Vindplaatsen van het woord jonathan in de apocriefe geschriften (96 verzen):

3 Ezra 8:36
Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.

Tobias (Tobit) 5:18
Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote SemeÔ wel;

1 MakkabeeŽn 2:5
Eleazar, die genaamd was Aušran, en Jonathan, die genaamd was Sapfus.

1 MakkabeeŽn 4:30
En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van IsraŽl, gij, die de aanval van de machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.

1 MakkabeeŽn 5:17
En Judas zeide tot Simon, zijn broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn; doch ik en mijn broeder Jonathan zullen in Galašditis trekken.

1 MakkabeeŽn 5:24
En Judas de MakkabeeŽr, en Jonathan, zijn broeder, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn;

1 MakkabeeŽn 5:55
En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galašd waren, en Simon, zijn broeder, in Galilea tegenover PtolomaÔs,

1 MakkabeeŽn 9:19
En Jonathan en Simon namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het graf zijner vaderen te Modin.

1 MakkabeeŽn 9:28
Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:

1 MakkabeeŽn 9:31
En Jonathan nam, in die gelegenheid des tijds, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.

1 MakkabeeŽn 9:33
En Jonathan en zijn broeder Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden zich bij het water van het meer Asfar.

1 MakkabeeŽn 9:35
En Jonathan zond zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de NabatheeŽn, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.

1 MakkabeeŽn 9:37
En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van een van de grote heren van Kanašn, geleidden van Nabadath.

1 MakkabeeŽn 9:44
En Jonathan zeide tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is heden niet gelijk gisteren en eergisteren.

1 MakkabeeŽn 9:47
En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.

1 MakkabeeŽn 9:48
En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen.

1 MakkabeeŽn 9:58
En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden: Ziet, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen in ťťn nacht grijpen.

1 MakkabeeŽn 9:60
En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch zij konden niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.

1 MakkabeeŽn 9:62
En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.

1 MakkabeeŽn 9:65
En Jonathan liet zijn broeder Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot getal.

1 MakkabeeŽn 9:70
En Jonathan dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij gegeven worden.

1 MakkabeeŽn 9:73
En zo rustte het zwaard in IsraŽl; en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen in IsraŽl niet verschenen.

1 MakkabeeŽn 10:3
En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.

1 MakkabeeŽn 10:7
En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren.

1 MakkabeeŽn 10:9
En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.

1 MakkabeeŽn 10:10
En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.

1 MakkabeeŽn 10:15
En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.

1 MakkabeeŽn 10:18
De koning Alexander wenst zijn broeder Jonathan voorspoed.

1 MakkabeeŽn 10:21
En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk, en maakte vele wapenen gereed.

1 MakkabeeŽn 10:46
Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in IsraŽl gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had.

1 MakkabeeŽn 10:59
En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.

1 MakkabeeŽn 10:62
Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;

1 MakkabeeŽn 10:66
En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde.

1 MakkabeeŽn 10:69
En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-SyriŽ was gezet, en vergaderde een grote krijgsmacht, en legerde zich in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende:

1 MakkabeeŽn 10:74
Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoor tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.

1 MakkabeeŽn 10:76
En die van de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe.

1 MakkabeeŽn 10:79
En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter hem.

1 MakkabeeŽn 10:81
En Jonathan vernam dat achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan gelast had; en hun paarden waren vermoeid.

1 MakkabeeŽn 10:84
En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevloden waren, met vuur.

1 MakkabeeŽn 10:86
En Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.

1 MakkabeeŽn 10:87
En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.

1 MakkabeeŽn 10:88
En het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.

1 MakkabeeŽn 11:4
En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg.

1 MakkabeeŽn 11:5
En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de koning zweeg,

1 MakkabeeŽn 11:6
En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij groetten elkander en zij sliepen aldaar.

1 MakkabeeŽn 11:7
En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.

1 MakkabeeŽn 11:20
In die dagen vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van geweld.

1 MakkabeeŽn 11:21
En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde.

1 MakkabeeŽn 11:22
En hij, dit horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, spande hij terstond aan, en kwam te PtolomaÔs, en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot PtolomaÔs, om met hem te spreken.

1 MakkabeeŽn 11:23
Hetwelk Jonathan, verstaan hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan, en hij verkoos enige van de ouderlingen IsraŽls, en van de priesters, en begaf zichzelf in het gevaar.

1 MakkabeeŽn 11:28
En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken, en het land van SamariŽ vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten.

1 MakkabeeŽn 11:29
En de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze inhoud:

1 MakkabeeŽn 11:30
De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 11:36
Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.

1 MakkabeeŽn 11:40
En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen IsraŽl.

1 MakkabeeŽn 11:41
En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen.

1 MakkabeeŽn 11:43
En Jonathan zond hem naar AntiochiŽ drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst.

1 MakkabeeŽn 11:52
En hij hield niet van hetgeen hij beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt.

1 MakkabeeŽn 11:56
En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat gij een van de vrienden des konings zult zijn.

1 MakkabeeŽn 11:59
En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de krijgsmachten van SyriŽ vergaderden bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.

1 MakkabeeŽn 11:61
En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen hunner oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.

1 MakkabeeŽn 11:62
Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren, met veel krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;

1 MakkabeeŽn 11:66
Doch Jonathan legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en des morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.

1 MakkabeeŽn 11:69
En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.

1 MakkabeeŽn 11:70
En Jonathan verscheurde zijn klederen, en legde aarde op zijn hoofd, en bad God.

1 MakkabeeŽn 11:73
En daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.

1 MakkabeeŽn 12:1
Jonathan ziende dat de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weder te vernieuwen.

1 MakkabeeŽn 12:3
En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen, gelijk tevoren.

1 MakkabeeŽn 12:5
En dit is het afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten:

1 MakkabeeŽn 12:6
Jonathan de hogepriester, en de raad des volks, en de priesters, en het andere volk der Joden wensen de Spartiaten, hun broeders, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 12:24
En Jonathan, horende dat de oversten des konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,

1 MakkabeeŽn 12:27
Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger.

1 MakkabeeŽn 12:28
En de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren, en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken.

1 MakkabeeŽn 12:29
En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden.

1 MakkabeeŽn 12:30
En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken.

1 MakkabeeŽn 12:31
En Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd ZabadeeŽn, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit.

1 MakkabeeŽn 12:35
En Jonathan keerde weder, en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om sterkten te bouwen in Judea;

1 MakkabeeŽn 12:40
En vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen.

1 MakkabeeŽn 12:41
En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan.

1 MakkabeeŽn 12:44
En hij sprak Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij al dit volk zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan?

1 MakkabeeŽn 12:48
Maar zodra Jonathan binnen PtolomaÔs was gekomen, sloten die van PtolomaÔs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren.

1 MakkabeeŽn 12:49
En Tryfon zond krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en naar het grote vlakke veld, om te verdelgen allen, die met Jonathan waren geweest.

1 MakkabeeŽn 12:52
En zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het ganse IsraŽl bedreef zeer grote rouw.

1 MakkabeeŽn 13:8
En zij antwoordden met een grote stem zeggende: Gij zijt onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broeders.

1 MakkabeeŽn 13:11
En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.

1 MakkabeeŽn 13:12
En Tryfon brak op van PtolomaÔs, om met grote macht in het land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.

1 MakkabeeŽn 13:14
En Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten.

1 MakkabeeŽn 13:15
Zeggende: Wij houden uw broeder Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.

1 MakkabeeŽn 13:19
Hij zond dan de zoontjes en honderd talenten; doch hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan niet los.

1 MakkabeeŽn 13:23
En toen hij tot Bascama naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven.

1 MakkabeeŽn 13:25
En Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 14:16
Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden.

1 MakkabeeŽn 14:18
Schreven zij aan hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap van wapenen met hem weder te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broeders.

1 MakkabeeŽn 14:30
Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;

2 MakkabeeŽn 1:23
En als de offerande verteerd werd, deden de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia, mede eenstemmig dat volgende.

2 MakkabeeŽn 8:22
Heeft hij zijn krijgsvolk in vier hopen gesteld, en zijn broeders aangesteld tot leiders van elke slagorde, namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Elešzar.