Vindplaatsen van het woord jaar in de apocriefe geschriften (62 verzen):

3 Ezra 1:22
In het achttiende jaar des koninkrijks van Josia is dit Pascha gehouden.

3 Ezra 1:45
En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, tezamen met de heilige vaten des Heren;

3 Ezra 2:1
ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord des Heren vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;

3 Ezra 2:31
En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw des tempels te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van PerziŽ.

3 Ezra 5:6
Die onder Darius, de koning der Perzen, de wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar zijns koninkrijks in de maand Nisan, welke is de eerste maand.

3 Ezra 5:56
En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel Gods te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van SealthiŽl, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broederen, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen.

3 Ezra 6:1
IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet HaggaÔ en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God IsraŽls.

3 Ezra 6:17
Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van BabyloniŽ regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weder zou bouwen.

3 Ezra 6:24
In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis des Heren te Jeruzalem zou bouwen, waar men offeranden doen zou door gedurig vuur.

3 Ezra 7:5
Zo werd het heilige huis voltooid tot op de drieŽntwintigste dag der maand Adar, in het zesde jaar des konings Darius.

3 Ezra 8:6
In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar des konings) zo gingen zij uit BabyloniŽ, op de nieuwe maan der eerste maand,

4 Ezra 3:1
IN het dertigste jaar van de ondergang der stad, was ik te Babylon, en lag bekommerd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart;

4 Ezra 3:29
Ja toen ik hier ben gekomen, en de goddeloosheid gezien heb, welker geen getal is, (want mijn ziel heeft vele overtreders dit dertigste jaar nu gezien) zo is mijn hart mij ontvallen.

4 Ezra 6:21
En kinderen van ťťn jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden,

4 Ezra 13:45
Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd.

Judith 1:1
IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, welke regeerde over de Meden te Ecbatana,

Judith 1:13
En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.

Judith 2:1
EN in het achttiende jaar, op de tweeŽntwintigste dag der eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning der AssyriŽrs, van wraak te oefenen over het ganse land, gelijk hij gezegd had.

Jezus Sirach 33:7
Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het jaar van de zon komt?

Jezus Sirach 37:12
Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met een luie over enig werk; noch met een huurling, die gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel arbeid.

Baruch 1:2
In het vijfde jaar, de zevende dag der maand, op die tijd, in welke de ChaldeeŽn Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.

Esther (apocr.) 11:1
IN het vierde jaar toen PtolomeŁs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zeide dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon PtolomeŁs deze tegenwoordige brief der Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van PtolomeŁs, te Jeruzalem die overgezet had;

Esther (apocr.) 11:2
In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag der maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van JaÔr, de zoon van SimeÔ, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning;

Esther (apocr.) 13:6
Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, welke over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen tezamen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag der twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar.

Susanna (Dan. 13) 1:5
En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van welke de Here gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.

1 MakkabeeŽn 1:11
En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.

1 MakkabeeŽn 1:21
En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weder in het honderdendrieŽnveertigste jaar;

1 MakkabeeŽn 1:58
En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.

1 MakkabeeŽn 2:70
En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen in Modin, en het ganse IsraŽl maakte over hem zeer grote rouw.

1 MakkabeeŽn 3:28
En hij opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden.

1 MakkabeeŽn 3:37
En de koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig waren, en vertrok van AntiochiŽ, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden.

1 MakkabeeŽn 4:28
En hij vergaderde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.

1 MakkabeeŽn 4:52
En zij stonden des morgens vroeg op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar;

1 MakkabeeŽn 4:59
En Judas met zijn broeders, en de ganse vergadering van IsraŽl, bepaalden dat de dagen der inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag der maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap.

1 MakkabeeŽn 6:16
En de koning Antiochus stierf aldaar, in het honderdnegenenveertigste jaar.

1 MakkabeeŽn 6:20
Die, tezamen vergaderd zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, en bij maakte tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van geweld.

1 MakkabeeŽn 6:49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar des lands was.

1 MakkabeeŽn 6:53
En zij hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten.

1 MakkabeeŽn 7:1
In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 8:16
En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.

1 MakkabeeŽn 9:3
En in de eerste maand van het honderdtweeŽnvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op.

1 MakkabeeŽn 9:54
En in het honderdendrieŽnvijftigste jaar, in de tweede maand, gebood Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof des heiligdoms zou afgebroken worden, en hij verbrak de werken der profeten, en hij begon het te verbreken.

1 MakkabeeŽn 10:1
En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in PtolomaÔs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning.

1 MakkabeeŽn 10:21
En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk, en maakte vele wapenen gereed.

1 MakkabeeŽn 10:57
En PtolomeŁs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te PtolomaÔs in het honderdentweeŽnzestigste jaar.

1 MakkabeeŽn 10:67
En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.

1 MakkabeeŽn 11:19
En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste jaar.

1 MakkabeeŽn 13:41
In het honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen van IsraŽl weggenomen.

1 MakkabeeŽn 13:42
En het volk van IsraŽl begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman der Joden.

1 MakkabeeŽn 13:51
En hij deed zijn intocht daarin op de drieŽntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit IsraŽl was uitgeroeid.

1 MakkabeeŽn 14:1
In het honderdtweeŽnzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar MediŽ, om hulp bijeen te trekken, om Tryfon te beoorlogen.

1 MakkabeeŽn 14:27
En dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeŽnzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was.

1 MakkabeeŽn 15:10
In het honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar het land zijner vaderen, en al de krijgsmachten kwamen te zamen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon waren.

1 MakkabeeŽn 16:14
En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.

2 MakkabeeŽn 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 MakkabeeŽn 1:10
In het jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning PtolomeŁs, zijnde uit het geslacht der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.

2 MakkabeeŽn 11:21
Vaart wel in het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag der maand van Jupiter Corinthius.

2 MakkabeeŽn 11:33
Vaartwel. De vijftiende dag der maand van Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.

2 MakkabeeŽn 11:38
Vaart wel. De vijftiende dag der maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.

2 MakkabeeŽn 13:1
In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.

2 MakkabeeŽn 14:4
Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.

3 MakkabeeŽn 1:11
Maar als dezen hem zeiden, dat zulks niet betaamde, omdat het niet geoorloofd was, noch aan die van hun volk waren, noch ook al de priesters daar in te gaan, dan alleen de hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich nochtans geenszins bewegen.