Vindplaatsen van het woord ieder in de apocriefe geschriften (70 verzen):
3 Ezra 3:5
Laat ons ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en wiens woord wijzer zal schijnen dat dat des anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven.
3 Ezra 3:8
Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen des konings Darius,
3 Ezra 3:22
Hij maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van talenten spreekt.
3 Ezra 6:33
Daarom ook, de Here, wiens naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, welke zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis des Heren te Jeruzalem.
4 Ezra 2:43
En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde.
4 Ezra 3:8
En een ieder volk wandelde naar zijn wil, en deed wonderlijke dingen voor u, verachtte uw geboden.
4 Ezra 3:10
En gelijk over Adam de dood, zo is over een ieder van hen de zondvloed gekomen.
4 Ezra 6:25
En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld.
4 Ezra 7:27
En een ieder, die van de voorzegde onheilen bevrijd is, zal mijn wonderen zien.
4 Ezra 8:6
O Here, zo gij uw knecht niet toelaat, dat wij voor uw aanschijn bidden, en dat gij ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat?
4 Ezra 9:19
Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden dergenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden.
4 Ezra 11:8
Gij zult niet allen tegelijk waken, een ieder slape op zijn plaats, en wake te zijner tijd.
4 Ezra 12:49
En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen.
4 Ezra 13:33
En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn krijg, die hij tegen de andere had, laten varen.
Tobias (Tobit) 4:19
Zoek raad bij een ieder die verstandig is, en veracht een nuttige raad nimmer.
Tobias (Tobit) 13:9
Dat een ieder spreke, en hem dankzegge in gerechtigheid.
Judith 2:9
En een grote menigte koren voor ieder man.
Judith 11:3
Maar nu, zeg mij, waarom gij van hen gevloden en tot ons gekomen zijt, want gij komt tot uw behoudenis; heb goede moed, gij zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, gelijk als geschiedt de knechten mijns heren, van de koning Nabuchodonosor.
Judith 14:9
Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:
Boek der Wijsheid 15:7
Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker.
Boek der Wijsheid 16:21
Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.
Jezus Sirach 8:22
Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.
Jezus Sirach 11:30
Leid niet een ieder in uw huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.
Jezus Sirach 13:18
Ieder dier heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.
Jezus Sirach 16:13
Gelijk zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding; hij zal een ieder oordelen naar zijn werken.
Jezus Sirach 16:15
Maak plaats voor allerlei aalmoezen, want een ieder zal vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen.
Jezus Sirach 17:13
Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.
Jezus Sirach 18:8
Het getal der dagen des mensen aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.
Jezus Sirach 18:27
Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing.
Jezus Sirach 22:1
DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.
Jezus Sirach 33:6
Een vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst, hij briest onder een ieder, die op hem zit.
Jezus Sirach 37:1
IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam.
Jezus Sirach 37:8
Een ieder die raad geeft, verheft zijn raad, maar menigeen geeft voor zichzelf raad.
Jezus Sirach 37:29
Want alle dingen zijn allen niet nut, en ieder neemt geen vermaak in alles.
Jezus Sirach 38:28
Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.
Jezus Sirach 40:1
VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.
Jezus Sirach 42:10
En gij zult recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden.
Jezus Sirach 49:2
Zij is zoet in de mond van een ieder als honig, en als een muziekspel op een wijnbanket.
Baruch 1:22
Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.
Baruch 2:8
En wij hebben het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen harten.
1 Makkabeeën 1:8
En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.
1 Makkabeeën 1:44
En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten.
1 Makkabeeën 1:56
En velen van het volk vergaderden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land;
1 Makkabeeën 2:19
En Mattathias antwoordde en zeide met een grote stem: Al ware het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst zijner vaderen, en zijn geboden aannam;
1 Makkabeeën 2:27
En Mattathias riep uit in de stad met een grote stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.
1 Makkabeeën 2:42
Toen vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet hield.
1 Makkabeeën 3:42
Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:
1 Makkabeeën 3:56
En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou wederkeren naar zijn huis, volgens de wet.
1 Makkabeeën 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.
1 Makkabeeën 6:37
En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.
1 Makkabeeën 6:54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.
1 Makkabeeën 10:13
En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.
1 Makkabeeën 11:37
En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom al het krijgsvolk, dat hij van zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.
1 Makkabeeën 14:8
Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.
1 Makkabeeën 14:12
En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.
2 Makkabeeën 2:28
Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij nochtans gaarne deze moeite nemen.
2 Makkabeeën 7:21
Want zij vermaande een ieder hunner in haar vaderlijke spraak, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende;
2 Makkabeeën 7:22
Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam zijt voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;
2 Makkabeeën 9:26
Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.
2 Makkabeeën 12:40
En zij vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren.
2 Makkabeeën 13:2
En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend.
2 Makkabeeën 13:6
Zij stieten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anderszins enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.
2 Makkabeeën 15:11
En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid van schilden en spiesen, als met vermaning van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte hij hen allen tezamen zeer verheugd.
3 Makkabeeën 1:5
En als er een bloedige slag geschiedde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë naarstig toe, en bad het krijgsvolk met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven.
3 Makkabeeën 5:14
Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, gaarne en met blijdschap, en keerden een ieder weder naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken.
3 Makkabeeën 5:22
Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gelaat en aangezicht; en de een voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gelaat, en schaamrood, en lieten degenen, die daar vergaderd waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid.
3 Makkabeeën 6:23
Wie heeft dezen, die de sterkten van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?
3 Makkabeeën 7:6
En wij hebben een ieder gelast, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen wederkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over hetgeen hun buiten recht en reden wedervaren is.
3 Makkabeeën 7:15
Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, om de eigenschap der plaats genaamd Rhodoforos, waar op hen een vloot, naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang wachtende was, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de korting beschikte goedwillig aan een ieder alle nooddruft tot de reis, totdat zij thuis kwamen.
3 Makkabeeën 7:17
Aan welke zij ook tot een heilig gebruik in een gedachtenis pilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door des konings gebod behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees.
Statenvertaling on line - bijbel en kunst