Vindplaatsen van het woord jakobs in het oude testament (55 verzen):

Genesis 27:22
Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen.

Genesis 28:5
Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-aram, tot Laban, den zoon van BethuŽl, den SyriŽr, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.

Genesis 30:2
Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?

Genesis 32:25
En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.

Genesis 32:32
Daarom eten de kinderen IsraŽls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.

Genesis 34:3
En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.

Genesis 34:7
En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte dezen mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in IsraŽl gedaan had, Jakobs dochter beslapende, hetwelk alzo niet zoude gedaan worden.

Genesis 34:13
Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedriegelijk, en spraken (overmits dat hij Dina, hun zuster, verontreinigd had);

Genesis 34:19
En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geŽerd boven al zijns vaders huis.

Genesis 35:23
De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.

Genesis 37:2
Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.

Genesis 46:19
De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.

Genesis 49:24
Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van den Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen IsraŽls;

Exodus 1:5
Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte.

Deuteronomium 33:4
Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente;

Deuteronomium 33:28
IsraŽl dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.

2 SamuŽl 23:1
Voorts zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van IsaÔ zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van IsraŽl, zegt:

1 Koningen 18:31
En Elia nam twaalf stenen, naar het getal der stammen van de kinderen Jakobs, tot welke het woord des HEEREN geschied was, zeggende: IsraŽl zal uw naam zijn.

Psalmen 20:2
De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.

Psalmen 44:5
Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.

Psalmen 75:10
En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen.

Psalmen 81:5
Want dat is een inzetting in IsraŽl, een recht van den God Jakobs.

Psalmen 114:1
Toen IsraŽl uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;

Psalmen 114:7
Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;

Psalmen 132:2
Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:

Psalmen 132:5
Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!

Psalmen 146:5
Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;

Jesaja 2:3
En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

Jesaja 10:20
En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van IsraŽl, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op den HEERE, den Heilige IsraŽls, oprechtelijk.

Jesaja 29:23
Want als hij zijn kinderen, het werk Mijner handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen den Heilige Jakobs heiligen, en den God van IsraŽl vrezen.

Jesaja 41:14
Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje IsraŽls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige IsraŽls!

Jesaja 45:4
Om Jakobs, Mijns knechts wil, en IsraŽls, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet.

Jesaja 49:26
En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.

Jesaja 58:1
Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.

Jesaja 60:16
En gij zult de melk der heidenen zuigen, en gij zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.

Jeremia 10:16
Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en IsraŽl is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

Jeremia 30:18
Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.

Jeremia 51:19
Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en IsraŽl is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.

Klaagliederen 2:2
Beth. De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontheiligd.

EzechiŽl 20:5
En zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik IsraŽl verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs, en maakte Mijzelven hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de HEERE, uw God.

EzechiŽl 39:25
Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis IsraŽls, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;

Amos 3:13
Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt de Heere HEERE, de God der heirscharen;

Amos 6:8
De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heirscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.

Amos 8:7
De HEERE heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten!

Amos 9:8
Ziet, de ogen des Heeren HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de HEERE.

Obadja 1:17
Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.

Obadja 1:18
En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken.

Micha 2:7
O gij, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest des HEEREN verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt?

Micha 3:1
Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis IsraŽls! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?

Micha 3:9
Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis IsraŽls! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;

Micha 4:2
En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.

Micha 5:6
En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.

Nahum 2:2
Want de HEERE heeft de hovaardij Jakobs afgewend, gelijk de hovaardij IsraŽls; want de ledigmakers hebben ze ledig gemaakt, en zij hebben hun wijnranken verdorven.

Maleachi 1:2
Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de HEERE; nochtans heb Ik Jakob liefgehad.

Maleachi 3:6
Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.