Vindplaatsen van het woord juichten in het oude testament (5 verzen):

Leviticus 9:24
Want een vuur ging uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het ganse volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.

Richteren 15:14
Als hij kwam tot Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.

1 SamuŽl 17:52
Toen maakten zich de mannen van IsraŽl en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.

Job 38:7
Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.

Jesaja 43:14
Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige IsraŽls: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, te weten de ChaldeeŽn, in de schepen, op welke zij juichten.