Vindplaatsen van het woord jaŽl in het oude testament (6 verzen):

Richteren 4:17
Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van JaŽl, de huisvrouw van Heber, den Keniet; want er was vrede tussen Jabin, den koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, den Keniet.

Richteren 4:18
JaŽl nu ging uit, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.

Richteren 4:21
Daarna nam JaŽl, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.

Richteren 4:22
En ziet, Barak vervolgde Sisera; en JaŽl ging uit hem tegemoet, en zeide tot hem: Kom, en ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in den slaap zijns hoofds.

Richteren 5:6
In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van JaŽl, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.

Richteren 5:24
Gezegend zij boven de vrouwen JaŽl, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!