Vindplaatsen van het woord jojarib in het oude testament (7 verzen):

1 Kronieken 9:10
Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,

1 Kronieken 24:7
Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,

Ezra 8:16
Zo zond ik tot EliŽzer, tot AriŽl, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars;

Nehemia 11:5
En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol-hose, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja, den zoon van Siloni.

Nehemia 11:10
Van de priesteren: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin;

Nehemia 12:6
Semaja, en Jojarib, Jedaja,

Nehemia 12:19
En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;