Vindplaatsen van het woord job in het oude testament (53 verzen):

Genesis 46:13
En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.

Job 1:1
Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.

Job 1:5
Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.

Job 1:8
En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.

Job 1:9
Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

Job 1:14
Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.

Job 1:20
Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;

Job 1:22
In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

Job 2:3
En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.

Job 2:7
Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.

Job 2:10
Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

Job 2:11
Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Našmathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.

Job 3:1
Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.

Job 3:2
Want Job antwoordde en zeide:

Job 6:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 9:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 12:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 16:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 19:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 21:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 23:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 26:1
Maar Job antwoordde en zeide:

Job 27:1
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

Job 29:1
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

Job 31:40
Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.

Job 32:1
Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.

Job 32:2
Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van BaracheŽl, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.

Job 32:3
Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.

Job 32:4
Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.

Job 32:12
Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

Job 33:1
En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

Job 33:31
Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

Job 34:5
Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

Job 34:7
Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;

Job 34:35
Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.

Job 34:36
Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.

Job 35:15
Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;

Job 35:16
Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.

Job 37:14
Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

Job 38:1
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

Job 39:34
En de HEERE antwoordde Job, en zeide:

Job 39:36
Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

Job 40:1
En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

Job 42:1
Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

Job 42:7
Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

Job 42:8
Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

Job 42:9
Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Našmathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.

Job 42:10
En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.

Job 42:15
En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen.

Job 42:16
En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten.

Job 42:17
En Job stierf, oud en der dagen zat.

EzechiŽl 14:14
Ofschoon deze drie mannen, Noach, DaniŽl en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.

EzechiŽl 14:20
Ofschoon Noach, DaniŽl en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.