Vindplaatsen van het woord israŽlieten in het oude testament (19 verzen):

Exodus 9:4
En de HEERE zal een afzondering maken tussen het vee der IsraŽlieten, en tussen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen IsraŽls is.

Exodus 11:7
Maar bij alle kinderen IsraŽls zal niet een hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet, dat de HEERE tussen de Egyptenaren en tussen de IsraŽlieten een afzondering maakt.

Exodus 15:22
Hierna deed Mozes de IsraŽlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.

Jozua 8:22
Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der IsraŽlieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.

Jozua 8:24
En het geschiedde, toen de IsraŽlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans IsraŽl naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.

Jozua 8:27
Alleenlijk roofden de IsraŽlieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had.

Jozua 10:12
Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen IsraŽls overgaf, en zeide voor de ogen der IsraŽlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!

Jozua 11:13
Alleenlijk verbrandden de IsraŽlieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.

1 SamuŽl 2:14
En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de IsraŽlieten, die te Silo kwamen.

1 SamuŽl 14:21
Er waren ook HebreŽn bij de Filistijnen, als eertijds, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; dezen nu vervoegden zich ook met de IsraŽlieten, die bij Saul en Jonathan waren.

1 SamuŽl 17:3
De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de IsraŽlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.

1 SamuŽl 17:21
En de IsraŽlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.

1 SamuŽl 29:1
De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de IsraŽlieten legerden zich bij de fontein, die bij JizreŽl is.

1 Koningen 12:19
Alzo vielen de IsraŽlieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.

2 Koningen 3:24
Maar als zij aan het leger van IsraŽl kwamen, maakten zich de IsraŽlieten op, en sloegen de Moabieten; en zij vloden van hun aangezicht; ja, zij kwamen in het land, slaande ook de Moabieten.

2 Koningen 7:13
Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de gehele menigte der IsraŽlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der IsraŽlieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien.

1 Kronieken 9:2
De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de IsraŽlieten, de priesters, de Levieten, en de Nethinim.

2 Kronieken 10:19
Alzo vielen de IsraŽlieten van het huis van David af, tot op dezen dag.

2 Kronieken 31:1
Als zij nu dit alles voleind hadden, togen alle IsraŽlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gans Juda en Benjamin, ook in EfraÔm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen IsraŽls weder, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.