Vindplaatsen van het woord joden in de apocriefe geschriften (134 verzen):

3 Ezra 1:21
En geen koning IsraŽls heeft zodanig Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel IsraŽl, hetwelk bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.

3 Ezra 2:18
Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons wedergekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weder oprichten.

3 Ezra 2:23
En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welker oorzaken wil die stad ook verwoest is.

3 Ezra 4:49
En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.

3 Ezra 4:50
En dat het gehele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder schatting zou zijn: en dat de IdumeeŽrs de vlekken der Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;

3 Ezra 6:1
IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet HaggaÔ en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God IsraŽls.

3 Ezra 6:5
En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten der Joden genade van de Here, en werden niet verhinderd in de bouw, totdat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.

3 Ezra 6:8
Het zij alles kennelijk onze Heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten der Joden, die gevangen zijn geweest,

3 Ezra 6:27
Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van SyriŽ en FeniciŽ, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in SyriŽ en FeniciŽ waren verordineerd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht des Heren en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten der Joden, dit huis des Heren zouden laten bouwen, op zijn plaats.

3 Ezra 6:28
En ik ook schreef hij heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis des Heren voltooid is.

3 Ezra 7:2
En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren de oudsten der Joden en de opzieners des tempels behulpzaam.

Esther (apocr.) 10:8
En de heidenen die tezamen gekomen waren om de naam der Joden te verdelgen;

Esther (apocr.) 16:15
Doch wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden;

Esther (apocr.) 16:19
Het afschrift nu van deze brief zult gij op alle plaatsen aanslaan, en zult de Joden toelaten hun wetten vrij te gebruiken.

Susanna (Dan. 13) 1:4
En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem tezamen, dewijl hij de aanzienlijkste was van hen allen.

1 MakkabeeŽn 4:2
Opdat zij vallen zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.

1 MakkabeeŽn 4:20
En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde wat er geschied was.

1 MakkabeeŽn 4:35
Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar AntiochiŽ, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weder gesterkt zijnde, in Judea te komen.

1 MakkabeeŽn 6:6
En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden;

1 MakkabeeŽn 8:20
Judas MakkabeŁs en zijn broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met ulieden gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.

1 MakkabeeŽn 8:23
Dat het de Romeinen en het volk der Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen zijn.

1 MakkabeeŽn 8:25
Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid des harten de Romeinen in de oorlog bijstaan, zoals de gelegenheid des tijds hun zal voorschrijven.

1 MakkabeeŽn 8:27
En volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven.

1 MakkabeeŽn 8:29
Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.

1 MakkabeeŽn 8:31
Voorts aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden?

1 MakkabeeŽn 10:23
Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken?

1 MakkabeeŽn 10:25
En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 10:29
En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de impost van het zout, en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide.

1 MakkabeeŽn 10:33
En alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn ganse koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de schattingen kwijtgescholden worden, ook van hun beesten.

1 MakkabeeŽn 10:34
En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.

1 MakkabeeŽn 10:36
En uit de Joden zullen tot de krijgslieden des konings aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, gelijk betaamt de krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden enigen in de grote sterkten des konings;

1 MakkabeeŽn 11:25
En enige goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden hem.

1 MakkabeeŽn 11:30
De koning Demetrius wenst zijn broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 11:32
Wij hebben voorgenomen aan het volk der Joden, die onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid jegens ons.

1 MakkabeeŽn 11:46
En de koning riep de Joden te hulp, en zij vergaderden allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de stad.

1 MakkabeeŽn 11:48
En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden, gelijk zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, en riepen tot de koning met smeking,

1 MakkabeeŽn 11:49
Zeggende: Geef ons de rechter hand, en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.

1 MakkabeeŽn 11:50
En zij wierpen hun wapenen weg, en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem, hebbende grote buit.

1 MakkabeeŽn 12:3
En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen, gelijk tevoren.

1 MakkabeeŽn 12:6
Jonathan de hogepriester, en de raad des volks, en de priesters, en het andere volk der Joden wensen de Spartiaten, hun broeders, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 12:21
Daar is in de schriften gevonden, aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham.

1 MakkabeeŽn 13:42
En het volk van IsraŽl begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman der Joden.

1 MakkabeeŽn 14:20
De overste en de stad der Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.

1 MakkabeeŽn 14:22
En wij hebben geschreven hetgeen zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.

1 MakkabeeŽn 14:34
En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in de landpalen van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin.

1 MakkabeeŽn 14:40
Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan waren.

1 MakkabeeŽn 14:41
En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan.

1 MakkabeeŽn 14:47
En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk der Joden, en der priesters, en over allen te gebieden.

1 MakkabeeŽn 15:1
En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste der Joden, en aan al het volk;

1 MakkabeeŽn 15:2
En deze waren van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.

1 MakkabeeŽn 15:17
De gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap der wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het volk der Joden;

2 MakkabeeŽn 1:1
De broeders, de Joden, die te Jeruzalem, en die in het land van Judea zijn, wensen de broeders, de Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en goede vrede.

2 MakkabeeŽn 1:7
Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.

2 MakkabeeŽn 1:10
In het jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning PtolomeŁs, zijnde uit het geslacht der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.

2 MakkabeeŽn 3:32
En de hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven ware, heeft voor des mans gezondheid offerande gedaan.

2 MakkabeeŽn 4:11
En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd.

2 MakkabeeŽn 4:13
Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote voortgang der vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen rechte hogepriester was.

2 MakkabeeŽn 4:35
Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood.

2 MakkabeeŽn 4:36
En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van CiliciŽ, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.

2 MakkabeeŽn 5:25
Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.

2 MakkabeeŽn 6:1
En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten hunner vaderen, en niet zouden wandelen naar de wetten van God.

2 MakkabeeŽn 6:8
En in de naburige Griekse steden, is door bestelling van PtolomeŁs, een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten, de afgoden opgeofferd.

2 MakkabeeŽn 8:10
Nicanor nu had de koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.

2 MakkabeeŽn 8:32
En zij versloegen ook Filarches, die bij TimotheŁs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan had.

2 MakkabeeŽn 8:34
En de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,

2 MakkabeeŽn 8:36
En hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd zijn.

2 MakkabeeŽn 9:4
Waarom hij, in zijn gemoed verbolgen wordende, dacht dat bij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats der Joden, als ik daar zal gekomen zijn.

2 MakkabeeŽn 9:7
Doch hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.

2 MakkabeeŽn 9:15
En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te werpen, allen tezamen die van Athene gelijk zou maken;

2 MakkabeeŽn 9:18
Maar als de pijnen geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel Gods was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:

2 MakkabeeŽn 9:19
De koning en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid en welvaren.

2 MakkabeeŽn 10:8
En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse volk der Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden.

2 MakkabeeŽn 10:12
Want PtolomeŁs, die toegenaamd was Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte hetgeen hun aanging vreedzaam te bestellen.

2 MakkabeeŽn 10:14
En Gorgias, veldoverste geworden zijnde van die plaatsen, onderhield vreemd krijgsvolk, en voerde gedurig de oorlog tegen de Joden.

2 MakkabeeŽn 10:15
En tegelijk met hem ook de IdumeeŽn, welgelegen sterkten in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.

2 MakkabeeŽn 10:24
En TimotheŁs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van AziŽ waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.

2 MakkabeeŽn 10:29
Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden der Joden.

2 MakkabeeŽn 11:2
En vergaderd hebbende omtrent tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats der heidenen;

2 MakkabeeŽn 11:15
MakkabeŁs nu, zorgdragende voor hetgeen oorbaar was, stond toe al hetgeen dat Lysias verzocht, want al wat MakkabeŁs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe.

2 MakkabeeŽn 11:16
Want de brieven van Lysias aan de Joden geschreven, waren van deze inhoud: Lysias wenst het Joodse volk voorspoed.

2 MakkabeeŽn 11:24
Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waardoor bij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen volgen;

2 MakkabeeŽn 11:27
En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de raad der Joden, en al de andere Joden, voorspoed.

2 MakkabeeŽn 11:31
Dat de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, gelijk als van tevoren, en dat niemand hunner op enigerlei wijze moeite zal aangedaan worden, om van hetgeen onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn.

2 MakkabeeŽn 12:1
En als deze verbonden aldus gemaakt waren, zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het land te bouwen.

2 MakkabeeŽn 12:3
En die van Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen met hen zouden gaan in enige schuiten door hen besteld, alsof daar geen vijandschap tegen hen ontstaan ware.

2 MakkabeeŽn 12:8
Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden,

2 MakkabeeŽn 12:17
En als zij vandaar zevenhonderdenvijftig stadiŽn voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax tot de Joden, genaamd Tubianen.

2 MakkabeeŽn 12:30
Maar als de Joden, die daar woonden, getuigden van de goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis hun toegedragen hadden, en boe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden van tegenspoed.

2 MakkabeeŽn 12:34
En als zij tegen hem streden, geschiedde het dat er weinigen van de Joden vielen.

2 MakkabeeŽn 12:40
En zij vonden onder de rokken van een ieder der doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren.

2 MakkabeeŽn 13:9
En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders tijd geschied was.

2 MakkabeeŽn 13:18
De koning nu, een proef gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen.

2 MakkabeeŽn 13:19
En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting der Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit en verminderd.

2 MakkabeeŽn 13:23
En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te AntiochiŽ gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.

2 MakkabeeŽn 14:5
En gelegen tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren, geroepen zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen der Joden,

2 MakkabeeŽn 14:6
Zeide daarop: Die onder de Joden genoemd worden de AsideeŽn, van wie Judas MakkabeŁs de overste is, die voeren gedurig oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt.

2 MakkabeeŽn 14:14
En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren gevlucht, vermengden zich als kudden met Nicanor, achtende dat der Joden tegenspoed en ellenden hun eigen voorspoed zou zijn.

2 MakkabeeŽn 14:15
En de Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning heeft aangenomen.

2 MakkabeeŽn 14:37
En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader der Joden was genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor.

2 MakkabeeŽn 14:39
Nicanor nu willende openbaar maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten omhem te vangen.

2 MakkabeeŽn 14:40
Want hij meende, als hij hem zou gevangen hebben, dat hij de Joden daarmede groot leed zou doen.

2 MakkabeeŽn 15:2
En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen geenszins zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die eertijds met heiligheid geŽerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden,

2 MakkabeeŽn 15:12
En aldus was zijn gezicht: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.

3 MakkabeeŽn 1:8
Als nu de Joden enigen uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over hetgeen geschied was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.

3 MakkabeeŽn 2:20
En hij nam voor openlijk dit volk smaadheid aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.

3 MakkabeeŽn 2:22
En opdat hij niet zou schijnen op alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters, dezen gelijk burgerrecht zouden hebben met de burgers van AlexandriŽ.

3 MakkabeeŽn 3:1
En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo toornig, dat hij niet alleen vergramd was tegen AlexandriŽ, maar ook de anderen, die in het gehele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in ťťn plaats alle Joden vergaderen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.

3 MakkabeeŽn 3:2
Als nu deze dingen geordineerd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de boze lieden, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voor nemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden hunner wetten.

3 MakkabeeŽn 3:3
Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, doch omdat zij God dienden, en in zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken der gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.

3 MakkabeeŽn 3:20
En zo wie iemand van de Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe, die zal met zijn ganse huisgezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden.

3 MakkabeeŽn 4:2
Maar de Joden waren in een gedurige droefheid, en hun gekrijt was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, hetwelk jegens hen zo schielijk besloten was.

3 MakkabeeŽn 4:10
Als dit geschied was, en de koning hoorde, dat der Joden landslieden heimelijk en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hunner broederen, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, gelijk als de anderen, en in generlei wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het ganse geslacht der Joden met hun namen zou beschrijven.

3 MakkabeeŽn 4:14
Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving der Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, dewijl daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.

3 MakkabeeŽn 4:15
En als hij hen te harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat beide papier en schrijfpennen, die zij zouden gebruiken hun reeds ontbraken.

3 MakkabeeŽn 4:16
Doch dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.

3 MakkabeeŽn 5:1
Toen heeft de koning, vol van grote toom, en door grimmigheid geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg der olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden.

3 MakkabeeŽn 5:2
En als hij dit gelast had, begaf hij zich weder tot goede sier te maken, en vergaderde de voornaamsten zijner vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste nu der olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was.

3 MakkabeeŽn 5:3
Daarenboven gingen tegen de avond de dienaars uit, en bonden de handen der ellendige Joden, en bedachten voorts wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat dit geslacht tegelijk des morgens een einde zou nemen en uitgeroeid worden.

3 MakkabeeŽn 5:4
Doch de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen ontbloot te zijn, omdat zij alom met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige Here, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat hij de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen.

3 MakkabeeŽn 5:8
Als nu de Joden die tevoren betekende ure ontkomen waren, prezen zij hun heilige God; en zij baden hem weder, die zich lichtelijk laat verzoenen, dat hij de sterkte van zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen.

3 MakkabeeŽn 5:11
Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten.

3 MakkabeeŽn 5:13
Maar zeide hij: Bereid zonder oponthoud op gelijke wijze tegen de volgende dag de olifanten tot het verderf der gruwelijke Joden.

3 MakkabeeŽn 5:16
Maar de Joden waren die ganse tijd in hun gemoed bekommerd; met vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat hij hen weder haastig wilde helpen.

3 MakkabeeŽn 5:21
Zo vele ouders, of kindskinderen als er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige spijs bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (indien ik het niet liet om de liefde van dat wij tezamen opgevoed zijn, en om uw dienst) gij Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden.

3 MakkabeeŽn 5:23
En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke God, de Here en Koning der koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden.

3 MakkabeeŽn 5:24
Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weder een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O gij ellendige, hoe dikwijls moet men een en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf der Joden.

3 MakkabeeŽn 5:27
Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning der Joden, waren geschied,

3 MakkabeeŽn 5:32
Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan des volks zagen, en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde der ellendige verwachting.

3 MakkabeeŽn 6:16
En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mede een weerklank gaven, en het ganse heer tot een onbedwingelijk schreien bewogen werd.

3 MakkabeeŽn 6:17
Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aanschijn vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, nevens de Joden.

3 MakkabeeŽn 6:32
Maar de Joden gelijkerwijs wij tevoren gezegd hebben, hielden de voorzegde reien met vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en psalmen.

3 MakkabeeŽn 7:2
Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestierde gelijk wij wensten, zo hebben sommigen onzer vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op een hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, gelijk afvalligen, straffen.

3 MakkabeeŽn 7:5
En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben jegens alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en te allen tijde voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmede zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoedanig die ook zij.

3 MakkabeeŽn 7:8
Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om terstond te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht der Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf.