Vindplaatsen van het woord feest in het nieuwe testament (28 verzen):

Mattheüs 26:5
Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.

Mattheüs 27:15
En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welken zij wilden.

Marcus 14:1
En het pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.

Marcus 14:2
Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.

Marcus 15:6
En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden.

Lukas 2:41
En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.

Lukas 22:1
En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij.

Lukas 23:17
En hij moest hun op het feest een loslaten.

Johannes 2:23
En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.

Johannes 4:45
Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.

Johannes 5:1
Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.

Johannes 6:4
En het pascha, het feest der Joden, was nabij.

Johannes 7:2
En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij.

Johannes 7:8
Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.

Johannes 7:10
Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.

Johannes 7:11
De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij?

Johannes 7:14
Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde.

Johannes 7:37
En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.

Johannes 10:22
En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.

Johannes 11:56
Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?

Johannes 12:12
Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,

Johannes 12:20
En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden;

Johannes 13:1
En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.

Johannes 13:29
Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou.

Handelingen 2:1
En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.

Handelingen 18:21
Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.

1 Korinthiërs 5:8
Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

Kolossensen 2:16
Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;