Vindplaatsen van het woord gaaft in het oude testament (5 verzen):
Genesis 43:6
En Israël zeide: Waarom hebt gij zo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft, of gij nog een broeder hadt?
2 Samuël 22:41
En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.
1 Koningen 13:8
Maar de man Gods zeide tot den koning: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.
Nehemia 9:35
Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.
Psalmen 18:41
En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst