Vindplaatsen van het woord gaf in de apocriefe geschriften (57 verzen):

3 Ezra 1:54
Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige vaten des Heren groot en klein, en de ark des Heren, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.

3 Ezra 2:11
En Cyrus, de koning der Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;

3 Ezra 6:15
En daar onze vaders tegen de Here Israëls, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning der Chaldeeën,

4 Ezra 10:26
En ziet, zij gaf haastig groot geluid ener stem van zich, vol vreselijkheid, zodat de aarde beefde van de stem der vrouw.

4 Ezra 14:42
De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen der zinnen van mij werden gezegd, welke zij nochtans niet wisten.

Tobias (Tobit) 1:6
En ik reisde menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Aärons, voor het altaar.

Tobias (Tobit) 1:7
De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen Aärons, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.

Tobias (Tobit) 1:8
En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.

Tobias (Tobit) 1:14
En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.

Tobias (Tobit) 1:16
En ik gaf tien talenten zilvers in bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.

Tobias (Tobit) 1:20
Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die begroef ik.

Tobias (Tobit) 1:22
En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.

Tobias (Tobit) 5:3
En toen gaf hij hem het handschrift, en zeide tot hem:

Tobias (Tobit) 7:15
En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.

Tobias (Tobit) 9:6
En Rafaël reisde heen, en vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift.

Tobias (Tobit) 9:7
Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem.

Tobias (Tobit) 10:11
En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.

Judith 2:17
En hij daalde af in het veld van Damaskus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte des zwaards.

Judith 7:13
En de kinderen Israëls riepen tot de Here hun God, want hun geest werd kleinmoedig, dewijl al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.

Judith 10:5
En zij gaf haar dienstmaagd een lederen fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een male met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar vaten om en om, en legde ze deze op.

Judith 13:11
En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak harer spijs.

Judith 15:15
En nam groene takken in haar handen, en gaf ook de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het ganse volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen Israëls volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.

Judith 16:23
En Judith hing op in de tempel al de vaten van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het behangsel, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Here.

Boek der Wijsheid 8:21
En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, indien God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.

Jezus Sirach 46:11
De Here gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden.

Jezus Sirach 47:6
Want hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te ver hogen.

Jezus Sirach 47:9
In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden.

Jezus Sirach 47:25
En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.

Jezus Sirach 47:27
Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer;

Esther (apocr.) 12:5
En de koning beval dat Mordechai aan zijn hof zou dienen en gaf hem hierover geschenken.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:21
En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel.

Bel en de draak (Dan. 14) 1:26
En Daniël nam pek, vet en haar, en kookte dit tezamen, en maakte daar koeken van, en gaf die de draak in de muil, en de draak berstte daarvan, en hij zeide: Zie uw goden.

1 Makkabeeën 1:14
En sommigen van het volk waren volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen te plegen.

1 Makkabeeën 3:28
En hij opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden.

1 Makkabeeën 3:34
En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem;

1 Makkabeeën 6:15
En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.

1 Makkabeeën 7:9
En hij zond dezen; en meteen de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de kinderen Israëls.

1 Makkabeeën 9:72
En hij gaf hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen; en wedergekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.

1 Makkabeeën 10:6
En hij gaf hem macht om krijgsvolk te vergaderen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn medegenoot in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te geven.

1 Makkabeeën 10:9
En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.

1 Makkabeeën 10:58
En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, gelijk de koningen, in grote heerlijkheid.

1 Makkabeeën 10:60
En hij reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen.

1 Makkabeeën 10:89
En hij zond hem een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot een erfgift.

1 Makkabeeën 11:12
En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar.

1 Makkabeeën 11:57
En hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben.

1 Makkabeeën 11:61
En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.

1 Makkabeeën 11:65
En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin.

1 Makkabeeën 12:25
Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen.

1 Makkabeeën 12:43
Maar ontving hem met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen zijn als hemzelf.

1 Makkabeeën 13:50
En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen.

1 Makkabeeën 14:8
Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.

1 Makkabeeën 14:32
Zo is dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten van zijn eigen geld, en bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.

1 Makkabeeën 15:38
En de koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk, te voet en te paard.

2 Makkabeeën 4:34
Waarom Menelaüs, hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen; die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag.

2 Makkabeeën 15:15
En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zeide:

3 Makkabeeën 3:8
Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief:

3 Makkabeeën 7:10
En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over alle zodanigen dat zij degenen, die de wet Gods overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien.