Vindplaatsen van het woord judas in de apocriefe geschriften (128 verzen):

3 Ezra 9:23
En van de Levieten: Josabad, en SemeÔs, Kovis (deze is Kalitas) en PatheŁs, en Judas, en Jonas.

1 MakkabeeŽn 2:4
Judas, die genaamd was MakkabeŁs,

1 MakkabeeŽn 2:66
En Judas MakkabeŁs is sterk van kracht, van zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste wezen, en gijlieden zult de krijg der volken voeren.

1 MakkabeeŽn 3:1
En Judas, die genoemd werd MakkabeŁs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;

1 MakkabeeŽn 3:11
En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende, heeft hem geslagen en gedood, en vele gewonden zijn gevallen, en de overigen zijn gevloden.

1 MakkabeeŽn 3:12
En hij heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij streed daarmee al zijn dagen.

1 MakkabeeŽn 3:13
En Seron, de overste der krijgsmachten van SyriŽ, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe lieden bij zich vergaderd had, die met hem ten strijde uittrokken, en zeide:

1 MakkabeeŽn 3:14
Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord des konings verachten.

1 MakkabeeŽn 3:16
En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig volk.

1 MakkabeeŽn 3:17
En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?

1 MakkabeeŽn 3:18
En Judas zeide: Het is licht dat velen besloten worden in de handen van weinigen, en daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door velen of door weinigen.

1 MakkabeeŽn 3:25
En de vrees voor Judas en zijn broederen en een verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen waren.

1 MakkabeeŽn 3:26
Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas.

1 MakkabeeŽn 3:42
Judas en zijn broeders ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de krijgsmachten zich legerden in hun landpalen, en verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te vernielen, zo zeide een ieder tot zijn naaste:

1 MakkabeeŽn 3:55
En na deze stelde Judas oversten des volks, oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten over vijftig, en oversten over tien.

1 MakkabeeŽn 3:58
En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.

1 MakkabeeŽn 4:3
En Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan de krijgsmacht des konings, die in EmmaŁs was;

1 MakkabeeŽn 4:5
En Gorgias kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.

1 MakkabeeŽn 4:6
En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend man; doch zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij gaarne wilden.

1 MakkabeeŽn 4:8
Zo zeide Judas tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.

1 MakkabeeŽn 4:13
En zij togen uit hun leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten.

1 MakkabeeŽn 4:16
En Judas en zijn krijgsvolk keerden weder van hen te vervolgen;

1 MakkabeeŽn 4:19
Als Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg;

1 MakkabeeŽn 4:21
En dezen, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond om te vechten.

1 MakkabeeŽn 4:23
En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, en vele klederen van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.

1 MakkabeeŽn 4:29
En zij, in Idumeš gekomen zijnde, legerden zich te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.

1 MakkabeeŽn 4:36
Judas en zijn broeders zeiden: Ziet onze vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden.

1 MakkabeeŽn 4:41
Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben.

1 MakkabeeŽn 4:59
En Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering van IsraŽl, bepaalden dat de dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag der maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.

1 MakkabeeŽn 5:3
Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeš beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij IsraŽl als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit.

1 MakkabeeŽn 5:10
Daarom vloden zij tot de sterkte van Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders, zeggende:

1 MakkabeeŽn 5:16
Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar vergaderd een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broeders, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.

1 MakkabeeŽn 5:17
En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galašditis trekken.

1 MakkabeeŽn 5:20
En Simon werden toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om te trekken naar Galašditis.

1 MakkabeeŽn 5:24
En Judas de MakkabeeŽr, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn;

1 MakkabeeŽn 5:28
Daarom keerde Judas weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.

1 MakkabeeŽn 5:31
En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een grote stem, en hij zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:

1 MakkabeeŽn 5:38
En Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, een zeer grote macht.

1 MakkabeeŽn 5:39
En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet.

1 MakkabeeŽn 5:40
En TimotheŁs zeide tot de oversten van zijn krijgsvolk, toen Judas naderde, en zijn leger bij de beek des waters: Indien hij eerst zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want hij zal veel machtiger zijn dan wij.

1 MakkabeeŽn 5:42
Als nu Judas nabij de beek des waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen ten strijde.

1 MakkabeeŽn 5:44
En zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad KarnaÔn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas.

1 MakkabeeŽn 5:45
En Judas vergaderde al de IsraŽlieten, die in Galašditis waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te komen in het land van Juda.

1 MakkabeeŽn 5:49
En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede:

1 MakkabeeŽn 5:51
En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk legerden zich, en bestreden de stad die gehele dag en de gehele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd.

1 MakkabeeŽn 5:53
En Judas, leidende de achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat hij kwam in het land van Juda.

1 MakkabeeŽn 5:55
En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galašd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover PtolomaÔs,

1 MakkabeeŽn 5:61
Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen.

1 MakkabeeŽn 5:63
En Judas en zijn broeders zijn zeer verheerlijkt voor het ganse IsraŽl, en al de volken, waar hun naam gehoord werd;

1 MakkabeeŽn 5:65
En Judas en zijn broeders trokken uit en bestreden de kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar vlekken.

1 MakkabeeŽn 5:68
En Judas week naar Azote, in het land der vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden hunner goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof der steden, en keerde weder naar het land Juda.

1 MakkabeeŽn 6:19
Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.

1 MakkabeeŽn 6:32
En Judas brak op van de burcht en legerde zich in Bethzacharia tegenover het leger des konings.

1 MakkabeeŽn 6:42
En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van des konings leger zeshonderd mannen.

1 MakkabeeŽn 7:6
En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broeders hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.

1 MakkabeeŽn 7:10
En zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broeders, vreedzame woorden sprekende met bedrog.

1 MakkabeeŽn 7:23
En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen IsraŽls deden meer dan de heidenen,

1 MakkabeeŽn 7:25
En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze stukken.

1 MakkabeeŽn 7:27
En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, met bedrog sprekende, vreedzame woorden;

1 MakkabeeŽn 7:29
En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkander vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen.

1 MakkabeeŽn 7:30
En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen.

1 MakkabeeŽn 7:35
En hij zwoer met gramschap, zeggende: Indien Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote gramschap.

1 MakkabeeŽn 7:40
En Judas legerde zich in Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zeide:

1 MakkabeeŽn 8:1
En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.

1 MakkabeeŽn 8:17
En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken.

1 MakkabeeŽn 8:20
Judas MakkabeŁs en zijn broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.

1 MakkabeeŽn 9:5
En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen met hem.

1 MakkabeeŽn 9:7
Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen, en hij werd zeer verslagen;

1 MakkabeeŽn 9:10
En Judas zeide: Dat zij verre van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vlieden; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.

1 MakkabeeŽn 9:13
En die met Judas waren bliezen ook zelf de trompetten, zodat de aarde van het geluid des legers beefde, en zij vochten tegen elkander van des morgens vroeg tot de avond toe.

1 MakkabeeŽn 9:14
En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden zich bij hem.

1 MakkabeeŽn 9:16
En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.

1 MakkabeeŽn 9:18
En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht.

1 MakkabeeŽn 9:19
En Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen te Modin.

1 MakkabeeŽn 9:22
En hetgeen nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.

1 MakkabeeŽn 9:23
En het geschiedde na de dood van Judas, dat alle verbrekers der wet in de landpalen van IsraŽl tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten, opstonden.

1 MakkabeeŽn 9:26
En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.

1 MakkabeeŽn 9:28
Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:

1 MakkabeeŽn 9:29
Van dat uw broeder Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk.

1 MakkabeeŽn 11:69
En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.

1 MakkabeeŽn 13:8
En zij antwoordden met een grote stem zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.

1 MakkabeeŽn 14:18
Schreven zij aan hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.

1 MakkabeeŽn 16:2
En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zeide tot hen: Ik en mijn broeders, en het huis mijns vaders hebben de vijanden van IsraŽl beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij IsraŽl door onze handen dikwijls verlost hebben.

1 MakkabeeŽn 16:9
Toen werd Judas, de broeder van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat CendebeŁs gebouwd had.

1 MakkabeeŽn 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

2 MakkabeeŽn 1:10
In het jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning PtolomeŁs, zijnde uit het geslacht der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.

2 MakkabeeŽn 2:14
Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.

2 MakkabeeŽn 2:20
Voorts, wat aangaat de zaken van Judas MakkabeŁs, en zijn broeders, en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding des altaars;

2 MakkabeeŽn 5:27
En Judas, de MakkabeeŽr, is met negen anderen vertrokken naar het gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze der wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om geen deel te hebben aan de ontreiniging.

2 MakkabeeŽn 8:1
En Judas de MakkabeeŽr, en die met hem waren, heimelijk in de vlekken inkomende, riepen hun bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven waren tot zich nemende, vergaderden zesduizend man;

2 MakkabeeŽn 8:5
En als Judas MakkabeŁs een leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn Gods in barmhartigheid was veranderd.

2 MakkabeeŽn 8:12
En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.

2 MakkabeeŽn 8:16
En Judas MakkabeŁs, vergaderd hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet zouden verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;

2 MakkabeeŽn 12:5
En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter,

2 MakkabeeŽn 12:11
En als er een hevig gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van ArabiŽ, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles.

2 MakkabeeŽn 12:12
En Judas, achtende dat zij hem waarlijk in vele zaken zouden dienstig zijn, heeft toegestaan dat men vrede met hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten.

2 MakkabeeŽn 12:14
Maar die van binnen vertrouwende op de vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende, en sprekende onbehoorlijke dingen.

2 MakkabeeŽn 12:15
Doch die met Judas waren, aanroepende de grote prins der wereld, die zonder stormrammen en andere instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen heeft, ten tijde van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen.

2 MakkabeeŽn 12:20
En Judas MakkabeŁs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op TimotheŁs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard.

2 MakkabeeŽn 12:21
TimotheŁs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd Karnion, want deze plaats was moeilijk te belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen.

2 MakkabeeŽn 12:22
Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken werden.

2 MakkabeeŽn 12:23
En Judas vervolgde hen heftig, en doorstak deze booswichten, en vernielde van hen dertigduizend man.

2 MakkabeeŽn 12:26
En Judas vandaar trekkende naar Karnion en Atergation, heeft daar vijfentwintigduizend man doodgeslagen.

2 MakkabeeŽn 12:36
En als degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen;

2 MakkabeeŽn 12:38
En Judas, zijn krijgsvolk bijeen vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.

2 MakkabeeŽn 12:39
En de volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, omtrent de tijd als het nodig is zulks te doen, om de lichamen dergenen die gevallen waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te stellen in de graven hunner vaderen.

2 MakkabeeŽn 12:42
En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied was, om der zonden wil dergenen, die gevallen waren.

2 MakkabeeŽn 13:1
In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.

2 MakkabeeŽn 13:10
Doch Judas, dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen, dat hij, zo hij ooit of immer, nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;

2 MakkabeeŽn 13:12
Als zij dit allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Here baden, met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen nedergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen.

2 MakkabeeŽn 13:20
En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, hetgeen zij van node hadden.

2 MakkabeeŽn 13:23
En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te AntiochiŽ gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.

2 MakkabeeŽn 14:6
Zeide daarop: Die onder de Joden genoemd worden de AsideeŽn, van wie Judas MakkabeŁs de overste is, die voeren gedurig oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt.

2 MakkabeeŽn 14:10
Want zo lang als Judas zal leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht worden.

2 MakkabeeŽn 14:11
En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken.

2 MakkabeeŽn 14:13
Hem brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen tot hogepriester van de grootste tempel.

2 MakkabeeŽn 14:14
En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren gevlucht, vermengden zich als kudden met Nicanor, achtende dat der Joden tegenspoed en ellenden hun eigen voorspoed zou zijn.

2 MakkabeeŽn 14:17
En Simon, de broeder van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen.

2 MakkabeeŽn 14:18
Desgelijks Nicanor, horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag.

2 MakkabeeŽn 14:22
En Judas stelde enigen, die in de wapenen waren, in bekwame plaatsen, om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger tijd onvoorziens een schelmstuk zou geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking gehad.

2 MakkabeeŽn 14:24
En hij hield Judas zeer in waarde, van harte tot de man geneigd zijnde.

2 MakkabeeŽn 14:26
Alcimus nu, ziende de goedwilligheid des enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings; want, zeide hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk lagen legt, verordineerd dat hij in zijn plaats zal komen.

2 MakkabeeŽn 14:33
Indien gij mij Judas niet gevangen overlevert, zo zal ik deze tempel Gods tot een vlak veld maken en ik zal het altaar ondergraven, en zal daar weder bouwen een doorluchtige tempel ter ere van Bacchus.

2 MakkabeeŽn 15:1
Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen van SamariŽ, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen.

2 MakkabeeŽn 15:6
En deze Nicanor, met alle hovaardigheid zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.

2 MakkabeeŽn 15:15
En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zeide:

2 MakkabeeŽn 15:17
Zij dan vermaand zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen manhaftig te maken, namen voor geen leger op te slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.

2 MakkabeeŽn 15:26
Maar die met Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping en gebeden.