Vindplaatsen van het woord jaren in de apocriefe geschriften (57 verzen):

3 Ezra 1:34
En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieŽntwintig jaren oud was.

3 Ezra 1:39
Jojakim nu was vijfentwintig jaren oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Here.

3 Ezra 1:43
En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaren oud toen hij koning gemaakt werd;

3 Ezra 1:46
En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaren oud, en regeerde elf jaren;

3 Ezra 1:58
Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaren vervuld waren.

3 Ezra 5:41
Al de IsraŽlieten nu waren van twaalf jaren en daarboven, zonder de dienstknechten en dienstmaagden, tweeŽnveertigduizend, driehonderd en zestig.

3 Ezra 5:58
En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken des Heren; en Jozua stond met zijn zonen en broederen, en KadmiŽl zijn broeder, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broederen; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis des Heren.

3 Ezra 5:74
En hinderlagen, en oploop, en samenrottingen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voleindigd, en al de tijd van het leven des konings Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe.

3 Ezra 6:14
En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning IsraŽls, en is voltooid.

3 Ezra 6:30
Desgelijks ook koorn, en zout, en wijn, en olie, gedurig alle jaren; gelijk dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.

4 Ezra 3:23
Alzo verliepen de tijden, en de jaren werden geŽindigd, en gij verwektet u een knecht, met name David.

4 Ezra 3:25
En dat is vele jaren geschied, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen u;

4 Ezra 4:33
En ik antwoordde en zeide: Hoe en wanneer zal dit geschieden? waarom zijn onze jaren weinig en kwaad?

4 Ezra 6:5
En eer men de tegenwoordige jaren opzocht, en eer de vonden dergenen, die nu zondigen, afkerig werden, en opgetekend waren die het geloof tot een schat vergaderd hebben,

4 Ezra 7:28
Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren.

4 Ezra 7:29
En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben.

4 Ezra 9:43
En zij zeide tot mij: Ik, uw dienstmaagd was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaren een man gehad had.

4 Ezra 9:44
En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden,

4 Ezra 9:45
En het is geschied na dertig jaren, dat God mij, uw dienst maagd verhoord heeft, en hij heeft mijn vernedering gezien, en hij heeft mijn angst aangemerkt, en hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer.

4 Ezra 10:45
En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offerande in dezelve was geofferd.

4 Ezra 10:46
En het is gebeurd, dat Salomo na dertig jaren de stad heeft gebouwd en offeranden heeft geofferd, toen is het geschied dat de onvruchtbare een zoon gebaard heeft.

4 Ezra 12:20
Daarvan is de verklaring: Daar zullen in dit rijk acht koningen opstaan, wier tijden kort en jaren snel zijn zullen, en twee van die zullen vergaan.

Tobias (Tobit) 1:7
De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen Ašrons, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.

Tobias (Tobit) 14:2
En was acht en vijftig jaren oud, toen hij het gezicht verloor.

Tobias (Tobit) 14:3
En na acht jaren werd hij weder ziende,

Tobias (Tobit) 14:13
En als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.

Tobias (Tobit) 14:16
En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig jaren te Ecbatana in MediŽ.

Judith 8:4
En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaren en vier maanden.

Judith 16:28
En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis haars mans, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te BethuliŽ, en zij begroeven haar in de spelonk van haar man Manasse, en het huis IsraŽls droeg zeven dagen lang rouw over haar.

Boek der Wijsheid 4:8
Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten wordt.

Jezus Sirach 18:8
Het getal der dagen des mensen aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden.

Jezus Sirach 18:9
Gelijk een droppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen der eeuwigheid.

Jezus Sirach 26:2
Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren zijns levens met vrede.

Jezus Sirach 26:28
Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want het getal zijner jaren zal dubbel zijn.

Jezus Sirach 41:7
Of gij tien, of honderd, of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing des levens.

Baruch 6:2
In BabyloniŽ gekomen zijnde, zult gij daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna zal ik ulieden van daar weder uitvoeren met vrede.

1 MakkabeeŽn 1:8
En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaars regeerden een ieder in zijn plaats.

1 MakkabeeŽn 1:9
En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren;

1 MakkabeeŽn 1:30
Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte.

1 MakkabeeŽn 7:49
En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden worden, de dertiende van de maand Adar.

1 MakkabeeŽn 9:57
En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.

1 MakkabeeŽn 10:41
En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, gelijk in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken des tempels.

1 MakkabeeŽn 10:42
En boven deze, de vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen.

1 MakkabeeŽn 16:3
Maar ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.

2 MakkabeeŽn 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 MakkabeeŽn 1:20
En als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia, gezonden door de koning van PerziŽ, de nakomelingen der priesters, die het verborgen hadden, gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, maar dik water,

2 MakkabeeŽn 4:23
En na de tijd van drie jaren zond Jason MenelaŁs, des voorgemelden Simons broeder, om de koning het geld te brengen, en om hen in gedachtenis te brengen enige noodwendige zaken.

2 MakkabeeŽn 4:40
En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.

2 MakkabeeŽn 6:23
Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden.

2 MakkabeeŽn 6:24
Want, zeide hij, het betaamt onze ouderdom niet te veinzen, opdat vele jonge lieden, menende dat Eleazar nu negentig jaren oud zijnde, overgegaan is tot het heidendom,

2 MakkabeeŽn 7:27
En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,

2 MakkabeeŽn 10:3
En als zij de tempel hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen, hebben zij offerande geofferd, na de tijd van twee jaren; en hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd.

2 MakkabeeŽn 10:8
En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse volk der Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden.

2 MakkabeeŽn 11:3
En de tempel tot geldgewin te gebruiken, gelijk de andere tempels der heidenen, en het hogepriesterschap alle jaren voor geld te verkopen,

2 MakkabeeŽn 14:1
Na de tijd van drie jaren gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot;

2 MakkabeeŽn 15:30
En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest zijner medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid jegens zijn eigen volk altijd bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen.

3 MakkabeeŽn 6:1
En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, een uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad aldus: