Vindplaatsen van het woord een in de apocriefe geschriften (1672 verzen; getoond worden vers 1501 t/m 1672):
2 Makkabeeën 8:30
En hun macht te zamen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude lieden.
2 Makkabeeën 8:32
En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan had.
2 Makkabeeën 8:33
En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon zijner goddeloosheid verkregen.
2 Makkabeeën 8:35
Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.
2 Makkabeeën 8:36
En hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.
2 Makkabeeën 9:2
Want als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.
2 Makkabeeën 9:4
Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, als ik daar zal gekomen zijn.
2 Makkabeeën 9:5
Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzienlijke plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn der ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen;
2 Makkabeeën 9:7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.
2 Makkabeeën 9:8
Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te willen gebieden, met een vermetelheid, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,
2 Makkabeeën 9:10
Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren des hemels scheen te raken, niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank.
2 Makkabeeën 9:12
En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zeide hij deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke God gelijk te zijn.
2 Makkabeeën 9:14
Dat hij de heilige stad, tot welke bij haastte te komen, om ze ten gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij zou stellen;
2 Makkabeeën 9:15
En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te werpen, allen tezamen die van Athene gelijk zou maken;
2 Makkabeeën 9:17
En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.
2 Makkabeeën 9:18
Maar als de pijnen geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:
2 Makkabeeën 9:22
Wederkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een krankheid, die haar zwarigheid heeft, heb ik nodig geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende dat ik deze krankheid zal ontvlieden.
2 Makkabeeën 9:23
Doch aanmerkende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;
2 Makkabeeën 9:26
Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.
2 Makkabeeën 9:28
Zo heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, gelijk hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.
2 Makkabeeën 10:3
En als zij de tempel hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen, hebben zij offerande geofferd, na de tijd van twee jaren; en hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd.
2 Makkabeeën 10:6
En zij vierden met vreugde acht dagen, naar de wijze der loofhutten, gedachtenis hoe zij een weinig tijds tevoren op het feest der loofhutten, op de bergen en in de spelonken, gelijk de wilde beesten, in eenzaamheid geweest waren.
2 Makkabeeën 10:8
En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse volk der Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden.
2 Makkabeeën 10:11
Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië.
2 Makkabeeën 10:13
Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten. had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.
2 Makkabeeën 10:16
En die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en God gebeden hebbende, dat hij hen wilde helpen strijden, deden een aanval op de sterkten der Idumeeën.
2 Makkabeeën 10:18
En als er niet minder dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,
2 Makkabeeën 10:24
En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.
2 Makkabeeën 10:28
En als de zon opgegaan was, leverden zij met elkander slag; dezen hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en genen stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd.
2 Makkabeeën 10:29
Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.
2 Makkabeeën 10:32
En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte, genaamd Gazara, waar Cherea de overste was.
2 Makkabeeën 10:35
En als de vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige jongelingen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.
2 Makkabeeën 10:37
En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas en Apollofanes.
2 Makkabeeën 11:1
En een zeer weinig tijds daarna, Lysias, des konings hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over hetgeen geschied was,
2 Makkabeeën 11:2
En vergaderd hebbende omtrent tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats der heidenen;
2 Makkabeeën 11:5
Kwam in Judea, en genaakte Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van Jeruzalem omtrent vijf stadiën en hij benauwde het.
2 Makkabeeën 11:6
En als die met Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun sterkten belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen en tranen de Here, dat hij een goede engel wilde zenden tot behoud van Israël.
2 Makkabeeën 11:8
En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting schuddende.
2 Makkabeeën 11:10
En zij trokken in slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.
2 Makkabeeën 11:19
Daarom, indien gij behouden zult de goedgunstigheid tot onze zaken, zo zal ik ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren.
2 Makkabeeën 11:34
De Romeinen hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, van deze inhoud: Quintus Memmius, en Titus Manlius, gezanten der Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed.
2 Makkabeeën 12:5
En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter,
2 Makkabeeën 12:11
En als er een hevig gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.
2 Makkabeeën 12:13
En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen gemengd, bewoond werd, met name Caspin.
2 Makkabeeën 12:16
En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.
2 Makkabeeën 12:18
En zij vonden Timotheüs niet in die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder iets uitgericht te hebben, vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in zekere plaats, die zeer sterk was.
2 Makkabeeën 12:21
Timotheüs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd Karnion, want deze plaats was moeilijk te belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen.
2 Makkabeeën 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.
2 Makkabeeën 12:27
En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen.
2 Makkabeeën 12:35
En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek henen; en als hij deze levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte Gorgias naar Marisa.
2 Makkabeeën 12:36
En als degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen;
2 Makkabeeën 12:37
En beginnende in zijn vaderlijke taal een geroep met lofzangen, viel hij onverwachts op de soldaten van Gorgias, en dreef hen op de vlucht.
2 Makkabeeën 12:40
En zij vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren.
2 Makkabeeën 12:43
En enige voorraad gemaakt hebbende uit een hoofdschatting, van tweeduizend drachmen zilver, zond die naar Jeruzalem om offerande te doen voor de zonde; gans wel en edel doende, daar hij dacht aan de opstanding.
2 Makkabeeën 12:45
Daarbenevens dat hij aanmerkte dat degenen, die godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd is.
2 Makkabeeën 12:46
Een heilige en godzalige gedachte! Waarom hij voor de gestorvenen de verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen worden.
2 Makkabeeën 13:2
En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend.
2 Makkabeeën 13:5
Daar was in die plaats een toren, vijftig ellen hoog, vol was, in deze was een rond instrument, waarvan men aan alle kanten afviel in de as.
2 Makkabeeën 13:6
Zij stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anderszins enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.
2 Makkabeeën 13:7
Met zulk een dood gebeurde het dat deze goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen.
2 Makkabeeën 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.
2 Makkabeeën 13:11
En dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept, niet wilde laten vallen in de handen der schandelijke heidenen.
2 Makkabeeën 13:18
De koning nu, een proef gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen.
2 Makkabeeën 13:19
En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting der Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit en verminderd.
2 Makkabeeën 13:21
En Rodocus, een van het Joodse krijgsvolk, boodschapte de geheime, zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten is.
2 Makkabeeën 13:24
En omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, van Ptolomaïs of tot de Gerzenen.
2 Makkabeeën 14:1
Na de tijd van drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;
2 Makkabeeën 14:3
En een zekere Alcimus, die tevoren hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet had in de tijden der vermenging, overleggende dat voor hem in generlei wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen hebben tot het heilig altaar,
2 Makkabeeën 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.
2 Makkabeeën 14:6
Zeide daarop: Die onder de Joden genoemd worden de Asideeën, van wie Judas Makkabeüs de overste is, die voeren gedurig oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt.
2 Makkabeeën 14:8
Eerstelijk omdat ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid dergenen, waarvan tevoren gesproken is, lijdt ons ganse geslacht geen kleine zwarigheid.
2 Makkabeeën 14:17
En Simon, de broeder van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen.
2 Makkabeeën 14:18
Desgelijks Nicanor, horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag.
2 Makkabeeën 14:21
En zij stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden komen op een plaats, en van beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen.
2 Makkabeeën 14:22
En Judas stelde enigen, die in de wapenen waren, in bekwame plaatsen, om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger tijd onvoorziens een schelmstuk zou geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking gehad.
2 Makkabeeën 14:25
En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen en kinderen gewinnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid en leidde een gewoon leven.
2 Makkabeeën 14:29
En daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen.
2 Makkabeeën 14:31
De andere nu, merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist bedrogen was, ging naar de grootste en heiligste tempel, als de priesters de behoorlijke offeranden opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.
2 Makkabeeën 14:33
Indien gij mij Judas niet gevangen overlevert, zo zal ik deze tempel Gods tot een vlak veld maken en ik zal het altaar ondergraven, en zal daar weder bouwen een doorluchtige tempel ter ere van Bacchus.
2 Makkabeeën 14:34
En als hij zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende:
2 Makkabeeën 14:37
En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader der Joden was genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor.
2 Makkabeeën 14:38
Want in de voorgaande tijden werd bij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom, met alle standvastigheid.
2 Makkabeeën 14:45
En als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam met een loop door de scharen henen.
2 Makkabeeën 14:46
En staande op een steile steenrots, en zijnde nu geheel zonder bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en die met beide handen nemen, wierp het onder de scharen; en aanroepende de Here van leven en geest, dat hij hem die wilde wedergeven, zo is hij op deze wijze gestorven.
2 Makkabeeën 15:3
Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.
2 Makkabeeën 15:4
En als dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.
2 Makkabeeën 15:5
En de ander zeide: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en des konings diensten te volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren.
2 Makkabeeën 15:6
En deze Nicanor, met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.
2 Makkabeeën 15:11
En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid van schilden en spiesen, als met vermaning van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte hij hen allen tezamen zeer verheugd.
2 Makkabeeën 15:12
En aldus was zijn gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.
2 Makkabeeën 15:13
En dat zo ook verschenen was een man met grauwe haren en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en gans voortreffelijk;
2 Makkabeeën 15:15
En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zeide:
2 Makkabeeën 15:16
Neem dit heilige zwaard, een geschenk van God, met hetwelk gij de vijanden zult verwonden.
2 Makkabeeën 15:20
En als zij nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun leger in slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugelen gesteld,
2 Makkabeeën 15:29
En een groot geroep en getier daar gemaakt zijnde, prezen zij de Here, in hun vaderlijke taal.
2 Makkabeeën 15:35
En hij hing het hoofd van Nicanor uit de burcht, om voor allen te zijn een kennelijk en openbaar teken van de hulp des Heren.
2 Makkabeeën 15:36
En zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij deze dag geenszins ongeëerd zouden laten;
2 Makkabeeën 15:39
En indien ik dit wel, en gelijk het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar indien ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is hetgeen dat ik heb kunnen doen.
2 Makkabeeën 15:40
Want gelijk het ongezond is wijn alleen te drinken, en ook desgelijks water alleen, en gelijkerwijs de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft, en aangenaam is te drinken wijn met water gemengd, zo is ook een bekwame beschrijving der historie aangenaam voor de oren der lezers. En dit zij dan het einde.
3 Makkabeeën 1:3
En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltrekken, nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich des nachts tot de tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de krijg maken.
3 Makkabeeën 1:4
Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, doch die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke inzettingen, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.
3 Makkabeeën 1:5
En als er een bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven.
3 Makkabeeën 1:13
En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Indien dat geschied is, zeide de koning, om welke oorzaak zou ik dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?
3 Makkabeeën 1:16
En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die verordineerd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar betamelijke schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.
3 Makkabeeën 1:19
Daarbenevens sommigen van de burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering.
3 Makkabeeën 1:22
Doch hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken aan hetgeen tevoren gezegd is.
3 Makkabeeën 1:24
En uit het zeer sterk, en moeilijk tezamen gebracht geschreeuw des volks, ontstond een geroep dat niet was te vergelijken,
3 Makkabeeën 1:25
Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de gehele vloer een weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats.
3 Makkabeeën 2:1
Simon dan, de hogepriester, tegenover het binnenste des tempels de knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed een zodanig gebed:
3 Makkabeeën 2:2
O Here, Here, o Koning der hemelen en Heerser aller schepselen, gij Heilige in het heiligdom, gij enige Heerser, gij Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in stoutheid en sterkte verhovaardigt.
3 Makkabeeën 2:3
Want gij, die alles geschapen, en aller dingen macht hebt, gij zijt een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt gij.
3 Makkabeeën 2:4
Gij hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder welke ook de reuzen waren, die op hun sterkte en stoutheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.
3 Makkabeeën 2:5
Gij hebt de Sodomieten, toen zij allen hovaardigheid werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.
3 Makkabeeën 2:8
Gij hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd u ten naam, hoewel gij geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van uw grote en dierbare naam.
3 Makkabeeën 2:18
Maar als hij een wijle daarna weder tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij geenszins tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.
3 Makkabeeën 2:20
En hij nam voor openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.
3 Makkabeeën 2:21
Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.
3 Makkabeeën 2:25
En die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten.
3 Makkabeeën 3:1
En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd was tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.
3 Makkabeeën 3:2
Als nu deze dingen geordineerd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.
3 Makkabeeën 3:3
Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.
3 Makkabeeën 3:5
Maar de Grieken, die in de stad waren, wie gans geen leed geschied was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop geschiedde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),
3 Makkabeeën 3:6
Maar zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden veranderen, want zeiden zij, die God, die alles bekend is, zal een zodanig besluit niet zo gedogen.
3 Makkabeeën 3:16
Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad alle tijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen nederwerpen.
3 Makkabeeën 3:18
Zo gelasten wij, zodra deze brief zal ontvangen zijn, dat men op diezelfde ure, allen die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren banden zal sluiten, en met smaadheid en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke vijanden waardig zijn.
3 Makkabeeën 3:19
Want als deze allen tegelijk gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor ons de zaken des rijks in een goede stand en zeer goede orde volmaakt gesteld zullen worden.
3 Makkabeeën 3:22
Voorts elke plaats, waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het gehele menselijke geslacht. En zodanig was de inhoud en schrift van deze brief.
3 Makkabeeën 4:1
En overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, overmits de vijandschap nu met stoutheid zich blijkbaar openbaarde, welke in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.
3 Makkabeeën 4:2
Maar de Joden waren in een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, hetwelk jegens hen zo schielijk besloten was.
3 Makkabeeën 4:4
Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.
3 Makkabeeën 4:5
Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grauwe haren bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan.
3 Makkabeeën 4:6
Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, droefheid, en het haar met welriekende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.
3 Makkabeeën 4:8
En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden der schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de ganse scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan.
3 Makkabeeën 4:11
Overmits hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien.
3 Makkabeeën 4:16
Doch dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.
3 Makkabeeën 5:3
Daarenboven gingen tegen de avond de dienaars uit, en bonden de handen der ellendige Joden, en bedachten voorts wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat dit geslacht tegelijk des morgens een einde zou nemen en uitgeroeid worden.
3 Makkabeeën 5:4
Doch de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen.
3 Makkabeeën 5:6
Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin der wereld aan, hetwelk bij nacht en bij dag door hem bestierd wordt, als die het aan allen schenkt wie hij wil) gezonden tot de koning.
3 Makkabeeën 5:7
En door de krachtige werking des Heren werd hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit werd hij grotelijks bedrogen.
3 Makkabeeën 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.
3 Makkabeeën 5:14
Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken.
3 Makkabeeën 5:18
Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; doch dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van hetgeen tevoren bij hem bedacht was.
3 Makkabeeën 5:21
Zo vele ouders, of kindskinderen als er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (indien ik het niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden.
3 Makkabeeën 5:22
Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.
3 Makkabeeën 5:24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.
3 Makkabeeën 5:27
Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning der Joden, waren geschied,
3 Makkabeeën 5:28
Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen dezen zonder enig verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten dezer wrede beesten, en zo ten grave zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offeranden offerden daar wij niet mogen ingaan, zeide hij in der haast met vuur verbranden, en te allen tijd in de as laten liggen.
3 Makkabeeën 5:30
En de overste der olifanten heeft de beesten met zeer welriekende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omtrent de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord.
3 Makkabeeën 5:31
Toen is hij, zijn goddeloos hart met grote grimmigheid vervallende, in allerijl met de beesten uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang dergenen, waarvan tevoren gesproken is.
3 Makkabeeën 5:32
Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige verwachting.
3 Makkabeeën 5:35
Doch wederom, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren geschied waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Here aller schepselen, dat hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten des doods gesteld waren.
3 Makkabeeën 6:1
En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus:
3 Makkabeeën 6:2
O machtige Koning, gij opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!
3 Makkabeeën 6:3
Gij hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige stoutheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hovaardige heerkracht en verdelgd, en het geslacht Israëls een licht van uw barmhartigheid betoond.
3 Makkabeeën 6:5
Gij hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet een haar aan hen gekrenkt is, maar gij zondt de vlam tot al hun tegenpartijders.
3 Makkabeeën 6:6
Gij hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot spijs der wilde dieren, onbeschadigd weder in het licht gebracht; en gij hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.
3 Makkabeeën 6:16
En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mede een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk schreien bewogen werd.
3 Makkabeeën 6:23
Wie heeft dezen, die de sterkten van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?
3 Makkabeeën 6:25
Ontbindt, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af hetgeen door u jegens hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.
3 Makkabeeën 6:28
Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd des behouds, en vervuld met blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun ten val en ten grave bereid was, in verscheidene gezelschappen.
3 Makkabeeën 6:29
En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weder aan de lofzangen hunner vaderen, God de behouder en wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een teken der vreedzame blijdschap.
3 Makkabeeën 6:30
Desgelijks hield ook de koning om dezer zaken wil een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem geschied was.
3 Makkabeeën 6:31
En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas der vogelen gesteld en met blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat hun snorkende stoutheid met oneer uitgeblust was.
3 Makkabeeën 6:33
En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van God geschied was.
3 Makkabeeën 7:2
Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo hebben sommigen onzer vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op een hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk afvalligen, straffen.
3 Makkabeeën 7:3
En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede stand zouden hebben, om de vijandschap, welke dezen tegen alle volken hebben, totdat dit zou volbracht zijn.
3 Makkabeeën 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.
3 Makkabeeën 7:6
En wij hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.
3 Makkabeeën 7:7
Want gij zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen bedenken of hen enigszins zullen bedroeven, dat wij niet een mens, maar de hoogste God, de heerser aller mogendheid, alle tijd in alles onvermijdelijk tot onze wederpartij zullen hebben, tot wraak van zulk een doen. Vaartwel.
3 Makkabeeën 7:15
Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang wachtende was, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis kwamen.
3 Makkabeeën 7:17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.
[1 - 500] [501 - 1000] [1001 - 1500] 1501 - 1672
Statenvertaling on line - bijbel en kunst