Vindplaatsen van het woord justus in het nieuwe testament (3 verzen):

Handelingen 1:23
En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias.

Handelingen 18:7
En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.

Kolossensen 4:11
En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn.