
Jezus Sirach 42:7
Bij een boze vrouw is verzegelen goed, en waar veel handen zijn sluit daar toe.
Jezus Sirach 42:9
En schaam u niet dat gij een onverstandige en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge lieden twist;
Jezus Sirach 42:10
En gij zult recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden.
Jezus Sirach 42:11
Een dochter is haar vader een heimelijk waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap.
Jezus Sirach 42:13
Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger worde, en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede, en getrouwd zijnde, niet misschien onvruchtbaar zij.
Jezus Sirach 42:14
Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.
Jezus Sirach 42:17
De boosheid van een man is beter dan een goeddadige vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt tot versmaadheid.
Jezus Sirach 42:25
Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem ook niet een woord verborgen.
Jezus Sirach 42:28
Hoe waardig zijn al zijn werken om te begeren! en om aanschouwd te worden tot op een vonkje toe!
Jezus Sirach 42:30
Alle dingen zijn dubbel, het een tegenover het ander, en hij heeft niets gebrekkigs gemaakt.
Jezus Sirach 42:31
Het een bevestigt het goede des anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid Gods?
Jezus Sirach 43:1
HET zuivere firmament is een roem der hoogte; de gedaante des hemels is heerlijk om aan te zien.
Jezus Sirach 43:2
De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.
Jezus Sirach 43:4
Men blaast een oven aan tot werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.
Jezus Sirach 43:6
Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing der tijden, en tot een teken der eeuw.
Jezus Sirach 43:7
Van de maan heeft men een teken van het feest, zij is een licht dat geheel afneemt.
Jezus Sirach 43:9
Zij is een vat hetwelk legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.
Jezus Sirach 43:10
De schoonheid des hemels is dat heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen des Heren.
Jezus Sirach 43:11
Door de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht.
Jezus Sirach 43:13
Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten spannen hem uit.
Jezus Sirach 43:22
Wanneer de koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering van het water neder, en trekt het water gelijk als een pantser aan.
Jezus Sirach 43:24
Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt ze.
Jezus Sirach 44:9
Enigen zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt.
Jezus Sirach 44:12
Bij hun zaad blijft een goed erfdeel; hun nakomelingen zijn in de verbonden.
Jezus Sirach 44:17
Henoch behaagde God de Here, en werd weggenomen, om het geslacht een voorbeeld der boetvaardigheid te zijn.
Jezus Sirach 44:20
Abraham is geweest een grootvader van menigte der volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke de wet des Allerhoogsten bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is.
Jezus Sirach 44:22
Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen in zijn zaad;
Jezus Sirach 44:23
En hem zou vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste der aarde.
Jezus Sirach 44:25
Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, en heeft zijn deel gescheiden in stammen, die hij verdeeld heeft in twaalf.
Jezus Sirach 44:26
En heeft uit hem voortgebracht een man der barmhartigheid, die gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees.
Jezus Sirach 45:8
Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt met schoon sieraad.
Jezus Sirach 45:9
En heeft hem omgord met een kleed der heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting der sterkte;
Jezus Sirach 45:11
En heeft hem rondom behangen met granaatappelen, en zeer veel gouden schelletjes rondom heen, om geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een gedachtenis mocht dienen de kinderen van zijn volk.
Jezus Sirach 45:12
Met een heilige gouden, en hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen der waarheid;
Jezus Sirach 45:13
Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewrocht, van kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk des graveerders; waarin tot een gedachtenis geschreven en gegraveerd was het getal der kinderen Israëls.
Jezus Sirach 45:14
Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel der heiligheid, een heerlijke roem, machtige werken, verlustigingen der ogen, schone versieringen.
Jezus Sirach 45:16
En niemand deed ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen tijde.
Jezus Sirach 45:19
Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen.
Jezus Sirach 45:25
Hij heeft Aärons heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de eerstelingen der eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.
Jezus Sirach 45:29
En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend had.
Jezus Sirach 45:30
Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht een. verbond des vredes, dat hij zou zijn een voorstander der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid des priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.
Jezus Sirach 45:31
En gelijk, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel des konings heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms Aäron toegelegd en zijn zaad.
Jezus Sirach 46:5
En is de zon niet door zijn hand achterwaarts gegaan? En is niet een dag als twee geworden?
Jezus Sirach 46:15
Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet des Heren, heeft koninkrijken ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn volk.
Jezus Sirach 46:17
Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een profeet, en is bekend geworden door zijn woord.
Jezus Sirach 46:18
En hij riep de Here, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten, en offerde een melklam;
Jezus Sirach 46:22
En nadat hij ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks zou verdelgd worden.
Jezus Sirach 47:4
In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg.
Jezus Sirach 47:6
Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te ver hogen.
Jezus Sirach 47:11
En heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen,
Jezus Sirach 47:14
Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond.
Jezus Sirach 47:15
Salomo regeerde in de tijd des vredes, en is beroemd geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in der eeuwigheid.
Jezus Sirach 47:16
Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand gelijk een stroom.
Jezus Sirach 47:22
Zo hebt gij uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam koninkrijk ontstond.
Jezus Sirach 47:25
En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.
Jezus Sirach 47:26
En Salomo rustte met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad.
Jezus Sirach 47:27
Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;
Jezus Sirach 48:1
DAARNA stond Elia de profeet op gelijk een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel.
Jezus Sirach 48:2
Welke over hen bracht een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.
Jezus Sirach 48:5
Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord des Allerhoogsten.
Jezus Sirach 48:9
Gij, die opgenomen zijt geweest door een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden.
Jezus Sirach 48:13
Elia is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt.
Jezus Sirach 48:16
Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de ganse aarde.
Jezus Sirach 48:17
En daar bleef een klein volk over, en een overste in het huis van David.
Jezus Sirach 48:27
Hij zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in Sion.
Jezus Sirach 49:1
DE gedachtenis van Josia, is als een tezamen gemengd reukwerk, toebereid door de kunst van de apotheker.
Jezus Sirach 49:2
Zij is zoet in de mond van een ieder als honig, en als een muziekspel op een wijnbanket.
Jezus Sirach 49:7
Daarom heeft hij hun troon anderen gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd volk.
Jezus Sirach 49:9
Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam was geheiligd tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te handelen, en te verderven; van gelijken om te bouwen en te planten.
Jezus Sirach 49:10
Ezechiël is het, die een heerlijk gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der cherubim.
Jezus Sirach 49:13
Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was gelijk een zegelring aan de rechterhand.
Jezus Sirach 49:14
Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weder hebben gebouwd, en de heilige tempel opgericht, welke de Here werd toebereid tot een eeuwige heerlijkheid.
Jezus Sirach 49:17
En daar is geen man geweest als Jozef, een leidsman zijner broederen,
Jezus Sirach 49:18
Een steunsel des volks, en zijn gebeenten zijn bezocht door de Here.
Jezus Sirach 50:3
In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal zo veel.
Jezus Sirach 50:7
Gelijk de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon in de dagen van de zomer;
Jezus Sirach 50:8
Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;
Jezus Sirach 50:9
Gelijk een gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente versierd is;
Jezus Sirach 50:10
Gelijk een schone olijfboom, die vruchten voortspruit; en gelijk een cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed der heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.
Jezus Sirach 50:13
Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid der ganse gemeente van Israël;
Jezus Sirach 50:16
Uitgietende op de fundamenten van het altaar een welriekende reuk voor de Allerhoogste, die koning is over alles.
Jezus Sirach 50:17
Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een gedachtenis voor de Aller hoogste.
Jezus Sirach 50:19
En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang.
Jezus Sirach 50:27
Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand en der wetenschap; welke de wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.
Jezus Sirach 51:1
<<Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.
Jezus Sirach 51:2
Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en helper geweest zijt, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost;
Jezus Sirach 51:3
En van de strik der lasterende tong; van de lippen dergenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.
Jezus Sirach 51:7
Uit de diepte des buiks, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong.
Jezus Sirach 51:19
Mijn hart is in haar verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel rijp wordt.
Jezus Sirach 51:21
Ik hem mijn oor een weinig geneigd, en heb haar aangenomen;
Jezus Sirach 51:28
Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.
Jezus Sirach 51:29
Mijn hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.
Jezus Sirach 51:30
De Here heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen.
Jezus Sirach 51:36
Weest deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult gij in haar bezitten.
Baruch 1:6
En zij verzamelden geld, naar dat een ieders hand vermocht.
Baruch 1:20
En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze dag is.
Baruch 1:22
Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.
Baruch 2:3
Zodat wij eten zouden, de een het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn dochter.
Baruch 2:4
Hij heeft hen overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid heeft.
Baruch 2:8
En wij hebben het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen harten.
Baruch 2:11
En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk deze dag uitwijst.
Baruch 2:30
Want ik weet dat zij mij niet zullen horen, dewijl het een hardnekkig volk is.
Baruch 2:31
Maar zij zullen tot zichzelf inkeren in het land hunner weg voering, en zij zullen erkennen, dat ik de Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven, en oren die horen.
Baruch 2:35
En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven heb.
Baruch 3:1
ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept tot u.
Baruch 3:8
Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap waarheen gij ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken zijn.
Baruch 3:11
Gij zijt verouderd geworden in een vreemd land, gij zijt verontreinigd geworden onder de doden, gij zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.
Baruch 3:14
Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen is, en vrede.
Baruch 3:17
Die spotten met de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.
Baruch 3:32
Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten.
Baruch 4:3
Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.
Baruch 4:12
Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;
Baruch 4:15
Want hij heeft over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal.
Baruch 4:26
Mijn tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd is.
Baruch 4:29
Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing.
Baruch 4:35
Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond worden, een lange tijd.
Baruch 6:4
Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.
Baruch 6:5
Als gij zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Here.
Baruch 6:8
En als voor een maagd, die gaarne versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de hoofden van hun goden.
Baruch 6:12
Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het stof des huizes, dat zeer veel op hen is.
Baruch 6:13
En hij heeft een scepter als een mens, die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.
Baruch 6:14
Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.
Baruch 6:15
Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.
Baruch 6:18
Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn als een der balken, die aan het huis zijn;
Baruch 6:33
En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch af zetten.
Baruch 6:34
Desgelijks kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Indien iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.
Baruch 6:35
Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke.
Baruch 6:36
Zij zullen een blinde niet weder tot het gezicht brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.
Baruch 6:40
Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,
Baruch 6:43
En wanneer een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.
Baruch 6:48
Want zo wanneer krijg of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.
Baruch 6:58
Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden.
Baruch 6:67
De wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf kunnen helpen.
Baruch 6:69
Want gelijk een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit.
Baruch 6:70
Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.
Baruch 6:71
Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden in het land.
Esther (apocr.) 10:6
De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft.
Esther (apocr.) 11:1
IN het vierde jaar toen Ptolomeüs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zeide dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon Ptolomeüs deze tegenwoordige brief der Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van Ptolomeüs, te Jeruzalem die overgezet had;
Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;
Esther (apocr.) 11:3
En was een uit de gevangenen, die Nabuchondonosor de koning te Babel weggevoerd had van Jeruzalem, met Jechonias, de koning van Juda; en dit was zijn droom:
Esther (apocr.) 11:4
Ziet daar was een stem van gedruis en donderslagen, en aardbeving en beroering op de aarde; en ziet twee grote draken kwamen beide voort, bereid om te strijden, en hun stem werd groot.
Esther (apocr.) 11:6
En ziet het was een dag van duisternis en donkerheid, verdrukking en benauwdheid, grote jammer en beroering was op aarde.
Esther (apocr.) 11:8
En zij riepen sterk tot God, en van hun geroep, als van een kleine fontein, kwam een grote rivier en veel water voort.
Esther (apocr.) 13:3
Als ik nu mijn raadsheren vroeg hoe zulks zou mogen tot een goed einde gebracht worden, zo heeft Haman, die bij ons in voorzichtigheid uitmunt, en door zijn onveranderlijke goedwilligheid en standvastige getrouwheid beproefd is, en de tweede plaats van eer in onze koninkrijken verkregen heeft, ons vertoond,
Esther (apocr.) 13:4
Dat onder alle geslachten die op de aardbodem zijn, een zeker hatelijk volk gemengd was, dat in wetten alle volken tegenstrijdig was, en de ordinantien der koningen gedurig verachtte, zodat onze onberispelijke aangerichte regering niet kan voltrokken worden.
Esther (apocr.) 13:5
Dewijl wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het onzer zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt;
Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.
Esther (apocr.) 13:7
Opdat zij, die eertijds vijandelijk gezind waren, en nu nog zijn, op een dag door geweld in het graf gekomen zijnde, onze zaken tegen de toekomende tijd in volmaakte welstand en stilheid mogen laten.
Esther (apocr.) 13:11
En gij zijt een Here van alles, en niemand kan U, die een Here zijt, wederstaan;
Esther (apocr.) 13:14
Maar ik heb dit gedaan, opdat ik de eer van een mens niet zou stellen boven de eer van God;
Esther (apocr.) 14:5
Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat gij Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al hetgeen gij hun gesproken hadt.
Esther (apocr.) 14:10
En om de mond der heidenen te openen, tot verheffing van de deugden der ijdele afgoden, en een vleselijke koning te roemen in eeuwigheid.
Esther (apocr.) 14:15
Gij hebt kennis van alle dingen, en weet dat ik de eer der goddelozen haat, en een afschuw heb van het bed der onbesnedenen, en van alle vreemden.
Esther (apocr.) 14:16
Gij weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken mijner hovaardij, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben.
Esther (apocr.) 15:11
En zij zeide tot hem: Ik zag u aan, heer, als een engel Gods, en mijn hart werd beroerd uit vrees uwer heerlijkheid;
Esther (apocr.) 16:10
Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, waarlijk vreemd van het bloed der Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,
Esther (apocr.) 16:13
En Mordechai, die ons altijd een behoeder en weldoener is, en de onberispelijke metgezellin van ons koninkrijk Esther met haar gehele volk, door veelvuldige en bedriegelijke listen tot verderf te brengen.
Esther (apocr.) 16:16
En dat zij kinderen zijn van de hoogste, grootste, en levende God, die dit ons koninkrijk voor ons, en onze voorouders tot een zeer heerlijke stand heeft gebracht.
Esther (apocr.) 16:18
Omdat hij, die zulks teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn gehele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, gelijk hij waardig was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen.
Esther (apocr.) 16:23
Opdat het beide, nu en hierna, ons wel ga, mitsgaders degenen, die de Perzen gunstig zijn, maar degenen, die ons lagen leggen, zij het een gedenkteken van ondergang.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:31
En al wat gij over ons gebracht hebt, en al wat gij ons hebt gedaan, dat hebt gij in een waarachtig gericht gedaan;
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:32
En hebt ons overgegeven in de handen der goddeloze vijanden, en der allervijandigste afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die de booste is op de gehele wereld.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:33
En nu durven wij onze mond niet opendoen, wij zijn een schande en spot geworden voor uw knechten, en voor allen die u dienen.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:40
Maar neem ons aan, in een verbroken hart, en in een vernederde geest; gelijk als in brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo zij heden onze offerande voor u, en zij volmaakt bij u, want zij zullen niet beschaamd worden, die op u betrouwen.
Gebed van Azaria (Dan. 3) 1:50
En stiet de vlam des vuurs uit de oven, en maakte het middelste des ovens alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen gans niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bekommering aan.
Gezang in de vuuroven (Dan. 3) 1:51
TOEN zongen de drie als uit één mond, en loofden en prezen God in de oven, zeggende:
Susanna (Dan. 13) 1:1
Daar was een man woonachtig te Babylon, wiens naam was Jojakim.
Susanna (Dan. 13) 1:2
Die nam een vrouw genaamd Susanna, een dochter van Chelkias, welke zeer schoon was, en de Here vrezende.
Susanna (Dan. 13) 1:4
En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem tezamen, dewijl hij de aanzienlijkste was van hen allen.
Susanna (Dan. 13) 1:13
En zeiden de een tot de ander: Welaan, laat ons naar huis gaan, want het is de ure des middagmaals.
Susanna (Dan. 13) 1:15
En het geschiedde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna gelijk zij dagelijks gewoon was, met twee dienstmaagden alleen en wilde zich in de hof wassen, overmits het zeer heet was.
Susanna (Dan. 13) 1:18
En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.
Susanna (Dan. 13) 1:21
Doch indien niet zo zullen wij tegen u getuigen dat een jong gezel bij u is geweest, en dat gij daarom uw dienstmaagden van u hebt weggezonden.
Susanna (Dan. 13) 1:27
Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.
Susanna (Dan. 13) 1:37
Een jong gezel kwam tot haar, die verstoken was, en legde zich bij haar.
Susanna (Dan. 13) 1:42
Doch Susanna riep uit met luider stem, en zeide: O eeuwige God, die een kenner zijt der verborgen dingen, en die alle dingen weet eer zij zijn,
Susanna (Dan. 13) 1:45
En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genaamd was Daniël.
Susanna (Dan. 13) 1:48
Doch hij staande in het midden van hen, zeide: Zijt gij kinderen Israëls zo dwaas, dat gij een dochter Israëls veroordeelt, eer gij de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt?
Susanna (Dan. 13) 1:51
En Daniël sprak tot hen: Scheidt de een ver van de ander, en ik zal hen ondervragen.
Susanna (Dan. 13) 1:52
Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.
Susanna (Dan. 13) 1:54
Nu welaan dan, indien gij deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom gij hen bij elkander hebt zien verkeren, en hij zeide: Onder een mastiekboom.
Susanna (Dan. 13) 1:58
Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt gij haar gegrepen, daar zij met elkander verkeerden, en hij zeide: Onder een eik.
Susanna (Dan. 13) 1:60
En de gehele vergadering riep uit met luider stem, en loofden God, die een Verlosser is dergenen die op hem hopen,
Bel en de draak (Dan. 14) 1:2
De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:5
En de koning sprak tot hem: Dunkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet gij niet hoe veel hij dagelijks eet?
Bel en de draak (Dan. 14) 1:12
Zij nu verachtten dit, omdat zij een heimelijke toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:22
En in die plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:27
En het geschiedde, als de Babyloniërs zulks hoorden, dat zij het zeer kwalijk namen, en maakten een oploop tegen de koning, en zeiden: Onze koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verstoord, en de draak gedood, en de priesters heeft hij omgebracht.
Bel en de draak (Dan. 14) 1:32
En Habakuk, de profeet was in Judea, en had een pap gekookt, en had brood gebrokkeld in een diepe schotel, en ging in het veld om het de maaiers te dragen.
Gebed van Manasse 1:8
Gij, Here, die een God zijt der rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, welke tegen u niet hebben gezondigd; maar gij hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben.
Gebed van Manasse 1:12
Daarom bid en smeek ik u, vergeef het mij, Here, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen der aarde, want gij zijt God, een God der boetvaardigen.
1 Makkabeeën 1:5
En hij vergaderde een zeer sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.
1 Makkabeeën 1:8
En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.
1 Makkabeeën 1:11
En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.
1 Makkabeeën 1:12
In deze dagen gingen uit Israël enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn.
1 Makkabeeën 1:15
En zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten der heidenen.
1 Makkabeeën 1:18
En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot.
1 Makkabeeën 1:22
En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.
1 Makkabeeën 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.
1 Makkabeeën 1:32
En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël.
1 Makkabeeën 1:35
En zij bouwden de stad Davids op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.
1 Makkabeeën 1:36
En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk in dezelve.
1 Makkabeeën 1:37
En brachten daarin wapenen en spijze; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik;
1 Makkabeeën 1:38
En deze burcht was om altoos het heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.
1 Makkabeeën 1:41
En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar.
1 Makkabeeën 1:42
Haar heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting.
1 Makkabeeën 1:44
En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.
1 Makkabeeën 1:46
En velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden de afgoden, en ontheiligden de sabbat.
1 Makkabeeën 1:56
En velen van het volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land;
1 Makkabeeën 1:58
En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.
1 Makkabeeën 2:1
In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin.
1 Makkabeeën 2:8
Het heiligdom is in de hand der vreemdelingen. De tempel is geworden als een man die ongeëerd is.
1 Makkabeeën 2:11
Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.
1 Makkabeeën 2:17
En die van des konings wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broeders;
1 Makkabeeën 2:19
En Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst zijner vaderen, en zijn geboden aannam;
1 Makkabeeën 2:23
En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel des konings.
1 Makkabeeën 2:27
En Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.
1 Makkabeeën 2:36
En dezen antwoordden hun niet, en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende:
1 Makkabeeën 2:40
En een man zeide tot zijn naaste: Indien wij allen zouden doen, gelijk onze broeders gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen.
1 Makkabeeën 2:41
En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk onze broeders in de holen gestorven zijn.
1 Makkabeeën 2:42
Toen vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet hield.
1 Makkabeeën 2:43
En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking.
1 Makkabeeën 2:51
Gedenkt onze vaderen, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, en gij zult grote heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam.
1 Makkabeeën 2:53
Jozef heeft in de tijd zijner benauwdheid het gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.
1 Makkabeeën 2:54
Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.
1 Makkabeeën 2:55
Jozua, als hij het woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden.
1 Makkabeeën 2:57
David, in zijn barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd.
1 Makkabeeën 2:58
Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel.
1 Makkabeeën 2:65
En ziet Simon, uw broeder, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn.
1 Makkabeeën 3:3
En hij heeft de eer zijns volks verbreid; en hij deed zijn pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen aan, leverde vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende.
1 Makkabeeën 3:4
Hij is in zijn werken een leeuw gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die ter jacht loopt.
1 Makkabeeën 3:10
Waarom Apollonius de volken vergaderde, en van Samarië een grote macht, om tegen Israël krijg te voeren.
1 Makkabeeën 3:13
En Seron, de overste der krijgsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe lieden bij zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, en zeide:
1 Makkabeeën 3:14
Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord des konings verachten.
1 Makkabeeën 3:15
En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou nemen over de kinderen Israëls.
1 Makkabeeën 3:17
En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?
1 Makkabeeën 3:20
Dezen komen tegen ons, om door een menigte van smaadheid en ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven.
1 Makkabeeën 3:25
En de vrees voor Judas en zijn broederen en een verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen waren.
1 Makkabeeën 3:27
En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer toornig, en zond heen en vergaderde al de krijgsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger.
1 Makkabeeën 3:28
En hij opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden.
1 Makkabeeën 3:30
En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen;
1 Makkabeeën 3:31
Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de schattingen van die landen te ontvangen, en veel geld te vergaderen.
1 Makkabeeën 3:32
En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht, over de zaken des konings, van de rivier Eufraat af tot de landpalen van Egypte toe;
1 Makkabeeën 3:42
Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:
1 Makkabeeën 3:45
En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,
1 Makkabeeën 3:54
En zij bliezen de trompetten en riepen met een grote stem.
1 Makkabeeën 3:56
En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou wederkeren naar zijn huis, volgens de wet.
1 Makkabeeën 4:11
En al de volken zullen verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt.
1 Makkabeeën 4:19
Als Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;
1 Makkabeeën 4:24
En wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, dewijl zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid.
1 Makkabeeën 4:25
En op die dag is Israël een grote verlossing geschied.
1 Makkabeeën 4:38
En zij zagen het heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en de poorten verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op een van de bergen, en de kamers der priesters verwoest;
1 Makkabeeën 4:43
En zij reinigden het heiligdom, en namen de stenen der besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats.
1 Makkabeeën 4:45
Zo is hun een goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaadheid worde, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg;
1 Makkabeeën 4:46
En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou.
1 Makkabeeën 4:47
En zij namen gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste.
1 Makkabeeën 4:58
En daar was een zeer grote vreugde onder het volk, en de smaadheid der heidenen is afgekeerd.
1 Makkabeeën 4:61
En zij zetten daar krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.
1 Makkabeeën 5:2
En zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te verdelgen; allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder het volk enigen te doden en te verdelgen.
1 Makkabeeën 5:3
Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit.
1 Makkabeeën 5:4
En indachtig wordende de boosheid van de kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden gelegd;
1 Makkabeeën 5:6
En vandaar toog hij naar de kinderen van Ammon, en hij vond daar een grote macht, en veel volk, en Timotheüs, hun overste.
1 Makkabeeën 5:12
Komt dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen;
1 Makkabeeën 5:16
Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.
1 Makkabeeën 5:27
En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag.
1 Makkabeeën 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:
1 Makkabeeën 5:34
En het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man.
1 Makkabeeën 5:37
En na deze zaken vergaderde Timotheüs een ander leger, en legerde zich tegenover Rafon over de beek.
1 Makkabeeën 5:38
En Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.
1 Makkabeeën 5:45
En Judas vergaderde al de Israëlieten, die in Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te komen in het land van Juda.
1 Makkabeeën 5:46
En als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang des lands, zeer sterk, en men kon ze noch ter rechter hand noch ter linkerhand voorbij trekken, maar men moest midden daardoor trekken),
1 Makkabeeën 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.
1 Makkabeeën 5:54
En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en zij offerden brandofferen, omdat van hen niet een gevallen was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.
1 Makkabeeën 5:57
Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat ons heentrekken om te beoorlogen de heidenen, die rondom ons zijn.
1 Makkabeeën 5:60
En Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls tot tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk Israël;
1 Makkabeeën 5:61
Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen.
1 Makkabeeën 5:67
En die dag vielen de priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken zonder raad.
1 Makkabeeën 6:1
En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver en van goud;
1 Makkabeeën 6:5
En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;
1 Makkabeeën 6:6
En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden;
1 Makkabeeën 6:8
En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.
1 Makkabeeën 6:11
En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en bemind ware geweest in mijn heerschappij!
1 Makkabeeën 6:13
Ik beken dat om dezer dingen wil mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote droefheid in een vreemd land.
1 Makkabeeën 6:14
En hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse koninkrijk;
1 Makkabeeën 6:18
Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;
1 Makkabeeën 6:37
En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.
1 Makkabeeën 6:40
En een deel van des konings leger werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde.
1 Makkabeeën 6:43
En Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;
1 Makkabeeën 6:44
En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen.
1 Makkabeeën 6:49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.
1 Makkabeeën 6:50
En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.
1 Makkabeeën 6:54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.
1 Makkabeeën 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.
1 Makkabeeën 7:7
Zend dan nu een man, die gij vertrouwt, die daar heenreizende, beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan het land des konings, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.
1 Makkabeeën 7:8
En de koning verkoos Bacchides, een vriend des konings, die regeerde aan gene zijde der rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw.
1 Makkabeeën 7:10
En zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame woorden sprekende met bedrog.
1 Makkabeeën 7:12
En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om enige billijke zaken te verzoeken.
1 Makkabeeën 7:14
Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen met het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.
1 Makkabeeën 7:16
En zij geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:
1 Makkabeeën 7:18
En een vreze voor hen, en een beving viel op het ganse volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken.
1 Makkabeeën 7:19
En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put.
1 Makkabeeën 7:22
En tot hem werden vergaderd allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem.
1 Makkabeeën 7:26
En de koning zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.
1 Makkabeeën 7:27
En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende, vreedzame woorden;
1 Makkabeeën 7:37
Here, gij hebt dit huis uitverkoren, dat uw naam daarin zou aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn een huis des gebeds en der smeking;
1 Makkabeeën 7:45
En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.
1 Makkabeeën 7:46
En uit alle vlekken van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten.
1 Makkabeeën 7:48
En het volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote verheuging.
1 Makkabeeën 8:4
En de koningen, die van het uiterste der aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks schatting gaven;
1 Makkabeeën 8:7
En dat zij hem levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting te geven, en gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken;
1 Makkabeeën 8:10
Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;
1 Makkabeeën 8:14
En dat in deze allen niemand van hen een koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin treffelijk te vertonen;
1 Makkabeeën 8:15
Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden des volks raad hielden, om het wel te regeren;
1 Makkabeeën 8:16
En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.
1 Makkabeeën 8:18
En om van hen het juk weg te nemen, overmits zij zagen dat het rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht.
1 Makkabeeën 8:22
En dit was het afschrift van de brief, welke zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:
1 Makkabeeën 8:29
Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.
1 Makkabeeën 9:10
En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.
1 Makkabeeën 9:24
In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen.
1 Makkabeeën 9:27
Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet was onder gezien.
1 Makkabeeën 9:36
En de kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.
1 Makkabeeën 9:37
En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van een van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.
1 Makkabeeën 9:38
Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol van de berg.
1 Makkabeeën 9:39
En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar kwam een gedruis, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen.
1 Makkabeeën 9:55
En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven.
1 Makkabeeën 9:58
En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in één nacht grijpen.
1 Makkabeeën 9:60
En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch zij konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.
1 Makkabeeën 9:65
En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot getal.
1 Makkabeeën 9:69
En zij werden toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.
1 Makkabeeën 10:2
En de koning Demetrius dat horende, vergaderde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.
1 Makkabeeën 10:11
En hij gebood de werklieden, dat zij de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een sterkte, en zij deden alzo.
1 Makkabeeën 10:13
En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.
1 Makkabeeën 10:16
Zo zeide hij: Zouden wij ook een zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot.
1 Makkabeeën 10:19
Wij hebben van u gehoord, dat gij een machtig man zijt in sterkte, en dat gij bekwaam zijt om onze vriend te zijn.
1 Makkabeeën 10:20
En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.
1 Makkabeeën 10:38
En aangaande de drie streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.
1 Makkabeeën 10:48
En de koning Alexander vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.
1 Makkabeeën 10:62
Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;
1 Makkabeeën 10:64
En het geschiedde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vloden zij allen.
1 Makkabeeën 10:65
En de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.
1 Makkabeeën 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:
1 Makkabeeën 10:70
Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?
1 Makkabeeën 10:73
En nu, gij zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vlieden.
1 Makkabeeën 10:77
Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel krijgsvolk;
1 Makkabeeën 10:78
En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.
1 Makkabeeën 10:81
En Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.
1 Makkabeeën 10:89
En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.
1 Makkabeeën 11:9
En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader.
1 Makkabeeën 11:13
En Ptolomeüs kwam te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee koninklijke hoeden, een van Azië, en een van Egypte.
1 Makkabeeën 11:15
En Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs toog uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht.
1 Makkabeeën 11:27
En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, en in alle andere zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden.
1 Makkabeeën 11:36
Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.
1 Makkabeeën 11:37
En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.
1 Makkabeeën 11:38
En daar was een zekere Tryfon onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde;
1 Makkabeeën 11:56
En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult zijn.
1 Makkabeeën 11:57
En hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben.
1 Makkabeeën 11:58
En hij stelde zijn broeder Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af, tot de landpalen van Egypte toe.
1 Makkabeeën 11:67
En ziet, het leger der vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren.
1 Makkabeeën 11:69
En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.
1 Makkabeeën 12:10
Zo hebben wij nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap en vriendschap, die wij met u hebben, weder te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.
1 Makkabeeën 12:24
En Jonathan, horende dat de oversten des konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,
1 Makkabeeën 12:34
Want horende, dat zij de sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.
1 Makkabeeën 12:36
En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch verkopen.
1 Makkabeeën 12:39
En Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, en een koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.
1 Makkabeeën 12:42
En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.
1 Makkabeeën 13:1
En Simon, horende dat Tryfon een grote krijgsmacht bijeenvergaderde, om te komen naar het land van Juda, en het te verdrukken;
1 Makkabeeën 13:8
En zij antwoordden met een grote stem zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.
1 Makkabeeën 13:11
En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.
1 Makkabeeën 13:26
En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen.
1 Makkabeeën 13:27
En Simon bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn broeders, een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk.
1 Makkabeeën 13:29
En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op de zee varen.
1 Makkabeeën 13:32
En regeerde als koning in zijn plaats; en zette op de koninklijke hoed van Azië, en bracht een grote plaag over het land.
1 Makkabeeën 13:37
De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die gij mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen gesteld zijn, dat zij u vrijdom verlenen.
1 Makkabeeën 13:43
In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.
1 Makkabeeën 13:44
En die in deze stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde een grote beroerte in de stad.
1 Makkabeeën 13:45
En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen, hun klederen verscheurende, en riepen met een grote stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven.
1 Makkabeeën 13:48
En hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een woonplaats.
1 Makkabeeën 13:51
En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid.
1 Makkabeeën 13:54
Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al het krijgsvolk, en hij woonde in Gazara.
1 Makkabeeën 14:2
Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een van zijn oversten om hem levend te krijgen.
1 Makkabeeën 14:5
En hij kreeg, boven al zijn heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden der zee een ingang vonden.
1 Makkabeeën 14:8
Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.
1 Makkabeeën 14:12
En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.
1 Makkabeeën 14:24
Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap der wapenen te bevestigen.
1 Makkabeeën 14:35
Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen.
1 Makkabeeën 14:36
Zodat in zijn tijd alles voorspoedig is geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in de stad Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit zij uitvallende alles rondom het heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten onder de geheiligden.
1 Makkabeeën 14:39
En hij maakte hem een van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid.
1 Makkabeeën 14:41
En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan.
1 Makkabeeën 14:43
Dat bij ook zou verzorgen hetgeen het heiligdom aangaat, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen.
1 Makkabeeën 14:44
En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen van hem zal worden gezegd, of enige vergadering in het land te vergaderen zonder hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met een gouden gesp.
1 Makkabeeën 14:48
En zij geboden dat dit schrift zou worden gesteld in koperen platen, en dat men die zou zetten in de omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats.
1 Makkabeeën 15:3
Dewijl enige boze mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde krijgslieden aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.
1 Makkabeeën 15:6
En ik laat u toe, dat gij een eigen munt moogt slaan voor uw land.
1 Makkabeeën 15:11
En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee.
1 Makkabeeën 15:18
En hebben ons gebracht een schild van duizend ponden.
1 Makkabeeën 15:28
En hij zond aan hem Athenobius, een van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zeide: Gijlieden hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk.
1 Makkabeeën 15:29
Gij hebt de landpalen daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en gij hebt vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk.
1 Makkabeeën 15:33
En Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben eens anders goed niet bemachtigd, maar de erve onzer vaderen, die door onze vijanden wederrechtelijk bij zekere gelegenheid bemachtigd was.
1 Makkabeeën 15:35
En wat aangaat Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen wij voor deze geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem niet een woord;
1 Makkabeeën 15:37
Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias.
1 Makkabeeën 15:38
En de koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet en te paard.
1 Makkabeeën 16:5
En des morgens vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek.
1 Makkabeeën 16:11
En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud,
1 Makkabeeën 16:15
En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.
1 Makkabeeën 16:21
En een, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.
2 Makkabeeën 1:3
En geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige ziel.
2 Makkabeeën 1:14
Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren, opdat hij met haar zou trouwen, opdat hij het geld tot een huwelijksgift ontvangen mocht;
2 Makkabeeën 1:16
En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur des gewelfs, en werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren.
2 Makkabeeën 1:19
Want toen onze vaders in Perzië werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, die toen waren, heimelijk van het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was.
2 Makkabeeën 1:22
Hetwelk gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken bedekt zijnde, weder scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.
2 Makkabeeën 1:23
En als de offerande verteerd werd, deden de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia, mede eenstemmig dat volgende.
2 Makkabeeën 1:24
En het gebed geschiedde op deze wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller dingen, gij die vreselijk zijt, en sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen koning zijt, en goedertieren.
2 Makkabeeën 1:27
Vergader weder onze verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen; zie aan degenen, die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden worden; en laat de heidenen bekennen dat gij onze God zijt.
2 Makkabeeën 1:32
Hetwelk gedaan zijnde, is daar een vlam ontstoken, en als het licht van het altaar daartegen aan scheen, werd het water verteerd.
2 Makkabeeën 2:5
En dat Jeremia daar komende, een woning in de spelonk gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft.
2 Makkabeeën 2:9
Want het is openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd zijnde, een offerande geofferd heeft tot inwijding en heiliging van de tempel.
2 Makkabeeën 2:10
Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft, en dat het vuur nederkomende de brandoffers heeft verteerd.
2 Makkabeeën 2:13
En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, bijeen heeft vergaderd de schriften van de koningen en profeten, en de schriftenl van David, en de brieven der koningen aangaande de heilige geschenken.
2 Makkabeeën 2:24
Deze dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf boeken, zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten.
2 Makkabeeën 2:27
Het is voor ons, die de moeite hebben genomen om dit kort begrip te maken, niet licht geweest, maar een zaak vol zweten en waken.
2 Makkabeeën 2:28
Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij nochtans gaarne deze moeite nemen.
2 Makkabeeën 2:30
Gelijkerwijs een, die een nieuw huis wil bouwen, bekommerd moet zijn over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, naarstig moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen.
2 Makkabeeën 2:32
Doch een kort begrip van hetgeen te zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring der zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift maakt.
2 Makkabeeën 2:33
Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel tot onze voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.
2 Makkabeeën 3:4
En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd.
2 Makkabeeën 3:11
En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.
2 Makkabeeën 3:14
En een dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid in de gehele stad.
2 Makkabeeën 3:24
Zo heeft de prins der geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar tezamen te komen, door de kracht Gods verslagen zijnde, bezweken en in vrees nedervielen.
2 Makkabeeën 3:25
Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, hetwelk sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben.
2 Makkabeeën 3:26
En daar verschenen voor hem nog twee andere jongelingen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan een van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende.
2 Makkabeeën 3:27
En als hij snel ter aarde viel, en met grote duisternis bevangen was, namen zij hem tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;
2 Makkabeeën 3:30
Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vreze, en beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap en vreugde.
2 Makkabeeën 3:38
Indien gij een vijand hebt, of een die uw zaken lagen legt, zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld weder krijgen, indien hij behouden ontkomt, omdat in der waarheid in die plaats een kracht Gods is.
2 Makkabeeën 4:1
De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus geslagen had, en aanstichter ware geweest van al dit kwaad.
2 Makkabeeën 4:3
En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een dergenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden;
2 Makkabeeën 4:5
Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op hetgeen al de menigte, zo in het gemeen als in het bijzonder, dienstig zou zijn.
2 Makkabeeën 4:8
En om dat te verkrijgen beloofde. hij de koning driehonderdenzestig talenten zilver, en nog tachtig talenten uit een ander inkomen.
2 Makkabeeën 4:9
En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig talenten te zullen aanschrijven, indien hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië.
2 Makkabeeën 4:11
En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd.
2 Makkabeeën 4:12
En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen daartoe had verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.
2 Makkabeeën 4:13
Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote voortgang der vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen rechte hogepriester was.
2 Makkabeeën 4:16
Om dezer oorzaak wil is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, wier leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.
2 Makkabeeën 4:19
Zond deze goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië waren, medebrengende driehonderd drachmen zilver tot een offerande van de afgod Herkules; waarvan die ze brachten nochtans baden, dat ze tot die offerande niet zouden gebruikt worden.
2 Makkabeeën 4:25
En des konings bevelen ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende dat des hogepriesterschaps waardig was; maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid van een wild barbaars beest hebbende.
2 Makkabeeën 4:26
En Jason, die zijn eigen broeder met bedrog uitgeworpen had door een ander weder met bedrog uitgeworpen zijnde, gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis.
2 Makkabeeën 4:29
Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus, zijn broeder, gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus.
2 Makkabeeën 4:30
En als deze dingen zo gesteld waren, is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven waren aan Antiochus, des konings bijwijf.
2 Makkabeeën 4:31
Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld waren.
2 Makkabeeën 4:32
En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen had, heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.
2 Makkabeeën 4:33
Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij Antiochië.
2 Makkabeeën 4:40
En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.
2 Makkabeeën 4:46
Ptolomeüs dan hetzelve ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald,
2 Makkabeeën 4:48
Zo hebben dan haastelijk een onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze beschuldiging aangebracht hadden.
2 Makkabeeën 4:50
En Menelaüs bleef door de gierigheid dergenen die de macht hadden, in het opperste gezag, toenemende in boosheid, en is geworden een groot verrader der burgers.
2 Makkabeeën 5:3
En hopen paarden in slagorde gesteld, en treffen dat op elkander geschiedde, en aanlopen tegen elkander, en beweging der schilden, een grote menigte van spiesen, en schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen.
2 Makkabeeën 5:5
En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen vergaderd hebbende, heeft terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood Menelaüs op de burcht.
2 Makkabeeën 5:8
Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.
2 Makkabeeën 5:10
En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch zijner vaderen graf mogen genieten.
2 Makkabeeën 5:13
En er geschiedde een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood.
2 Makkabeeën 5:15
En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.
2 Makkabeeën 5:17
Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet aanmerkende, dat om der zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.
2 Makkabeeën 5:22
En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had,
2 Makkabeeën 5:24
En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.
2 Makkabeeën 5:26
En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorstek